AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

15     BIJZONDERE RECHTSBETREKKINGEN

 

15.3  Zorgplichten jegens werknemers

 

1509 Andere verplichtingen

 

De zorgplicht van de werkgever heeft niet alleen be­trekking op de veiligheid en het welzijn van de werknemer op de werkplek maar ook op de bescherming van de belangen van de werknemer die in verband met zijn werkzaamheden buiten de werkplek schade lijdt.

 

Hoever reikt de aansprakelijkheid van de werkgever buiten de werkplek? Deze vraag kwam impliciet aan de orde toen een werknemer voor de werkgever met zijn eigen auto een pakje wegbracht en door een eigen fout zijn auto beschadigde. Volgens de Hoge Raad '... vloeit naar de aard van de arbeids­overeenkomst uit de eisen van redelijk­heid en billijkheid, bedoeld in art. 6:248 lid 1, voort dat de werkgever ook in geval de auto ten tijde van het ongeval aan de werknemer zelf toebehoorde, in beginsel de daaraan ontstane schade heeft te dragen, behoudens het geval dat deze is ontstaan door opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.'[58] Deze regel geldt in beginsel, omdat uit een in de arbeidsovereen­komst opgenomen beding inzake autokostenvergoeding anders kan voort­vloeien.

 

Geldt deze regel ook indien de werknemer door een fout letsel aan zichzelf toebrengt? Daarover ging HR 12 januari 2001 (Vonk Montage/Van der Hoeven), J@ 2001-19, NJ 2001, 253, nt. PAS, VR 2001, 135. Werknemers van een bedrijf in Didam reisden dagelijks in een door de werkgever beschikbaar gestelde bestelbus naar een montageklus in de Amsterdam ArenA. De werknemers bestuurden de bus bij toerbeurt. Op 23 augustus 1995 raakte de bus met de linkerwielen in de middenberm, kwam na een stuurcorrectie in een slip en sloeg diverse malen over de kop. Alle inzittenden raakten gewond. De passagiers claimden hun schade bij de WAM-verzekeraar van de bus. Voor bestuurder Van der Hoeven was dat niet mogelijk en hij stelde de werkgever voor de zijn schade aansprakelijk. De rechtbank wees de vordering toe op grond van het stelsel van het arbeidsrecht en wat in verband daarmee naar de aard van de arbeidsovereenkomst uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeide. Zij sloot daarmee aan bij het genoemde arrest Bruinsma/Schuitmaker. De rechtbank noemde vijf relevante omstandigheden: ‘(I) de werknemer was in de uitoefening van zijn werkzaamheden verplicht zich (dagelijks) per auto van Didam naar Amsterdam en terug te begeven; (II) hij was daarbij verplicht bij toerbeurt te chaufferen; (III) de financiële gevolgen van een eventueel ongeval waren voor alle inzittenden van het busje door een WA-verzekering gedekt, behalve voor de chaufferende werknemer; (IV) er was geen sprake van opzet dan wel bewuste roekeloosheid aan de zijde van de werknemer bij het ontstaan van het ongeval; (V) het ‘ervaringsfeit’ dat de dagelijkse omgang met auto’s de gebruiker daarvan licht ertoe zal brengen niet steeds alle voorzichtigheid in acht te nemen die ter voorkoming van ongevallen geraden is.’ De Hoge Raad volstond in deze vrij principiële kwestie met (c.q. kwam niet verder dan) de verklaring dat dit oordeel van de rechtbank geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting.

 

Met dit arrest wordt bevestigd dat een werkgever ook aansprakelijk kan zijn als niet aan de eisen van art. 7:658 BW is voldaan. Redelijkheid en billijkheid en art. 7:611 (goed werkgeverschap, zie hieronder) kunnen meebrengen dat ook aansprakelijkheid kan worden aangenomen als de werkgever geen zorgplicht heeft geschonden. Het ligt voor de hand om aan te nemen dat dit betekent, dat ook voetgangers en fietsers die zich van de ene naar de andere werkplek moeten begeven, of fietsers die als koerier werkzaam zijn, door de werkgever schadeloos moeten worden gesteld, indien zij onderweg gewond raken.

 

In HR 9 augustus 2002 (De Bont/Oudenallen), J@ 2002-282, RvdW 2002, 130 bevestigde de Hoge Raad bovenstaande beslissing. Ook in deze zaak ging het om de schadeclaim van een chauffeur die met collega’s naar het werk reed, een ongeval veroorzaakte en schade leed. De Hoge Raad merkte op dat bij de verwijzing gekeken moet worden naar de vraag of in de aan eiser betaalde vergoedingen (in casu ƒ 1500 netto per maand) een bestanddeel is begrepen voor de kosten van extra verzekeringen en in hoeverre eiser heeft begrepen of had moeten begrijpen dat de door hem ontvangen vergoeding er mede toe strekte premies van verzekeringen te dekken. Het is aannemelijk dat indien dit laatste het geval is de vergoedingsplicht van de werkgever alleen in zoverre wordt verminderd.

