AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

15     BIJZONDERE RECHTSBETREKKINGEN

 

15.6 Sportbeoefening

 

1519Gedragingen in het kader van de sportbeoefening

 

Essentieel voor de inhoud van de zorgvuldigheidsnorm bij contactsporten is of de schade wordt toegebracht 'in het kader van de sportbeoefening'. Binnen dit kader is het toebrengen van letsel namelijk minder snel onrechtmatig dan daarbuiten.

 

Uit het Natrap-arrest volgt dat voor het hanteren van een strenge of minder strenge zorgvuldigheidsnorm beslissend is of de gedraging al dan niet werd verricht 'in het kader van de sportbeoefe­ning' (nr. 1516). Binnen dit kader valt allereerst het spelen van het spel zelf. Dit is bij sporten als voetbal het geval indien sprake is '... van een situatie waarin de beide betrokken spelers de bal aan het spelen waren en waarin juist het spel soms een ingrijpen van een speler kan ei­sen, waarbij de kans op letsel niet uitgeslo­ten kan worden.'[102]

 

Deze maatstaf kan in die zin iets ruimer worden geïnterpreteerd, dat niet noodzakelijk is dat iemand de bal speelt of tracht te spelen. Beslissend is of een speler bij het spel betrokken is, dan wel feitelijk aan het spel deelne­emt. Dat is bij­voor­beeld het geval bij het duw- en trek­werk om een plaats in het strafschop­gebied vooraf­gaand aan het nemen van een hoekschop of een vrije trap. Voorts kan worden gedacht aan een scrum tij­dens een rugbywed­strijd en aan de merk­waardi­ge tafere­len aan de rand van de cirkel bij een hand­balwed­strijd.

 

Ten aanzien van de tennissport heeft de Hoge Raad beslist dat 'in het kader van de sportbeoefening' niet alleen het spelen van het spel zelf omvat maar ook het tussen de games door ballen over het net slaan. Nijgh en Heeck speelden met twee anderen een he­rendubbel­partij ten­nis. Na afloop van een game sloeg Nijgh een aantal ballen naar de andere helft van de baan, waarbij Heeck, die zich op die andere helft bevond, door een bal aan het rechter­oog werd getroffen. De Hoge Raad vond dat het hof geen blijk gaf van een onjuiste rechts­opvatting door te oordelen dat Nijgh en Heeck ook bij het overbrengen van de bal­len tussen twee games zich in een spelsituatie bevonden, waarbij aan de onrechtma­tigheid zwaardere eisen moe­ten worden gesteld dan daarbui­ten.[103] Deze benade­ring lijkt mij in zoverre minder juist, dat bij het overspe­len van ballen tussen twee games meer zorg kan worden betracht dan tijdens het spelen van het spel zelf. Welis­waar is ook tussen twee games een misslag op zichzelf niet onrechtmatig maar de kracht waar­mee ge­slagen wordt, behoeft in die gevallen niet hetzelfde te zijn als tijdens het spel.[104]

 

Het einde van een spel maakt in beginsel ook een (abrupt) einde aan een gedraging 'in het kader van de sportbeoefening'. Heeft de scheidsrechter in een voetbal- of judo­wedstrijd gefloten of is een punt in een tenniswedstrijd gespeeld, dan betekent dit voor de deelnemers het (tijdelijke) einde van hun beschermde positie als sporter.

 

In een Duitse uitspraak ging het om een herendubbelpartij tennis, waarbij het laatste punt van de wedstrijd werd gescoord door middel van een ace. De van de achterwand te­rugspringende bal werd door een van de verliezers teruggeslagen, deze miste echter half en de bal kwam (ook hier) in het oog van zijn medespeler terecht, dat daardoor in het ongerede raakte. De rechter besliste dat de speler die missloeg dat niet deed in het kader van het eigentliche Spielgeschehen. Hij had '... den Ball weder zur Erringung eines Punkts noch zum Warmspielen oder zum Balltausch und damit schlechthin nicht mit dem Ziel des Ballwechsels spielen wollen. Unstreitig war der letzte Punkt für die Gegenseite gewonnen. Unstreitig war das eigentliche Spielgeschehen damit beendet, unstreitig war von allen beteiligten Spielern damit das Feld zu räumen.'[105] Deze strenge regel geldt dus niet wanneer voor de speler niet duidelijk behoefde te zijn dat het punt was gemaakt en het spel daarmee (tijdelijk) was beëindigd.

