UPDATES EN AANVULLINGEN T/M 2001
10 SEPTEMBER 2001
● Overheidsaansprakelijkheid. De Hoge Raad gaf een belangrijke toepassing van
het gelijkheidsbeginsel (‘égalité devant les charges publiques’) in HR
30 maart 2001 (Staat/Lavrijsen), J@ 2001-91, RvdW 2001,
71. Lavrijsen exploiteerde een varkensmesterij in van X gehuurde stallen. Zij
leed schade toen de politie (na toestemming van de rechter-commissaris) in de
stallen huiszoeking deed. De huiszoeking vond plaats, omdat X werd verdacht van
overtreding van de Opiumwet. Rechtbank en Hof wezen de vordering tot
schadevergoeding van Lavrijsen toe. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en
overwoog met verwijzing naar het Leffers-arrest (zie boven), dat het toebrengen
van onevenredige schade bij een op zichzelf rechtmatige overheidshandeling als
de onderhavige huiszoeking jegens de getroffene onrechtmatig is. Onevenredige
schade wil hier zeggen: de op een beperkte groep burgers of instellingen
drukkende nadelige gevolgen die buiten het normale maatschappelijke risico of
het normale bedrijfsrisico vallen. Zie nr. 814 Zwaarwegende maatschappelijke belangen en
rechtmatige daad.
●
Nieuwe column: Weg met de ‘ongelukkige samenloop van omstandigheden’!
13 AUGUSTUS 2001
● Causaliteit en schade. Dat de omkeringsregel bij het bewijs
van causaliteit nauw samenhangt met het bewijs van schade, blijkt onder meer
uit HR 8 juni 2001 (Zwolsche Algemeene/De Greef), J@ 2001-166, NJ 2001,
433. Een automobilist werd, toen hij voor een rood verkeerslicht stond te
wachten, van achteren aangereden door een ongeveer 50 km per uur rijdende auto.
De WAM-verzekeraar erkende aansprakelijkheid maar betwistte de hoogte van de
schade en met name de blijvende arbeidsongeschiktheid. Het Hof besliste dat in een geval als het onderhavige
(post whiplashsyndroom) de eisen die aan het bewijs kunnen worden gesteld, niet
al te hoog dienen te zijn. Een in cassatie hiertegen gerichte motiveringsklacht
faalde. Het onderhavige geval had ook via de omkeringsregel had kunnen worden
beslist. Wie met 50 km per uur achterop een stilstaande auto botst, roept niet
alleen het algemene risico van schade in het leven maar ook het specifieke
risico van een post-whiplash-syndroom. Volgens de omkeringsregel is het dan aan
de WAM-verzekeraar om aan te tonen dat de benadeelde zijn gezondheidsklachten ook
zonder die aanrijding zou hebben gehad. Zie nr. 810 Bewijslast causaliteit.
● Gebrekkige opstallen. Bij art.
6:174 gaat het niet om absolute maar om voldoende veiligheid, zoals ook blijkt
uit HR 15 juni 2001 (Almelo/Wessels), J@ 2001-171, RvdW 2001,
114. Bij een brand in een aantal bedrijfsgebouwen (voornamelijk opslagruimten),
die bij de bouw voor een deel waren voorzien van asbesthoudende dakplaten, kwam
asbesthoudend materiaal vrij. De gemeente liet dit materiaal verwijderen en
vorderde van het bedrijf vergoeding van de daarmee gemoeide kosten. Het hof
wees de vordering af. Het overwoog dat opstallen die voorzien zijn van
asbesthoudende dakplaten niet gebrekkig zijn in de zin van art. 6:174. Volgens
de Hoge Raad had het hof hiermee geen blijk gegeven van een onjuiste
rechtsopvatting. Hij overwoog voorts dat, nu van aansprakelijkheid op grond van
art. 6:174 geen sprake is, niet kan worden gezegd dat het bedrijf uitsluitend
door een gevaarlijke situatie te laten voortbestaan door na te laten het van
haar opstallen afkomstig asbesthoudend materiaal te (doen) verwijderen, een onrechtmatige
daad jegens de gemeente heeft gepleegd. Zie nr. 1203 Gebrekkige opstal.
