AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

15                 BIJZONDERE RECHTSBETREKKINGEN

 

15.3              Zorgplichten jegens werknemers

 

1508-4         Veilige werkplek:

                      Overige onderwerpen

 

Het op 1 april 1997 ingevoerde art. 7:658 heeft onmiddellijke werking. Eigen schuld van de werknemer is beperkt tot gevallen waarin de schade in belangrijke mate het gevolg is van diens opzet of bewuste roekeloosheid; daarvan is slechts in uitzonderlijke gevallen sprake. De Centrale Raad van Beroep heeft op 22 juni 2000 in een baanbrekende uitspraak beslist dat deze regel ook van toepassing is op de door de ambtenaar in de uitoefening van zijn dienstbetrekking geleden schade.

 

In HR 10 december 1999 (Fransen/Pasteurziekenhuis), NJ 2000, 211, nt. PAS, VR 2000, 118, besliste de Hoge Raad dat art. 7:658 onmiddellijke werking heeft. Dat betekent dat dit artikel ook van toepassing is op bedrijfsongevallen die vóór 1 april 1997 hebben plaatsgevonden en op beroepsziekten die voor die datum zijn veroorzaakt. In gelijke zin HR 17 november 2000 (Unilever/Dikmans), J@ 2000-214, NJ 2001, 596, nt. DA, VR 2001, 78; HR 15 december 2000 (Van Merksteijn/Öztürk), J@ 2000-250, NJ 2001, 252, nt. PAS, VR 2001, 79; HR 9 november 2001 (Meuffels/Ca-La), J@ 2001-305, NJ 2002, 80, nt. PAS.

 

Sinds 1 januari 1992 kan de werknemer zich jegens de werkgever tevens beroepen op art. 6:173 en 6:174 (nr. 1314, nr. 1315, nr. 1202 en nr. 1203: Gebrekkige opstal) en sinds 1 februari 1995 ook op art. 6:175 inzake de aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen (nr. 1303).[54]

 

De strengheid van de zorgplicht van de werkgever wordt bevorderd door het feit dat eigen schuld van de werknemer alleen aan de orde komt indien de schade in belangrijke mate het gevolg is van diens opzet of bewuste roekeloosheid (art. 7:658 lid 2). Dat neemt de Hoge Raad echter slechts onder zeer bij­zondere voorwaar­den aan.[55] Er is dus feitelijk sprake van een alles-of-niets-systeem. Voorts geldt dat van art. 7:658 (en art. 6:170) niet ten nadele van de werknemer kan worden afgeweken (art. 7:658 lid 3).

 

De beperking van de eigen schuld van de werknemer geldt ook indien de werkgever op een andere grondslag dan art. 7:658 aansprakelijk is. In HR 9 november 2001 (Van Doesburg/Tan), J@ 2001-297, NJ 2002, 79, nt. PAS ging het om een werknemer van een apotheek die een lade iet openstaan, waarna een andere werknemer er tegenaan liep en gewond raakte. De Hoge Raad oordeelde, dat wanneer een werknemer in het kader van de uit­oefening van de hem opgedragen werkzaamheden letsel oploopt als gevolg van zowel een gevaarscheppende handeling van een andere werknemer, waarvoor de werkgever uit hoofde van art. 6:170 BW aansprakelijk is, als van eigen schuld van de werknemer, de in art. 6:101 lid 1 bedoelde billijkheid eist, nu de schade bin­nen een dienstverband wordt geleden en het de werkgever is die in eerste instantie de werkzaamheden bepaalt, om de schuld van de werknemer die niet bestaat in opzet of bewuste roekeloos­heid, voor rekening van de werkgever te laten komen.

 

Wanneer een werkgever zijn werknemer bij een derde te werk stelt en daarbij de zorg voor diens veilig­heid geheel of gedeeltelijk aan de derde overlaat, is hij voor een te kort schieten van de derde in die zorg als voor eigen te kort schieten aansprakelijk, ongeacht het kader van de tewerkstelling of de mate van zeggenschap. Zie ook art. 7:658 lid 4, dat de zorgplicht van art. 7:658 lid 1 ook legt op degene die voor de uitoefening van zijn beroep of bedrijf personen inschakelt met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft.[56] Zie uitvoerig nr. 1508-4 Artikel 7:658 lid 4.

