________________________________________
15 BIJZONDERE
RECHTSBETREKKINGEN
15.3 Zorgplichten
jegens werknemers
1508-3 Veilige werkplek:
artikel 7:658 lid 4
Art. 7:658 lid 4 heeft betrekking op de zorgplicht
van de werkgever jegens personen met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft. De
bepaling luidt als volgt: 'Hij die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf
arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst
heeft, is overeenkomstig de leden 1 tot en met 3 aansprakelijk voor de schade
die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt.'
Art. 7:658
lid 4 is op 1 januari 1999 ingevoerd in het kader van de Wet Flexibiliteit en
Zekerheid. Letterlijk staat er in art. 7:658
lid 4 dat op iedereen die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid
door een ander laat verrichten (op welke basis dan ook) de zorgplicht van art.
7:658 lid 1 rust. Gezien de parlementaire geschiedenis is een zo ruime uitleg
echter door de wetgever niet bedoeld. Hieronder wordt toegelicht waarom art.
7:658 lid 4 niet meer is dan een codificatie van het voordien reeds bestaande
recht.[1]
Sinds de jaren negentig is sprake van een sterke flexibilisering en
differentiatie van arbeid en arbeidsverhoudingen, waarbij wijzigingen optreden
in de locatie van de arbeid en de duur en vorm van arbeidscontracten.[2] Arbeid
vindt niet alleen meer plaats in de klassieke vorm van de arbeidsovereenkomst
met een werknemer die zijn werkzaamheden in het gebouw van de werkgever
verricht. Tegen deze achtergrond moet lid 4 van art. 7:658 worden geduid. In de
Toelichting wordt hierover opgemerkt: 'De aansprakelijkheid van de inlener is
wenselijk omdat de vrijheid van degene die een bedrijf uitoefent om te kiezen
voor het laten verrichten van het werk door werknemers of door anderen, niet
van invloed behoort te zijn op de rechtspositie van degene die het werk
verricht en betrokken raakt bij een bedrijfsongeval of anderszins schade
oploopt. Anders gezegd: een werkgever die zijn zorgverplichtingen niet nakomt
dient op gelijke voet aansprakelijk te zijn voor de schade van werknemers en
anderen die bij hem werkzaam zijn. Daarom dient de aansprakelijkheid van de
inlener voor bedrijfsongevallen waarbij (ook) andere dan eigen werknemers
betrokken zijn, een specifieke wettelijke grondslag te krijgen. De hier
voorgestelde bepaling biedt deze grondslag. Deze bepaling is met name van
belang voor uitzendarbeid, uitlening en aanneming van werk, waarbij tussen de
werknemer en de derde (inlener) geen overeenkomst bestaat. Het is echter ook
mogelijk dat tussen degene die de arbeid verricht en degene voor wie hij de
arbeid verricht wel een overeenkomst is gesloten, zij het geen
arbeidsovereenkomst. Men denke bijvoorbeeld aan bepaalde
stageovereenkomsten.’[3] Ondanks de ruime formulering van lid 4, is de toepassing
ervan volgens de toelichting dus beperkt.
Zowel de tekst als de daarbij gegeven toelichting geven aan, dat de
aansprakelijkheid van art. 7:658 lid 4 slechts rust op personen die handelen in
de uitoefening van een beroep of bedrijf. Dit betekent, dat art. 7:658 lid 4
dus niet geldt voor twee categorieën werkgevers:
a. Privé-werkgevers. Voor de vraag wanneer sprake is van een
privé-werkgever kan aansluiting worden gezocht bij het criterium van art. 6:170
lid 2: beslissend is of het gaat om een natuurlijke persoon die niet handelt
in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Dit betekent dat art. 7:658 lid 4
bijvoorbeeld niet geldt voor een particulier die gebruik maakt van de diensten
van een werknemer van een thuiszorgorganisatie.[4]
b. Overheids-werkgevers. Een overheidswerkgever valt echter wel
onder art. 7:658 lid 4 indien er sprake is van de uitoefening van een bedrijf,
zoals een nutsbedrijf of een gemeentelijk vervoerbedrijf.[5] Dit heeft tot
gevolg dat voor het overheidsbedrijf art. 7:658 lid 4 geldt jegens ingeleende
werknemers, terwijl jegens de eigen werknemers art. 7:658 lid 1-3 niet geldt
(vgl. art. 7:615); voor laatstgenoemde gevallen hanteert de Centrale Raad van
Beroep sinds juni 2000 een vrijwel gelijkluidende norm; zie nr. 1508-4: Veilige werkplek; overige
onderwerpen.
Indien een particulier of een overheidslichaam, niet zijnde een bedrijf,
arbeid laat verrichten door een persoon met wie geen arbeidsovereenkomst bestaat,
geldt art. 7:658 lid 4 dus niet. Wel kan dan aansprakelijkheid bestaan op grond
van art. 6:74 of art. 6:162 maar deze zorgplicht van de werkgever is minder
streng en de voor de benadeelde gunstige verdeling van stelplicht en bewijslast
ex art. 7:658 lid 2 geldt dan niet.