● Affectieschade. Bij brief
van 20 juni 2001 heeft de Minister van Justitie de hoofdlijnen uiteengezet van
een door hem voorgestane wettelijke regeling voor de vergoeding van
affectieschade (Kamerstukken II, 2000-2001, 27 400 VI, nr. 70). Hij beoogt voor verwanten vergoeding van
affectieschade mogelijk maken, zowel in geval van overlijden als bij ernstig
blijvend letsel. De kring van gerechtigden wil hij beperken tot de niet van
tafel en bed gescheiden echtgenoot of geregistreerde partner van het
slachtoffer, de levensgezel die met het slachtoffer meer dan één jaar een
gemeenschappelijke huishouding voert , de ouders van een minderjarig
slachtoffer, de minderjarige kinderen indien een ouder het slachtoffer is en de
voogd die meer dan één jaar met een minderjarig slachtoffer in gezinsverband
heeft samengeleefd en andersom. Zowel bij overlijden als bij ernstige
verwonding denkt de minister aan een gefixeerd bedrag van € 10 000 per
gerechtigde. Alvorens met een wetsvoorstel te komen, wil de minister eerst aan
de hand van zijn brief met de Tweede Kamer overleggen. Daadwerkelijke invoering
van een wettelijke regeling voor de vergoeding van affectieschade kan derhalve,
met de verkiezingen in aantocht, nog geruime tijd op zich laten wachten.Zie nr. 805 Affectieschade.
2 JULI 2001
● In HR
11 mei 2001 (EMO/Witchin), J@ 2001-150, RvdW 2001, 101, ging het om een
aanvaring tijdens loswerkzaamheden, waarbij Interstevedoring, die met een
zeeschip in opdracht van EMO loswerkzaamheden verrichtte, schade toebracht aan
Witchin. In dit soort gevallen is de aansprakelijkheid van de reder en de
andere gebruikers van het schip (en dus ook van EMO) beperkt door de
(verdragsrechtelijke) regeling van art. 8:750 jo 8:758 BW. De Hoge Raad
overweegt dat moet worden aangenomen dat ook wanneer de wet voorziet in een
limitering van de aansprakelijkheid van de niet-ondergeschikte voor de in art.
6:171 bedoelde fout, de aansprakelijkheid van de opdrachtgever op grond van die
bepaling niet verder reikt dan de aansprakelijkheid van de
niet-ondergeschikte.’ Zie uitvoeriger nr. 1402 Samenwerkingsverbanden.
● Bij faillissement van een NV of BV, is iedere bestuurder jegens de
boedel hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden die niet door vereffening van
de overige baten kunnen worden voldaan, indien het bestuur zijn taak kennelijk
onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak
van het faillissement is (art. 2:138 lid 1 en 2:248 lid 1 BW). De vraag wanneer
sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur heeft de Hoge Raad beantwoord in
HR 7 juni 1996 (Ontvanger/Van Zoolingen), NJ 1996, 695, nt. Ma. Van kennelijk
onredelijk bestuur kan slechts worden gesproken als geen redelijk denkend
bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus gehandeld zou hebben. HR 8 juni 2001 (Gilhuis q.q./X), C99/298 HR, bevestigt
deze lijn. De Hoge Raad vindt dat het Hof de genoemde maatstaf niet heeft
miskend door te oordelen dat sprake moet zijn van ‘roekeloos, lichtzinnig,
onbezonnen en onverantwoordelijk gedrag’. Zie uitvoeriger nr. 1402a Aansprakelijkheid van en jegens rechtspersonen
18 JUNI 2001
● In HR 17 november 2000 (FBTO/Delta Lloyd), NJ 2000, 260, nt. CJHB,
VR 2001, 61 bevestigde de Hoge Raad in het kader van art. 185 WVW, dat de
onopgehelderde oorzaak van een ongeval voor risico van de eigenaar of houder
van het motorrijtuig komt. Deze heeft dan immers niet aannemelijk gemaakt dat
het ongeval te wijten was aan overmacht. Zie uitvoeriger nr. 1308 Overmacht en eigen schuld.