 

In HR 9 november 2001 (Meuffels/Ca-La), J@ 2001-305, NJ 2002, 80, nt. PAS oordeelde de Hoge Raad dat art. 7:658 de werknemer geen absolute waarborg biedt maar slechts de strekking heeft om de werknemer in zover­re te beschermen als redelijkerwijs in verband met de arbeid gevergd kan worden. De werkgever is niet aansprakelijk voor de gevolgen van een aan de werkne­mer overkomen ongeval wanneer dit in geen enkel opzicht is te wij­ten aan enig tekortschieten door hulppersonen van de werkge­ver in de op hen rustende zorgverplichting maar daaraan dat in dienst of ten behoeve van deze laatsten werkzame personen - ondanks voldoende instructies en toezicht - de terzake geldende veilig­heidsvoorschriften niet hebben nageleefd.

 

Voor de verhouding tussen werkgever en werknemer is niet alleen art. 7:658 maar ook art. 7:611 van belang. Deze bepaling verplicht partijen tot goed werkgeverschap en goed werknemerschap. Zij kwam aan de orde in het Nuts/Hofman-arrest, waarin de Hoge Raad overwoog, dat de werkgever door zijn gedrag jegens de werknemer, '... het gevaar dat de labiele psychische gesteldheid van Hofman tot het voortduren en vererge­ren van diens na dat gesprek ingetreden arbeidsongeschiktheid zou leiden, heeft verhoogd en dat, nu dit gevaar zich heeft verwezenlijkt, de door Hofman deswege geleden schade als een gevolg van het bedoelde gedrag van Nuts aan deze moet worden toegerekend.'[57] Het goed werkgeverschap ziet dus in elk geval op personele bejegenings- en begelei­dingsnormen.

 

Krachtens art. 7:615 is art. 7:658 niet van toepassing op ambtenaren. Op 22 juni 2000 heeft de Centrale Raad van Beroep echter beslist, dat art. 7:658 wel de facto van toepassing is op de schade die een ambtenaar lijdt in de uitoefening van zijn dienstbetekking (TAR 2000, 112 en JB 2000, 232, nt. GEvM). Tot aan deze uitspraak beperkte de Centrale Raad van Beroep de aansluiting bij art. 7:658 tot gevallen waarin sprake was van schade door het gebruik van gereedschappen en machines, onder meer met verwijzing naar de ook voor de overheidswerkgever toepasselijke Arbeidsomstandighedenwet. In andere gevallen diende de ambtenaar aan te tonen dat het dienstongeval een gevolg was van onrechtmatig handelen van het bestuursorgaan. Zie laatstelijk CRvB 11 november 1999, JB 1999, 306, nt. GevM. Deze ongelijkheid tussen ambtenaren en niet-ambtenaren, die minstgenomen op gespannen voet stond met art. 14 lid 1 EVRM en art. 26 BUPO, lijkt met de uitspraak van 22 juni 2000 te zijn rechtgetrokken. Wel moet worden afgewacht hoe de bestuursrechter de civielrechtelijke norm feitelijk zal gaan toepassen.

 

54. Kamerstukken II, 1990-1991, 21 202, nr 6, p. 11.

55. HR 20 september 1996 (Pollemans/Hoondert), NJ 1997, 198, nt. PAS, VR 1997, 57, waarover nr. 911: Subjectieve toetsing: opzet en bewuste roekeloosheid.

56. N. Frenk, Aansprakelijkheid voor bedrijfsongevallen in driehoeksverhoudingen en buiten arbeids­overeenkomst, NTBR 1998, p. 33-37. Zie reeds HR 15 juni 1990 (Stor­mer/Vedox Offshore Constructors), NJ 1990, 716, nt. PAS, VR 1991, 89.

57. HR 1 juli 1993 (Nuts/Hofman), NJ 1993, 667, nt. PAS.

 

Naar boven    Inhoud      Home