________________________________________
15 BIJZONDERE RECHTSBETREKKINGEN
15.3 Zorgplichten jegens werknemers
Het in 1997 ingevoerde art. 7:658 heeft onmiddellijke werking. Op de
werkgever rust op grond van deze bepaling jegens
de werknemer een strenge zorgplicht voor de veiligheid van de werkplek,
inclusief de daar aanwezige machines en gereedschappen. Deze bewijslast van de werkgever komt pas aan de orde, indien de
werknemer aantoont dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn
werkzaamheden. Woonwerk-verkeer valt daar in beginsel buiten.
Op
grond van het op 1 april 1997 in werking getreden art. 7:658 is de werkgever aansprakelijk voor
schade die de werknemer op de werkplek oploopt, tenzij de werkgever kan aantonen
dat hij alle van hem te vergen veiligheidsmaatregelen heeft getroffen. In het
kader van art. 7A:1638x (oud) lag de bewijslast nog bij de werknemer, al kwam
de Hoge Raad hem daarin verregaand tegemoet.[49] Mede op die grond besliste de Hoge Raad in HR
3 december 1999 (Fransen/Pasteurziekenhuis), NJ 2000, 211, nt. PAS, VR 2000, 118, dat art. 7:658 onmiddellijke
werking heeft. Dat betekent dat dit artikel ook van toepassing is op
bedrijfsongevallen die vóór 1 april 1997 hebben plaatsgevonden en op beroepsziekten
die voor die datum zijn veroorzaakt. In gelijke zin HR 17 november 2000
(Unilever/Dikmans), J@ 2000-214, NJ
2001, 596, nt. DA, VR 2001, 78; HR 15 december
2000 (Van Merksteijn/Öztürk),
J@ 2000-250, NJ 2001, 252, nt. PAS, VR 2001, 79; HR 9 november 2001 (Meuffels/Ca-La), J@ 2001-305, RvdW 2001, 176.
Van belang is
dat de bewijslast van de werkgever met betrekking tot de door hem
getroffen veiligheidsmaatregelen pas aan de orde komt indien vaststaat, dat de
werknemer schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden.
Om te beginnen kan
uit HR 16 november 2001
(Quant/Volkshogeschool Bergen), J@ 2001-315, RvdW 2001, 182, worden
afgeleid, dat het woonwerk-verkeer in beginsel niet onder de reikwijdte van
art. 7:658 valt. Lijdt iemand schade op weg van of naar zijn werk, dan
geschiedt dit namelijk buiten het werkmilieu en niet in de uitoefening van zijn
werkzaamheden. Dit is anders indien werknemers verplicht (mee)rijden in een
vervoermiddel van de werkgever naar de plaats van de werkzaamheden; zie HR 12 januari 2001
(Vonk Montage/Van der Hoeven), J@ 2001-19, NJ
2001, 253, nt. PAS, VR 2001, 135, waarover nr. 1509.
De stelplicht en bewijslast van de werknemer
dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden kan
vooral problematisch zijn indien de schade is ontstaan door gevaarlijke
stoffen. In een zaak waarin Dikmans, een chemisch technoloog, zijn werkgever
(Unilever) aansprak voor de schade die hij had geleden doordat hij bij
researchwerkzaamheden als gevolg van de omgang met gevaarlijke stoffen ziek was
geworden, overwoog HR 17 november
2000 (Unilever/Dikmans) J@ 2000-214, NJ 2001, 596, nt. DA, VR 2001,
78, dat Dikmans gemotiveerd had gesteld, ‘… dat hij schade heeft geleden in de
uitoefening van zijn werkzaamheden en - onder vermelding van een reeks stoffen
waarvan Unilever heeft erkend dat deze in een laboratorium als het hare
thuishoren - hoe deze schade is ontstaan.’ De Hoge Raad voegt hieraan toe, dat
de werkgever in het kader van zijn betwisting van de stellingen van de
werknemer hier in het algemeen de omstandigheden dient aan te geven die meer in
zijn sfeer dan in die van de werknemer liggen.
In dit verband kan ook worden gewezen op Ktr.
Middelburg 4 december 2000, AA 9536.
Een revalidatie-arts had een verband gelegd tussen RSI-klachten van een
werknemer en de bij gedaagde uitgevoerde werkzaamheden. De Kantonrechter
overwoog: ‘Met dit rapport maakt eiser naar het
oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk dat er een verband bestaat
tussen de klachten die hij heeft en de werkzaamheden die hij bij gedaagde heeft
uitgevoerd; evenzeer aannemelijk is dat eiser door die klachten schade heeft
geleden. Derhalve moet worden vastgesteld dat het aan gedaagde is om aan te
tonen dat zij, voorzover dat redelijkerwijs van haar kan worden verlangd, alles
heeft gedaan om te voorkomen dat eiser in de uitoefening van zijn werkzaamheden
schade zou lijden.’ De Kantonrechter achtte
de werkgever niet geslaagd in dit bewijs en wees de vordering toe.