● Link naar HvJEG 29 mei 1997 (Commissie/Verenigd
Koninkrijk), waarin het Hof nader inging op de betekenis
van het ontwikkelingsrisicoverweer in de richtlijn productenaansprakelijkheid
(art. 6:185 lid 1 sub e). Zie nr. 1306 Risico-aansprakelijkheid voor producten; artikel
6:185 e.v. BW.
5 JUNI 2001
● HvJEG 10 mei 2001 (Veedfalds/Arhus Amtskommune)
bevat een belangrijke maar niet verrassende uitleg van een aantal bepalingen
van de Europese richtlijn inzake aansprakelijkheid voor gebrekkige producten.
Veedfalds, een Deense nierpatiënt, zou een niertransplantatie ondergaan. Toen
de nier was verwijderd bij de donor, de broer van de patiënt, werd zij gespoeld
met een daarvoor in het ziekenhuis gemaakte vloeistof. Deze vertoonde echter
gebreken, zodat de nier ongeschikt werd voor transplantatie. De patiënt stelde
het ziekenhuis aansprakelijk. De Deense Højesteret stelde uitlegvragen over de
begrippen ‘in het verkeer gebracht’ (art. 6:185 lid 1 sub a), ‘vervaardiging of
verspreiding voor een economisch doel’ (art. 6:185 lid 1 sub c) en over de
schadebegrippen van art. 6:190 lid 1 (dood, lichamelijk letsel en
privé-zaakschade). Zie uitvoeriger nr. 1306 Risico-aansprakelijkheid voor producten; artikel
6:185 e.v. BW.
● De Europese Commissie publiceerde op
31 januari 2001 het Verslag over de toepassing van Richtlijn 85/374 inzake de
aansprakelijkheid voor producten met gebreken (COM (2001) 893 def.), De hoofdlijn van dit
verslag is, dat de ervaring met de toepassing van de richtlijn nog altijd
beperkt is en dat geen grote problemen met de toepassing van de richtlijn
worden geconstateerd. Daarom acht de Commissie het voorbarig om de huidige
regeling krachtens Richtlijn 85/374 te wijzigen. Wel wordt een groep van
experts voor productenaansprakelijkheid ingesteld, om lacunes in de informatie
op te vullen en een forum te vormen waar permanent onderwerpen met betrekking
tot productenaansprakelijkheid kunnen worden besproken. Voorts wil de Commissie
onderzoeken of op middellange termijn
een uniform productaansprakelijkheidsregime kan worden ingevoerd. Zie uitvoeriger nr. 1306 Risico-aansprakelijkheid voor producten; artikel 6:185
e.v. BW.
21 MEI 2001
● HR 4 mei 2001 (Chan-a-Hung/Maalsté), J@ 2001-141, RvdW
2001, 99 geeft meer duidelijkheid over de toepassing van de reflexwerking. Het
gaat om een geval waarin een fietster tegen de rijrichting in op een
(brom)fietspad rijdt en daar tegen een bromfietser botst, die daaraan blijvend
letsel overhoudt. De AVP-verzekeraar van de fietster weigert met een beroep op
de reflexwerking meer dan 50% van de schade te vergoeden. In cassatie bevestigt
de Hoge Raad het uitgangspunt van het Saskia Mulder-arrest, dat aan art. 31
(oud) WVW reflexwerking toekomt, ook - en dat is een verduidelijking - in geval
van letselschade van de bestuurder van het motorrijtuig. De Hoge Raad voegt
daaraan toe, dat ‘… noch in het geval van schade aan het motorrijtuig noch in
het geval van letselschade aan de zijde van de bestuurder van het motorrijtuig
plaats [is] voor overeenkomstige toepassing van de 100%-regel en van de
50%-regel en kunnen in het kader van de billijkheidscorrectie van art. 6:101
lid 1 BW de gevolgen van de reflexwerking worden verzacht.’ Meer in nr. 825a Reflexwerking (nieuw).
