AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

15     BIJZONDERE RECHTSBETREKKINGEN

 

15.5  Dienstverlening

 

1513 Zorgplichten beroepsbeoefenaar jegens cliënt

 

Beoefenaren van het vrije be­roep, zoals advocaten, accountants, artsen en notarissen zijn jegens hun cliënt gehou­den zich als een goede opdrachtnemer te gedragen (art. 7:401). De rechtspraak stelt in dat kader aan hun gedragingen in het algemeen hoge zorgvuldigheidseisen.

 

De rechtsverhouding tussen de beroepsbeoefenaar en de cliënt kan veelal worden ge­kwalificeerd als een overeenkomst van opdracht (art. 7:400 e.v. BW). Voor de verhou­ding tussen arts en patiënt geldt dat er sprake is van een bijzondere overeenkomst van opdracht, namelijk een geneeskundige behandelingsovereenkomst. Hierop is afdeling 7.7.5 van toepas­sing, waarin de zorgplicht van de arts vrij gedetailleerd is uitgewerkt; zie nr. 1510: Artsen.

 

Een beroepsbeoefenaar is jegens zijn cliënt gehouden om de zorg van een redelijk be­kwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar te betrachten. De Hoge Raad heeft deze norm in 1990 geïntroduceerd[78] en sindsdien vele malen en op ve­lerlei beroepsbeoefena­ren toegepast, zoals op artsen, advocaten, notarissen en assurantie­tussenpersonen.[79]

 

Deze norm kan aldus worden verstaan dat redelijke bekwaamheid ziet op de vereiste kennis en kunde, terwijl het redelijk handelen de toets­steen is voor de gedraging van de beroepsbeoefenaar. De terminologie 'redelijk' lijkt een voorzichtige toetsing te impliceren maar dat is geenszins de bedoeling: van de beroepsbeoefenaar wordt, in de terminologie van art. 7:401 BW, verwacht dat hij zich als een 'goed' beroepsbeoefenaar gedraagt. De concretisering van deze norm is vanzelfsprekend afhankelijk van de aard van de beroeps­beoefening en van de omstandigheden van het ge­val. Daarbij speelt in een belangrijk aantal gevallen een rol, dat er een kloof bestaat tussen de kennis van de beroepsbeoefe­naar en die van de cliënt of de derde. Laatstge­noemden zijn dan in die zin afhankelijk van de gedragingen van de beroepsbeoe­fenaar, in het bijzonder van de door hem te verstrek­ken informatie. Zie over de voor de beroepsbeoefe­naar, in het bijzonder de arts, vereiste kennis en kunde nr. 913: Beroepsbeoefenaar.

 

Zowel voor de advocaat als voor de notaris geldt, dat hun handelen moet voldoen aan hoge eisen van zorgvuldigheid. Risico-aansprakelijkheid wordt echter niet aanvaard. Zo vond de Hoge Raad dat geen steun in het recht vindt de gedachte, dat in de rechtsverhou­ding tussen advocaat en cliënt zou gelden dat het in beginsel voor risico van de advocaat komt, wanneer achteraf blijkt dat de cliënt over de periode waarin de advo­caat tegen be­taling voor hem is opgetreden, voor kosteloze rechtsbijstand in aanmerking zou zijn ge­komen.[80] De Hoge Raad aanvaardde evenmin, dat een notaris die bij het verlijden van een transportakte verklaart de koopsom onder zich te hebben en deze terstond na het verlijden van de akte aan de verkoper te zullen doen toekomen, daardoor ter zake aan de verkoper een hem onder alle omstandigheden bindende garantie geeft. Positie en taak van de transporterende notaris, noch de eisen van het rechtsverkeer rechtvaardigen hem jegens de verkoper in zo vèrgaande mate gehouden te achten dat hij hem ter zake van de ontvangst van de koopsom behoort te vrijwaren tegen risico's die zich ook bij een hoge mate van zorgvuldigheid zijnerzijds niet lieten vermijden.[81]

 

In HR 2 februari 2001 (S./Vonk Beheer BV), J@ 2001-40, NJ 2002, 379, nt. HJS, ging het om belastingadviseur S. die haar cliënte Vonk Beheer er niet op had gewezen een optierecht uit te oefenen. Het Hof vond dat zij daartoe in beginsel wel gehouden was en de belastingadviseur ging daartegen in cassatie. De Hoge Raad stelde voorop dat de gerechtigde tot een optie in beginsel zelf verantwoordelijk is voor het tijdig inroepen daarvan. Een verplichting voor de belastingadviseur om cliënt te wijzen op het bestaan van het optierecht, dient voort te vloeien uit enige rechtsverhouding tussen partijen of uit de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt. (r.o. 3.3). Met betrekking tot de rechtsverhouding overwoog de Hoge Raad dat de belastingadviseur bepaalde werkzaamheden - met name het verzorgen van aangiften - voor cliënt verrichtte, maar dat daaruit niet zonder meer volgde dat zij zich bewust had moeten zijn van het bestaan van een optierecht en evenmin dat zij, buiten de haar verleende opdrachten, een bijzondere zorgplicht had met betrekking tot de financiële aangelegenheden van cliënt, waaronder het tijdig uitoefenen van het onderhavige optierecht..

