AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

__________________________________

 

LEGIONELLA-AFFAIRE

 

Algemeen

 

Informatie over legionella

 

Dossier Telegraaf

 

 

Rapportages RIVM

 

Tussenstand onderzoek Legionella epidemie

 

Eindrapportage onderzoek Legionella epidemie

 

Serological findings and health complaints in exhibitors working on the 1999 Westfriese Flora in Bovenkarspel RIVM report 213690.006

 

Onderzoek naar de bron van een epidemie van legionellose Rapport 213690.003

 

Overzicht van de tien grootste beschreven Legionella epidemieën

 

 

Gerechtelijke procedures

 

Pres. Rb. Alkmaar 23 december 2000

Pres. Rb. Alkmaar 20 januari 2000

De nabestaanden van een overleden bezoeker van de Westfriese Flora te Bovenkarspel in februari 1999 en een bezoeker die stelt na een bezoek aan de Flora arbeidsongeschikt te zijn geworden eisen in kort geding een voorschot op de schadevergoeding van een standhouder (badinrichting) en de Stichting Westfriese Flora.

 

De Consumentenbond voegt zich als partij en vordert afwijzing van de vordering van eisers indien komt vast te staan dat er bij de aansprakelijke partij onvoldoende financiële middelen resteren wanneer die vorderingen zouden worden toegewezen, om alle slachtoffers van de legionellabesmetting een voorschot op schadevergoeding uit te keren. De president wijst deze vordering af (r.o. 7.4.1 e.v.).

 

De president oordeelt in het eerste vonnis dat de standhouder jegens de slachtoffers toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld (r.o. 7.5.4 e.v.). In het tweede vonnis wijst hij de vordering echter af wegens onvoldoende bewijs van causaal verband tussen de legionellose en het overlijden, c.q. de ziekte.

De president wijst de vordering van de slachtoffers jegens de Stichting Westfriese Flora af, omdat deze niet toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld (r.o. 7.6 e.v.).

 

Hof Amsterdam 4 januari 2001 (Jan Jong Holding/Hoogland-Kooi), KG 2001, 40

Ook Hof Amsterdam houdt in hoger beroep de standhouder aansprakelijk jegens een bezoeker die door legionella-besmetting ziek is geworden en de nabestaanden van een bezoeker die door legionella-besmetting is overleden. Het Hof wijst geen schadevergoeding toe, omdat het op grond van de vaststaande feiten de schade niet kan vaststellen en het voorts geen spoedeisend belang aanwezig acht. De belangrijkste overwegingen van het Hof waren:

 

Het Hof acht het (r.o. 6.9) ‘… voorshands aannemelijk dat [de standhouder] toentertijd wist of behoorde te weten dat bij gebruik van een whirlpool in het water van de whirlpool bacteriegroei kan plaatsvinden en dat ter voorkoming en/of bestrijding van die bacteriegroei het water in de whirlpool moet worden ontsmet met behulp van chemicaliën (waaronder chloor) en/of het gebruik van een ozongenerator, indien, zoals in het geval van de geëxposeerde whirlpool van [de standhouder], de whirlpool met laatstgenoemd apparaat is uitgerust. Voorts dient het water van de whirlpool regelmatig gecontroleerd te worden met behulp van een testset. [De standhouder] heeft ter gelegenheid van de eerste terechtzitting in hoger beroep aangegeven dat ook bij haar whirlpool een dergelijke testset behoort en dat zij daarover beschikte. (…)

 

6.14 In het licht van het vorenstaande moet voorshands worden aangenomen dat [de standhouder] is tekortgeschoten in haar verplichting om al die veiligheidsmaatregelen te nemen die haar bekend waren of hadden behoren te zijn (kort gezegd: het gebruik van de ozongenerator en/of chlorering) en die vereist waren met het oog op het voorkomen en bestrijden van gevaar van bacteriegroei in het water van de whirlpool, welk gevaar haar toentertijd bekend was of behoorde te zijn. Deze bacteriegroei behelst een gevaar voor de gezondheid van mensen. De van [de standhouder] gevergde veiligheidsmaatregelen zijn, naar aannemelijk is geworden, weinig kostbaar en weinig bezwarend. (…)