 

Politie-agent Bergmans liep tijdens diensttijd een whiplash op bij een judo-les. In fei­telijke instanties werd er vanuit gegaan, dat tegenstander De Wijs een schou­derworp had inge­zet nadat de instructeur het stop­commando had gegeven. De Hoge Raad stemde in met het oordeel van het Hof, dat het van zeer groot belang is dat de deelne­mers acht slaan op en gevolg geven aan aanwijzingen van scheidsrechters, instructeurs e.d.: 'Ken­ne­lijk heeft het Hof de omstandigheid dat De Wijs op dat punt in gebreke is geble­ven (...)  aange­merkt als een zo zwaarwe­gende factor dat deze nalatigheid De Wijs moet wor­den aange­rekend als een onrechtmati­ge daad.' Een belangrijke reden hiervoor was volgens het Hof dat de deelnemers na dat commando, anders dan daar­vóór, niet langer behoeven te verwach­ten dat zij op de grond zullen worden geworpen. Op deze grond werd ook het beroep op eigen schuld van Bergmans verworpen, omdat '... Bergmans niet erop verdacht behoefde te zijn dat De Wijs de oefening zou voortzetten.'[106]

 

In twee arresten heeft de Hoge Raad de grenzen van de sportbeoefening nader aangegeven. In HR 28 maart 2003 (Bottefeart), J@ 2003-153, RvdW 2003, 63 ging het om een hindernisbaan over een Friese vaart waarbij deelnemers droog de overkant moesten zien te bereiken. Wie dat lukte, liep het risico door de andere deelnemers alsnog in het water te worden gegooid. Toen dat een van de deelnemers inderdaad gebeurde, liep hij blijvend letsel op aan zijn been door een hart voorwerp dat zich op de bodem van de vaart bevond. De Hoge Raad vond dat het in het water gooien nog binnen het kader van sport en spel viel: Aangezien de door die sport of dat spel bepaalde verhouding tussen de deelnemers daaraan niet direct en geheel hoeft te veranderen doordat en op het moment waarop aan die sport of dat spel volgens de daarvoor geldende regels, een einde komt, houdt ook de verhoogde drempel om aansprakelijkheid te kunnen aannemen, dan niet steeds direct en geheel op te gelden. Een (korte) tijd daarna kan het feit dat partijen zo-even nog met elkaar hebben gewedijverd of in een spelsituatie waren verwikkeld, de verwachtingen die zij van elkaar mogen of moeten hebben, blijven beïnvloeden, afhankelijk van de aard van die activiteit en de verdere omstandigheden van het geval.’

 

In HR 28 maart 2003 (Schaatsers), J@ 2003-154, RvdW 2003, 64 werd Broere tijdens het KNSB-trainingsuur op de Haarlemse kunstijsbaan onderuit gehaald door Kegel toen deze met hoge snelheid ten val was gekomen. Broere reed in de buitenbaan, die bestemd was voor uitrijdende schaatsers, terwijl Kegel in de binnenbaan reed, die bestemd was voor schaatsers die met snelheidsoefeningen bezig waren. Broere stelde Kegel voor zijn schade aansprakelijk. Ook hier vond de Hoge Raad dat het gedrag van Kegel nog viel binnen het kader van sport en spel: ‘Deze verhoogde drempel om aansprakelijkheid te kunnen aannemen, houdt niet op te gelden doordat – in dit geval – tijdens het KNSB-trainingsuur de ene schaatser doende is uit te rijden, terwijl de andere bezig is met een snelheidsoefening en zij op verschillende, door de KNSB daartoe aangewezen, gedeelten van de baan rijden. Ook dan beïnvloedt het feit dat beide rijders tijdens dat trainingsuur op dezelfde baan schaatsen, de verwachtingen die zij van elkaar mogen of moeten hebben, welke verwachtingen overigens mede afhankelijk zijn van de risico’s die aan de schaatssport eigen zijn, het doel van dat trainingsuur en de verdere omstandigheden van het geval.’

 

In beide arresten speelde een cruciale rol dat de slachtoffers van de risico’s op de hoogte waren en dus met het gevaarlijke gedrag rekening konden houden. Daarin verschillen deze arresten van het Judoworp-arrest waarin de judoka die na het fluitsignaal ten val werd gebracht daarop niet behoefde te rekenen. Zie over beide arresten C.C. van Dam, De grenzen van sport en spel, VR 2003, p. 173-176.

 

102 Zie ook S. Sonck, Voetbalsport: fouten, gele kaarten en burgerrechtelijke aansprakelijkheid of voetbalwangedrag in het licht van de artikelen 1382 e.v. BW, RW 1986-87, p. 1616-1617.

103 HR 19 oktober 1990, NJ 1992, 621, nt. CJHB, VR 1991, 21 (Tennisbal).

104 Zie ook OLG Köln 13 juli 1994, VersR 1995, 57 ('droogslag' bij squash). Zie voorts Rb. Arnhem 3 september 1992, NJ 1994, 182 (Hoogenberg/Dimmedal): onrechtmatige gedraging van een hand­balkeeper, die een bal tijdens een training het veld, waardoor een speler oogletsel oploopt.

105 OLG Braunsch­weig 7 februari 1990, VersR 1991, p. 1066.

106 HR 11 november 1994, NJ 1996, 376, nt. CJHB, VR 1995, 97 (Judoworp).