 

De verantwoordelijkheid van de werkgever voor de veiligheid van de werknemer buiten de werkplek kwam expliciet aan de orde in een arrest van de Hoge Raad uit 1999. Het ging om een reclasseringsambtenaar, die op een vrijdagavond thuis door een reclasserings­cliënt ernstig werd mishandeld. De ambtenaar stelde voor zijn schade zijn werkgever aansprakelijk, omdat deze verzuimd had zodanige maatregelen te treffen dat werknemers ook in hun privé-leven voldoende beschermd zouden zijn. Hoewel de Hoge Raad het werkplek-criterium op zichzelf ruim interpreteert,[59] wees hij hier aansprakelijkheid van de werkgever op grond van art. 7:658 af voor ongevallen die de werknemer, ofschoon sa­menhangend met zijn werkzaamheden, in zijn privé-situatie zijn overkomen. Zijn argu­menten ontleende de Hoge Raad onder meer aan de tekst van de wet (die spreekt over veiligheid van de werk­omge­ving en de gebruikte werktuigen) en aan de overweging dat de aansprakelijkheid van de werkgever niet louter voort­vloeit uit de sociaal-economische band met de werkne­mer maar nauw verband houdt met zijn zeggenschap over de werkplek en de werkne­mer.[60]

 

Uit het arrest kan worden opgemaakt dat, hoewel aansprakelijkheid in dit soort gevallen dus niet op art. 7:658 kan worden gebaseerd, aansprakelijkheid op grond van art. 7:611 (goed werkgeverschap) niet is uitgesloten. De verantwoordelijkheid van de werkge­ver voor de veiligheid van de werknemer is niet afhankelijk van de toevallige omstandig­heid dat de ene riskante werkzaamheid wel op het terrein van de werkgever plaatsvindt en de andere niet. In die zin is de sociaal-economische band tussen werkgever en werk­nemer voor zijn verantwoordelijkheid wel degelijk van belang. Dat de werkgever verant­woordelijk is voor de veiligheid van de werknemer staat dan ook vast. Het pro­bleem ligt in de omvang van diens zorgplicht, omdat diens mogelijkheden om buiten de werkplek effectieve voorzorgs­maatregelen te nemen beperkt zijn.

 

Volgens de Hoge Raad is voor aansprake­lijkheid op deze grond slechts plaats onder bijzondere omstandigheden. Hij noemt in dat verband een ook voor de werkgever bekend specifiek en ernstig risico, bijvoorbeeld indien de werknemer al eerder is bedreigd. Dit is echter een weinig principiële en onnodige beperkingen suggererende benadering. Beslis­send moet zijn of, gezien de omvang van het risico, het nemen van voorzorgsmaatregelen van de werkgever kon worden gevergd (nr. 802). Dat deze maatregelen niet altijd afdoen­de zullen zijn om de verwezenlijking van het risico te verhinderen doet daar niet aan af.[61] Voorts is, anders dan de Hoge Raad betoogt, voor het aannemen van een zorg­plicht van de werkgever diens zeggenschap over de privé-situatie van de werknemer niet noodzakelijk; die heeft hij bij thuiswerkers in beginsel immers evenmin. De zorg­plicht van de werkgever kan onder meer tot uitdrukking komen in het adviseren over beveili­ging of het daartoe beschikbaar stellen van geld of materiaal (nr. 823).[62]

 

58. HR 16 oktober 1992, NJ 1993, 264, nt. PAS, VR 1993, 74 (Bruinsma/Schuitmaker). Zie ook het voorgestelde art. 7:658a in Kamerstukken II, 1997-1998, 25 759, nr 1-3 (Wetsvoorstel Verkeersongevallen), waarover nr. 1309.

59. Zie onder meer C.J.M. Klaassen, De hedendaagse werknemer en de aansprakelijkheid van de werkgever ex art. 7:658 BW: een danspaar uit de maat, NTBR 1997, p. 105-110.

60. HR 22 januari 1999, NJ 1999, 534, nt. PAS, VR 1999, 118, nt. L. Bier (Reclasseringsambtenaar).

61. HR 6 oktober 1995, NJ 1998, 190, nt. CJHB, VR 1996, 5 (Disloque), waarover nr. 819 en nr. 1519.

62. Aldus ook L. Bier, noot onder HR 22 januari 1999, VR 1999, 118 (Reclasseringsambtenaar).

 

Naar boven    Inhoud      Home