 

6.19 Ook als de in 6.14 beschreven nalatigheid van [de standhouder] heeft geleid tot de verwezenlijking van een (…) haar toen niet bekend gevaar, zijnde het gevaar van groei van de [de standhouder] niet bekende legionellabacterie die zich via de de haar onbekende weg van aërosolen heeft verspreid in de expositieruimte, is zij niettemin aansprakelijk voor de schade die het gevolg is van haar nalaten de ozongenerator van de whirlpool gedurende zekere tijd in werking te hebben en te houden alsmede haar nalaten om andere veiligheidsmaatregelen te treffen, waartoe in het bijzonder het chloreren van het water behoort. Nu [de standhouder] een dergelijke (ongeschreven) veiligheidsnorm heeft geschonden is het voldoende dat kenbaar is dat dit nalaten schade van een algemene soort - in dit geval: gezondheidsschade - kan veroorzaken. De specifieke aard van de schade en het causale verloop behoeven niet kenbaar te zijn aan [de standhouder]. Zulks is slechts anders indien [de standhouder] aannemelijk maakt dat het nemen van de destijds vereiste veiligheidsmaatregelen de verwezenlijking van het gevaar van legionellose waarschijnlijk niet had kunnen voorkomen. [De standhouder] heeft dit, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door A c.s., en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, voorshands niet aannemelijk gemaakt. (…)

 

8.20 Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen is het hof voorshands van oordeel dat [de standhouder] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door A c.s. gestelde schade ook zonder haar gedraging zou zijn ontstaan en geldt mitsdien dat het causaal verband tussen de onrechtmatige daad van [de standhouder] en de schade van A c.s. voorshands aannemelijk is. (…)

 

9.5 Gelet op de gemotiveerde betwisting door X van de schadevergoedingsvorderingen van A c.s. laat zich voorshands onvoldoende vaststellen in welke omvang A c.s. schade hebben geleden als gevolg van de fout van [de standhouder]. Het had op de weg van A c.s. gelegen om, met relevante bescheiden onderbouwd, voldoende inzicht te verschaffen in de inkomens- en vermogenspositie van A en B voor en na de schadeveroorzakende gebeurtenis. Nu zij dit hebben nagelaten (hoewel reeds de president in het tussenvonnis op dit manco had gewezen) is het hof, zonder nader feitelijk onderzoek, waarvoor in dit kort geding geen plaats (meer) is, onvoldoende in staat de omvang van hun schade vast te stellen. Het hof kan bij gebreke daarvan evenmin bepalen hoe hoog een eventueel voorschot dient te zijn.

9.6.1 Het gaat in dit geding voorts om vorderingen tot het betalen van een voorschot. In zo'n geval moet aannemelijk zijn dat A c.s. daarbij een voldoende spoedeisend belang hebben. (…)

9.6.4 In deze omstandigheden is onvoldoende aannemelijk geworden dat A c.s. een genoegzaam spoedeisend belang bij hun vorderingen hebben.

9.6.5 Hierbij komt dat A c.s. vanwege het door de overheid opgerichte schadefonds ten behoeve van slachtoffers van de legionellaramp een uitkering van f. 4.000,- hebben ontvangen. Dat versterkt dat onvoldoende aannemelijk is dat A c.s. een voldoende spoedeisend belang bij een voorschot op de schadevergoeding hebben.

 

Zie ook:

 

C.C. van Dam, Aansprakelijkheidsrecht, Boom Juridische uitgevers, 2000, nr. 904 en nr. 1303: Risico-aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen.

 

B. Maat, De legionella-affaire in Bovenkarspel en de mogelijke toepasselijkheid van de aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen, Verkeersrecht 2000, p. 353-358.

 

 

Home