 

Met betrekking tot de in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid overwoog de Hoge Raad: ‘Buiten een opdracht als vorenbedoeld kan slechts worden aangenomen dat S. zich onzorgvuldig jegens Vonk Beheer heeft gedragen, indien S. zich ervan bewust is geweest dat Vonk Beheer haar optierecht over het hoofd zag en desondanks heeft nagelaten haar op het bestaan van het optierecht te wijzen dan wel verzuimd heeft Vonk Beheer te waarschuwen dat zij ermee rekening moest houden dat S. in het kader van de onderhavige transactie niet optrad als de behartiger van de belangen van Vonk Beheer. (…). Van conflicterende belangen kan (…) pas sprake zijn, wanneer S. zich van het bestaan van het optierecht bewust was geweest. In dat geval zou zulks niet tot een verplichting leiden om Vonk Beheer op het bestaan van het optierecht te wijzen, doch zou zij Vonk Beheer erop hebben moeten attenderen dat zij in het kader van de transactie niet de belangen van Vonk Beheer zou kunnen behartigen.’ (r.o. 3.4).

 

Het uitgangspunt van de Hoge Raad is in zoverre juist, dat een belastingadviseur die iemands aangifte verzorgt, niet verantwoordelijk is voor wat de cliënt doet of laat met zijn beleggingen. Dit is anders indien hierover afspraken zijn gemaakt of indien aan dit doen en laten niet voor de hand liggende fiscale consequenties zijn verbonden. Buiten deze gevallen geldt voor de adviseur slechts een waarschuwingsplicht indien de ernst van het gevaar tot zijn bewustzijn is doorgedrongen.[Barendrecht en Van den Akker, Informatieplichten van dienstverleners, 1999, p. 114, met verdere jurisprudentie.] Het bijzondere in bovenstaande casus was echter, dat de belastingadviseur een dubbelrol speelde (vgl. r.o. 3.1 sub ii en Conclusie AG-Bakels, nr. 2.18 t/m 2.21). Naar mijn mening plaatste zij zichzelf daarmee buiten het zojuist geschetste kader. De Hoge Raad zag dat anders en stelde als voorwaarde voor het aannemen van conflicterende belangen dat de adviseur zich van het bestaan van het optierecht bewust was geweest. Een dergelijke subjectieve benadering (zie nr. 910: Subjectieve toetsing: zuiver nalaten en bruikleen) is niet wenselijk. De aanwezigheid van conflicterende belangen dient naar een meer objectieve maatstaf te worden beoordeeld, namelijk of de adviseur zich in de gegeven omstandigheden van het bestaan van het optierecht bewust had behoren te zijn. Zo ja, dan had hij cliënt moeten wijzen op het optierecht, of hem moeten meedelen dat hij diens belangen niet kon behartigen. Door dat laatste niet te doen handelde hij onzorgvuldig jegens de cliënt en schond hij een norm die strekte tot voorkoming van schade zoals cliënt die had geleden; vgl. HR 16 juni 2000 (Sint Willibrord), J@ 2000-97, NJ 2000, 584, nt. CJHB, VR 2000, 189, nt. dBK. De oplossing van de Hoge Raad leidt ertoe dat dienstverleners een dubbelrol kunnen spelen ten nadele van anderen zonder dat sprake is van een afdoende sanctie. Vanzelfsprekend dient bij dit alles wel de eigen schuld van de cliënt in ogenschouw te worden genomen; het Hof stelde deze op 50%.

 

Gedrags- en beroepsregels zijn van belang voor het bepalen van de zorgplicht van de beroepsbeoefenaar; zij spelen daarbij echter veelal geen doorslaggevende rol (nr. 831: Buitenwettelijke normen).

 

[78] HR 9 november 1990, (Speeckaert/Gradener), NJ 1991, 26. Zie ook Giesen, Bewijslastverdeling bij beroepsaansprakelijkheid (1999) en J.M. van Dunné, De bewijslastverdeling bij beroepsaansprake­lijkheid, AA 1995, p. 664-675.

[79] Zie over assurantietussenpersonen HR 22 november 1996 (Korea Holland Trading/Generale Bank), NJ 1997, 718, nt. MMM, VR 1997, 97, nt. Dorhout Mees en HR 11 december 1998 (S./Van N.), NJ 1999, 650, nt. P. Clausing.

[80] HR 14 mei 1993 (Smorenburg/Van der Gronde), NJ 1993, 457; zie ook HR 1 november 1991 (De Kort/Blok), NJ 1992, 121. Zie voorts HR 7 februari 1986 (Van Liere/Spruijt), NJ 1986, 378 en HR 28 juni 1991 (Bouw/Hakvoort), NJ 1992, 420, nt. JBMV, VR 1992, 48, waarover nr. 831: Buitenwettelijke normen.

[81] HR 9 maart 1990 (Knobo Beheer BV/Schellenbach), NJ 1990, 428. Zie ook HR 28 september 1990 (Crédit Lyonnais/T.), NJ 1991, 473, nt. EAAL; HR 25 januari 1991 (K./Amro-bank), NJ 1992, 97, nt. EAAL; HR 31 december 1993 (K./ABN Amro), NJ 1994, 275. Zie voor recen­te Belgische jurisprudentie: Dalcq et Schamps, Examen de jurisprudence, RCJB 1995, p. 605-607.

 

Naar boven    Inhoud      Home