De stelplicht en bewijslast van de werknemer
kwam ook aan het orde in HR 26 januari 2001
(Weststrate/De Schelde), J@
2001-34, NJ 2001, 597, VR 2001, 80. Een werknemer van scheepswerf De Schelde
kreeg mesothelioom en stelde dat hij dit had opgelopen in de zeventien jaar dat
hij bij De Schelde werkzaam was. Hij stelde voorts dat in die periode bij De
Schelde nog asbest werd gebruikt en verwerkt, althans voorkwam en/of verwijderd
of vervangen werd en dat derhalve nog blootstelling aan asbeststof had
plaatsgevonden. De Schelde betwistte dit. De Hoge Raad oordeelde: ‘Art. 7:658
BW betreft de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden
lijdt en niet de schade die de werknemer heeft geleden maar waarvan niet
vaststaat dat de werknemer haar, in de zin van het tweede en het vierde lid van
genoemde bepaling, in de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft geleden. Er
bestaat geen goede grond om de aansprakelijkheid van de werkgever als in de
zo-even genoemde bepalingen bedoeld, in deze zin uit te breiden dat de
werkgever ook aansprakelijk is voor schade die de werknemer heeft geleden en
ten aanzien waarvan de mogelijkheid bestaat dat zij is geleden in de
uitoefening van de werkzaamheden.’
Dit laatste lijkt op gespannen voet te staan
met de eigen jurisprudentie van de Hoge Raad inzake de omkeringsregel; zie nr. 810: Bewijslast
causaliteit. Ook in die
gevallen kan een werkgever immers aansprakelijk zijn voor schade die de
werknemer heeft geleden maar die deze (in theorie) elders heeft opgelopen. In
het onderhavige geval ging het echter om de reikwijdte van art. 7:658: de Hoge
Raad wilde die niet via de omkeringsregel uitbreiden. Zou eenmaal vaststaan dat
de werknemer schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, dan
kan de omkeringsregel wel opgaan; zie ook HR 17 november
2000 (Unilever/Dikmans) J@ 2000-214, NJ 2001, 596, nt. DA, VR 2001,
78.
Het ging dus om de bewijslast ten aanzien van
het feit of blootstelling aan asbest tijdens het werk had plaatsgevonden. De
Hoge Raad overwoog: ‘Met betrekking tot de vraag of de werknemer aan asbeststof
is blootgesteld geweest, geldt in beginsel de hoofdregel van art. 177 Rv. dat
de partij die zich op een bepaald rechtsgevolg beroept, (voldoende) feiten moet
stellen en bewijzen waaruit dat gevolg kan worden afgeleid. De strekking van
art. 7:658 brengt geen afwijking van stelplicht en bewijslast mee in zaken waar
blootstelling aan asbest speelt.’ (r.o. 3.6). De Hoge Raad verwees naar de
vaststelling van de rechtbank dat de werknemer zelf in staat moest worden
geacht om aan te geven op welke locaties in het bedrijf hij in de loop der
jaren werkzaam is geweest en dat niet was gebleken dat de werknemer minder
mogelijkheden had dan De Schelde om eventuele asbestblootstellingen op die
lokaties aan te tonen. Voorop moet worden gesteld, dat het in dit arrest niet
ging om de bewijslast voor de schending van veiligheidsnormen, hoewel het daar
enigszins op leek, omdat de vraag of de werknemer aan asbeststof is
blootgesteld vrijwel parallel loopt met de vraag of de werkgever zijn
veiligheidsverplichtingen is nagekomen.
De beslissing is verklaarbaar, omdat De Schelde
de stelling dat er geen sprake was van blootstelling aan asbeststof voldoende
feitelijk had onderbouwd, door aan te tonen dat De Schelde in de door de
werknemer gestelde periode niet meer met open asbest werkte. Zie ook L. Bier,
VR 2001, p. 133-139. Dit lag anders in de hierboven genoemde zaak HR 17 november
2000 (Unilever/Dikmans), J@
2000-214, NJ 2001, 596, nt. DA, VR 2001, 78, waar de werknemer een reeks van
stoffen had genoemd waarmee hij had gewerkt en waarvan de aanwezigheid door de
werkgever was erkend. Beide arresten in onderlinge samenhang beschouwd maken
duidelijk, dat de werknemer voldoende gemotiveerd en zoveel mogelijk met feiten
onderbouwd moet stellen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn
werkzaamheden en hoe deze schade is ontstaan. Van de werkgever mag in het kader
van de motivering van de betwisting van de stellingen van de werknemer worden
gevergd dat hij in het algemeen de omstandigheden aangeeft die meer in zijn
sfeer dan in die van de werknemer liggen. Dat laatste had de werkgever
kennelijk afdoende gedaan in HR 26 januari 2001
(Weststrate/De Schelde), J@
2001-34, NJ 2001, 597, VR 2001, 80.
49. Bolt en Spier, De uitdijende reikwijdte van de
aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (1996), p. 97-101. In HR 10 december 1999 (Fransen/Pasteurziekenhuis), NJ 2000,
211, nt. PAS, VR 2000, 118, verwijst de Hoge Raad naar HR 25 juni 1982, NJ
1983, 151; HR 6 april 1990 (Jansen/Nefabas), NJ 1990, 573, nt. PAS, VR 1991,
88; HR 20 september 1996 (Pollemans/Hoondert), NJ 1997, 198, nt. PAS, VR 1997,
57 en HR 17 oktober 1997 (Bhoelai/Buttner), NJ 1998, 241, nt. PAS.