● Nieuw: nr. 501: Engeland - Common law.
● Nieuw: nr. 908: Toerekening - Toerekening op grond van schuld -
Subjectieve toetsing.
● Nieuw: C.C. van Dam, De ouders van Joost, Verkeersrecht 2001, p.
1-7.
7 MEI 2001
● HR
27 april 2001 (Donkers/Scholten), J@ 2001-135, RvdW 2001,
94, gaat over samenloop van
aansprakelijkheidsregels. Dierenarts
A ent op het bedrijf van B diens paarden in tegen tetanus en influenza. Bij de
inenting van het vierde paard, dat gespannen is maar waaraan niets geks is te
merken, gaat het mis: als de dierenarts een stap over de drempel doet, komt het
paard opeens naar voren, waarbij het steigert en onverwacht door het lint gaat,
waarbij het aan de dierenarts letsel toebrengt. Het Hof beslist, dat de regels
die voortvloeien uit de door A en B gesloten behandelingsovereenkomst en de in
art. 6:179 neergelegde regel (risico-aansprakelijkheid voor dieren) in beginsel
naast elkaar van toepassing zijn. Voorts beslist het Hof dat wat partijen zijn
overeengekomen kan meebrengen dat het bepaalde bij art. 6:179 buiten toepassing
dient te blijven maar dat dit in casu niet het geval is. De Hoge Raad verwerpt
het cassatieberoep: ’s Hofs oordeel geeft geen blijk van een onjuiste
rechtsopvatting. Meer in nr. 1502: Bijzondere rechtsbetrekkingen - Samenloop (nieuw) en nr. 1305: Dieren - Risico-aansprakelijkheid (artikel 6:179
BW) (nieuw).
● Nieuw: nr. 401: Duitsland - Overzicht
● Nieuw: nr. 903: Toerekening op grond van schuld - Kennen en kunnen
● Nieuw: nr. 1501: Bijzondere rechtsbetrekkingen - Inleiding
● Nieuwe column: Hemeltje lief
23 APRIL 2001
● HR
13 april 2001 (Overstekende eend), J@ 2001-119. In beginsel
leidt een ‘rechtsinbreuk’ tot een omkering van de bewijslast. In wezen is dit
een toepassing van het ‘res ipsa loquitur’-beginsel. Deze regel gaat
echter niet zonder meer op, indien het gedrag van de degene op wiens recht
inbreuk werd gemaakt niet vlekkeloos was, althans indien gedaagde ten aanzien
hiervan voldoende gemotiveerd verweer heeft gevoerd. De op een provinciale weg
rijdende automobilist A zag een eend van de weghelft voor het tegemoetkomende
verkeer naar zijn weghelft lopen, liet het gas los (‘om te zien wat de eend zou
gaan doen’) en remde vervolgens. Daarop reed de achterkomende automobilist B op
hem in, als gevolg waarvan A letsel opliep, waarvoor hij de WAM-verzekeraar van
B (Stad Rotterdam) aansprakelijk stelde. Het Hof besliste: ‘Vaststaat dat [B]
zijn auto niet tijdig tot stilstand heeft gebracht. Een redelijke
bewijslastverdeling brengt mee, dat Stad Rotterdam (…) de door haar gestelde
toedracht van het gebeurde bewijst.’ Het ging hierbij met name om de vraag of B
voldoende afstand had gehouden, de verkeersnoodzaak voor A om te remmen en de
abruptheid waarmee A zijn auto tot stilstand heeft gebracht. De Hoge Raad casseerde
het arrest van het Hof, omdat het onvoldoende was gemotiveerd. Meer in nr. 839: Stelplicht en bewijslast (nieuw).
● Nieuw: nr. 303: België - Schending wettelijke plicht.
● Nieuw: nr. 902: Toerekening - Geen gedragstoetsing bij toerekening.
● Nieuw: nr. 1102: Inleiding deel III - Aansprakelijkheid voor
nalaten.
9 APRIL 2001
● Nieuw: nr. 101: Inleiding deel I - Probleemstelling.
● Nieuw: nr. 702: Inleiding deel II - Het BW van 1992.
● Nieuw: nr. 1204: Aansprakelijkheid voor onroerende zaken - Belang
van artikel 6:162 naast artikel 6:174.
2 APRIL 2001
● Nieuw: nr. 302: België - Foutaansprakelijkheid - Algemene
zorgvuldigheidsnorm en voorzienbaarheid.
● Nieuw: nr. 901: Toerekening - Inleiding - Vermijdbaarheid.
● Nieuw: nr. 1601: Hulpverlening - Inleiding.
26 MAART 2001
● In een brief aan de Tweede Kamer van 23 februari jl. heeft de
Minister van Justitie nieuwe ontwikkelingen gesingaleerd met betrekking tot wat
hij noemt ‘de mogelijke opkomst van de claimcultuur in ons land’. Hij noemt in
het bijzonder de wens voor het invoeren van smartengeld voor nabestaanden, het
beroep op de overheid voor schadevergoeding bij rampen en de stijgende
schadelast bij aansprakelijkheidsverzekeringen. Op grond van deze
ontwikkelingen vindt de minister de tijd rijp voor een herbezinning op de
doelstellingen en de inrichting van het aansprakelijkheids- en
verzekeringsrecht. Om die reden acht hij de voorbereiding van een nieuw
wetsvoorstel op het terrein van de verkeersaansprakelijkheid niet zinvol. Een
vorm van verkeersverzekering sluit hij daarentegen niet uit, mits de eigen
verantwoordelijkheid van het slachtoffer daarbij wordt betrokken: Kamerstukken II, 2000-2001, 27 400 VI, nr. 54. Zie ook nr. 1309: Toekomstverwachtingen (nieuw) en Thema’s: claimcultuur.
19 MAART 2001
● Nieuw en aanvulling op het handboek: nr. 1306a: Aansprakelijkheid voor roerende zaken - Producten
- Foutaansprakelijkheid
● Nieuw: nr. 301: België - Foutaansprakelijkheid - Inleiding
12 MAART 2001
● Nieuw: nr. 701: Het BW van 1838 en Lindenbaum/Cohen.
● Nieuw: nr. 801: Vier onrechtmatigheidsfactoren.
5 MAART 2001
● HR 2 maart 2001 (Medisch Centrum Leeuwarden/In ’t Hout) AB0377, C99/089.
Het in een ziekenhuis
niet naleven van een medisch protocol levert in beginsel een toerekenbare
tekortkoming op. Dit kan anders zijn indien afwijking van het protocol in het
belang van een goede patiëntenzorg wenselijk is of indien binnen de
beroepsgroep als geheel verschil van inzicht bestaat omtrent de in het protocol
voorgeschreven behandeling. Meer in nr. 831: Buitenwettelijke normen.
De omkeringsregel met
betrekking tot het vaststellen van het causaal verband tussen de verweten
gedraging en de opgelopen schade moet worden onderscheiden van de vraag of ook
verwijderde of onwaarschijnlijke schadelijke gevolgen aan de veroorzaker kunnen
worden toegerekend. In het eerste geval gaat het om een kwestie van feiten en
bewijs. De vraag in hoeverre de in rechte vaststaande gevolgen aan de gedaagde
kunnen worden toegerekend is niet een kwestie van feiten en bewijs maar van recht
en toerekening. Meer in nr. 810: Bewijslast causaliteit.
● Nieuw: nr. 1101: Inleiding deel III, Kwalitatieve fout- en
risico-aansprakelijkheid.
26 FEBRUARI 2001
● Ktr. Middelburg 4 december 2000, AA 9536, veroordeelde een werkgever tot het betalen van
schadevergoeding aan een werknemer die aan RSI leed. Een revalidatie-arts had
een verband gelegd tussen de klachten van de werknemer en de bij gedaagde
uitgevoerde werkzaamheden. Omdat de werkgever vervolgens niet kon aantonen dat
hij, voorzover dat redelijkerwijs van hem kon worden verlangd, alles had gedaan
om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden
schade zou lijden, werd de vordering van de werknemer toegewezen. Meer in nr. 1508: Veilige werkplek.
● Nieuw: nr. 1401: Aansprakelijkheid voor personen - Internationaal
perspectief.
19 FEBRUARI 2001
● HR 19 januari 2001 (Ter Hofte/Oude Monnink), J@ 2001-22, RvdW 2001,
34. De regel van de omgekeerde bewijslast bij causaliteit gaat niet op, indien
de gedaagde het creëren van het risico of de verwezenlijking daarvan voldoende
betwist.
Ter Hofte slipt met zijn motorfiets, komt ten val
en lijdt schade. Kort daarvoor heeft Oude Monnink de oliekoeler van de
motorfiets gerepareerd. Deze reparatie was niet goed verricht, want de koeler lekte
na de reparatie olie. Ter Hofte stelt dat met de schending van de
zorgvuldigheidsnorm door Oude Monnink en de verwezenlijking van het risico het
causaal verband in beginsel gegeven is. De Hoge Raad overweegt echter dat deze
omkeringsregel hier niet opgaat, omdat in deze zaak ‘… niet alleen in geschil
was of de aan Oude Monnink verweten wanprestatie een risico ter zake van het
ontstaan van schade in het leven heeft geroepen, maar ook of, in het
bevestigende geval, dit risico zich vervolgens heeft verwezenlijkt. Oude
Monnink betwistte immers dat als gevolg van de gebrekkige reparatie uit de
koeler een zodanige hoeveelheid olie met het loopvlak van de achterband in
aanraking is gekomen dat daardoor het risico in het leven is geroepen dat Ter
Hofte met zijn motor zou slippen, en tevens dat hij bij het ongeval inderdaad
is geslipt en het risico zich dus heeft verwezenlijkt.’ Hier speelde dus een
belangrijke rol dat niet vaststond, dat de onjuiste reparatie van de oliekoeler
zonder meer het risico van slippen in het leven had geroepen. Meer in nr. 810 Bewijslast causaliteit.
● Nieuw: nr. 1301: Aansprakelijkheid voor roerende zaken -
Internationaal perspectief.
12 FEBRUARI 2001
● HR
2 februari 2001, J@ 2001-40, AA 9766, C99/102HR. Zorgplicht van
belastingadviseur jegens cliënt.
Een belastingadviseur wees haar cliënte (een BV) niet op de mogelijkheid om
een optierecht uit te oefenen. Het Hof vond dat zij daartoe in beginsel wel
gehouden was en de belastingadviseur ging daartegen in cassatie. De Hoge Raad
stelt voorop dat de gerechtigde tot
een optie in beginsel zelf verantwoordelijk is voor het tijdig inroepen
daarvan. Een verplichting voor de belastingadviseur om cliënt te wijzen op het
bestaan van het optierecht, dient voort te vloeien uit enige rechtsverhouding
tussen partijen of uit de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer
betaamt. (r.o. 3.3). Het uitgangspunt van de Hoge Raad is in zoverre juist, dat
een belastingadviseur die iemands aangifte verzorgt, niet verantwoordelijk is
voor wat de cliënt doet of laat met zijn beleggingen. Dit is anders indien
hierover afspraken zijn gemaakt of indien aan dit doen en laten niet voor de
hand liggende fiscale consequenties zijn verbonden. Buiten deze gevallen geldt
voor de adviseur slechts een waarschuwingsplicht indien de ernst van het gevaar
tot zijn bewustzijn is doorgedrongen. Het bijzondere in deze casus was echter,
dat de belastingadviseur een dubbelrol speelde, waarmee zij zichzelf buiten het
zojuist geschetste kader plaatste. De Hoge Raad ziet dat anders en stelt als
voorwaarde voor het aannemen van conflicterende belangen dat de adviseur zich
van het bestaan van het optierecht bewust was geweest. Een dergelijke
subjectieve benadering is niet wenselijk. Meer in nr. 1513: Zorgplichten beroepsbeoefenaar jegens cliënt.
5 FEBRUARI 2001
● HR
26 januari 2001, J@ 2001-34, AA 9666, C99/110HR. Stelplicht en
bewijslast bij beroepsziekten.
Een werknemer van scheepswerf De Schelde krijgt
mesothelioom en stelt dat hij dit in de uitoefening van zijn werkzaamheden
heeft opgelopen. De Schelde betwist dit. De Hoge Raad laat de bewijslast voor
de blootstelling aan asbeststof volledig op de werknemer rusten. De beslissing
is verklaarbaar indien wordt aangenomen dat De Schelde de stelling dat er geen
sprake was van blootstelling aan asbeststof voldoende feitelijk heeft
onderbouwd, door aan te tonen dat De Schelde in de door de werknemer gestelde
periode niet meer met open asbest werkte. In dat geval kan het, zeker indien
het reëel is dat de werknemer ook elders aan asbest kan zijn blootgesteld, niet
onredelijk zijn dat de bewijslast voor de blootstelling aan asbest op de
werknemer blijft rusten. In elk geval maakt het arrest duidelijk, dat het voor
de werknemer zaak is om het verband tussen schade en werk zo uitgebreid
mogelijk met feiten te onderbouwen. Zie uitvoeriger nr. 1508: Veilige werkplek.
● Nr. 519: Engeland - Toerekeningsvatbaarheid - Jeugdige
leeftijd. De
Engelse Court of Appeal heeft in Mullin v. Richards (1998) 1 All ER 920 in
navolging van de Australische rechtspraak beslist, dat voor de vraag of er
sprake is van ‘negligence’ bij een kind is beslissend wat in redelijkheid mocht
worden verwacht van een ‘ordinarily prudent and reasonable child of that age’.
Met verwijzing naar David Wenham, Negligent children,
Web Journal of Current Legal Issues 1998-4.
●
Nieuw: Nr. 1201: Risico-aansprakelijkheid voor onroerende zaken -
Internationaal perspectief.
29 JANUARI 2001
● HR 19 januari
2001 J@ 2001-22, AA
9556, C99/093HR.
Toepassing van de bewijsllastregel bij causaliteit: (a) indien iemand door
een onrechtmatige daad of wanprestatie een risico ter zake van het ontstaan van
schade in het leven heeft geroepen en (b) dit risico zich heeft verwezenlijkt,
(c) is het causaal verband tussen die gedraging en de aldus ontstane schade in
beginsel is gegeven; (d) het is dan aan degene die op grond van die gedraging
wordt aangesproken om te stellen en te bewijzen dat die schade ook zonder die
gedraging zou zijn ontstaan. Aansprakelijkheidsrecht, nr. 810: Bewijslast causaliteit.
● Nr. 507: Engeland - Tort of negligence - Uitbreiding
reikwijdte ‘duty of care’.
Tekst electronisch beschikbaar met een link naar J.C. Smith
and Peter Burns: Donoghue v. Stevenson - The Not So Golden Anniversary
Modern Law Review 46 (1983), p. 147-163. Zie ook Online-bibliotheek.
22 JANUARI 2001
1509 HR 12 januari 2001, C99/125HR, over de aansprakelijkheid van de werkgever
voor schade die een werknemer lijdt als gevolg van een ongeval tijdens een
autorit ten behoeve van het werk. Dit is een toepassing van HR 16 oktober 1992,
NJ 1993, 264, nt. PAS, VR 1993, 74 (Bruinsma/Schuitmaker).
Vuurwerkramp Enschede De rapporten van de Rijksinspecties en de
aanbiedingsbrief van de Minister van Binnenlandse Zaken aan de Tweede Kamer.
Nieuwe column: Schade door zinloos geweld toch gedekt op de AVP-polis
15 JANUARI 2001
810 en 1508: HR 17 november 2000 (Unilever/Dikmans), RvdW 2000, 230, over de stelplicht
van de werknemer en de bewijslast ter zake van de causaliteit bij de
aansprakelijkheid van de werkgever voor beroepsziekten.
Buitenlandse links naar online-informatie over het
aansprakelijkheidsrecht in andere landen (wekelijkse aanvullingen).
8 JANUARI 2001
1508 HR 15 december 2000 (Van Merksteijn/Öztürk), RvdW 2001, 9, over het
ontbreken van een ongevalsrapport en de stelplicht van de werkgever in het
kader van art. 7:658.
Legionella-affaire Hof Amsterdam 4 januari 2001 acht de
standhouder aansprakelijk voor de door benadeelden geleden schade maar wijst
geen voorschot op de schadevergoeding toe.
29 DECEMBER 2000
820 Over de zorgplicht van een beroepsbeoefenaar bij het verzenden van
poststukken en het overboeken van geldbedragen: HR 9 juni 2000 (S/V), NJ 2000, 460 en HR 4 september 1998
(Waarbroek/H.), NJ 1998, 828.
Vuurwerkramp Enschede: Brief van de Minister van Binnenlandse
Zaken, dd. 22 november 2000, onder meer over de voortgang van het onderzoek en
enkele juridische aspecten.
18 DECEMBER 2000
1306 De risico-aansprakelijkheid voor producten (art. 6:185 e.v.) is sinds 4
december 2000 ook van toepassing op onbewerkte landbouwproducten en producten
van de jacht. Dit is een uitvloeisel van een Europese richtlijn, die tot stand
kwam in verband met de BSE-crisis (‘gekke koeien’-ziekte).
11 DECEMBER 2000
1310 Link naar het Haagse Verkeersongevallenverdrag.
1402 HR 13 oktober 2000 (Rainbow/Ontvanger), NJ 2000, 698, nt. Ma, over de
mogelijkheden voor indirecte doorbraak in het rechtspersonenrecht en over de
uitzonderlijke rol die de Hoge Raad ziet weggelegd voor de directe doorbraak
(vereenzelviging).
4 DECEMBER 2000
1202 en 1213 HR 17 november 2000 (Scheemda/Olsder), RvdW 2000, 233,
over de gebrekkigheid ex art. 6:174 van een smal betonnen fietspad met hoekige
en steile randen, mede in verband met de vraag in hoeverre de wegbeheerder
rekening moet houden met de mogelijkheid dat fietsers geen koersvaste lijn
volgen en in de berm kunnen raken.
1306 Link naar het Haagse Productaansprakelijkheidsverdrag.
27 NOVEMBER 2000
706 HR 13 oktober 2000 (S/SOBI), NJ 2000, 699, nt. Ma, past de regels uit
ABP/Poot en Kip-Sloetjes/Rabobank inzake vorderingen van aandeelhouders terzake
van (van een rechtspersoon) afgeleide schade ook toe op een vordering van leden
van een coöperatie.
805 Vrijwel de gehele Tweede Kamer dringt er door middel van een motie bij het
kabinet op aan om een wetsvoorstel in te
dienen dat de vergoeding van affectieschade mogelijk maakt.
Actuele thema’s Link naar een artikel in
Libération over het wrongful life-arrest van de Franse Cour de cassation.
20 NOVEMBER 2000
1303 Risico-aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen. Tekst electronisch
beschikbaar.
1308 HR 10 november 2000 (Levob/Van den Bos), RvdW 2000, 225: in het kader van
art. 185 WVW jo. art. 6:101 BW dient het Betriebsgefahr van het motorrijtuig
niet reeds bij de causaliteitsafweging maar pas bij de billijkheidscorrectie
aan de orde te komen.
1515 Zorgplichten van banken jegens derden. Tekst electronisch beschikbaar.
Nieuwe links: actuele thema’s, buitenlandse bronnen en rechtshulp
13 NOVEMBER 2000
608 Link naar EHRM 28 oktober 1998: aansprakelijkheidsimmuniteit van de
politie is in strijd met art. 6 lid 1 EVRM, ook indien het gaat om de
uitoefening van haar opsporingstaak.
828 HR 3 november 2000 (European Bulk Services/Groenewegen Agro), RvdW 2000,
218: handelen zonder een door de wet vereiste vergunning is niet zonder meer
onrechtmatig.