De reikwijdte van art. 7:658 lid 4 is niet beperkt tot uitzend- en
aanneemsituaties. Uit een aanvullende toelichting blijkt, dat de bepaling
betrekking heeft op werkzaamheden, die iemand in het kader van de uitoefening
van zijn beroep of bedrijf ook door zijn eigen werknemers had kunnen laten
verrichten maar die hij om hem moverende redenen aan een derde (al dan niet via
tussenkomst van een uitzendbureau) overlaat.[6] Hieruit kan worden afgeleid dat
het moet gaan om werkzaamheden die normaal gesproken in het desbetreffende
beroep of bedrijf worden verricht. Het zou daarom beter zijn geweest indien lid
4 niet had gesproken over 'Hij die in de uitoefening van zijn beroep of
bedrijf arbeid laat verrichten...' maar over 'Hij die ter uitoefening
van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten...'. Hiermee zou een parallel
zijn gelegd met art. 6:171 dat een zelfde verband vereist; zie nr. 1402:
Samenwerkingsverbanden. Daarvoor pleit
ook dat de ratio van beide bepalingen (voorkomen dat het slachtoffer ook het
slachtoffer wordt van een onduidelijke structuur van het economisch
samenwerkingsverband) dezelfde is.
Een voorbeeld: een notariskantoor geeft aan een
schildersbedrijf opdracht om het kantoorpand te schilderen. Bij de
werkzaamheden loopt een schilder letsel op. Kan hij het notariskantoor
aanspreken ex art. 7:658 lid 4? Op grond van de tekst van deze bepaling lijkt
dat te kunnen maar de strekking van de bepaling verzet zich er tegen: het gaat
hier immers niet om werkzaamheden die de werkgever ook door personen uit eigen
gelederen had kunnen laten verrichten. Anders gezegd: schilderen is geen
werkzaamheid die wordt verricht ter uitoefening van een beroep als notaris.
Art. 7:658 lid 4 is hier jegens de schilder niet van toepassing.[7]
Gezien de strekking van de Flexwet moet worden aangenomen, dat tot de
werkzaamheden in het kader van de uitoefening van het beroep of bedrijf niet
alleen de 'core business' maar met name ook ondersteunende activiteiten
behoren, zoals administratie, secretariaat, catering en schoonmaak. Als deze
werkzaamheden worden verricht door personen met wie geen arbeidsovereenkomst
bestaat, is art. 7:658 lid 4 van toepassing. Dit betekent bijvoorbeeld dat iemand
die in opdracht van een afvalverwerkingsbedrijf een bedrijfsfilm maakt en op
het bedrijfsterrein ernstig letsel oploopt, niet onder de reikwijdte van art.
7:658 lid 4 valt: het maken van een film is immers geen activiteit ter
uitoefening van het afvalverwerkingsbedrijf. Anders gezegd: het gaat hier niet
om werkzaamheden die het bedrijf ook door eigen personeel had kunnen laten
verrichten.[8]
Art. 7:658 lid 4 vormt een codificatie van het geldende
recht ten aanzien van uitzendarbeid en aanneming van werk.[9] Voorheen kon de
uitzendkracht (c.q. de werknemer van een onderaannemer), naast zijn eigen
uitlenende werkgever op grond van art. 7:658, ook de inlenende werkgever (dan
wel de aannemer) wegens schending van diens zorgplicht aanspreken. De grondslag
daarvoor was art. 6:162, met een stelplicht en bewijslastverdeling conform art.
7:658 lid 2.[10] Thans ligt de wettelijke grondslag van die vordering niet meer
in art. 6:162 maar in art. 7:658 lid 4; een inhoudelijke wijziging is daarmee
echter niet beoogd. De nieuwe regeling van art. 7:658 lid 4 laat overigens
onverlet, dat een uitgeleende werknemer onder het huidige recht nog steeds zijn
eigen (formele) uitlenende werkgever op grond van art. 7:658 jo 6:76 kan
aanspreken voor zover deze werkgever de zorg voor de veiligheid van de
werknemer geheel of gedeeltelijk aan de inlenende (materiële) werkgever of aan
anderen overlaat.[11] Dit is expliciet bevestigd in HR 4
oktober (Excellent/Suares), J@ 2002-350, NJ 2002, 557.
Art. 7:658 lid 4 is met name ook van toepassing op zogenaamde
flexwerkers, waarbij kan worden gedacht aan afroepkrachten, stand by krachten,
hulpkrachten, min-max krachten en thuiswerkers.[12] Is er geen sprake van een
arbeidsovereenkomst tussen de flexwerker en zijn werkgever (vgl. echter de
rechtsvermoedens in de art. 7:610a en 7:610b), dan is art. 7:658 lid 4 in
beginsel van toepassing indien de flexwerker ingeschakeld wordt voor normale
werkzaamheden in het kader van het beroep of bedrijf van de 'werkgever'. Te
denken valt aan personen die waak- en slaapdiensten verrichten in een
serviceflat. Het ligt minder voor de hand dat de free-lancer die in een
volledig zelfstandige en economisch onafhankelijke positie ten opzichte van de
'werkgever' verkeert, aan art. 7:658 lid 4 rechten kan ontlenen. In een
dergelijk geval zal echter veelal ook geen sprake zijn van werkzaamheden ter
uitoefening van het beroep of bedrijf van de 'werkgever'.
In de toelichting bij art. 7:658 lid 4 is expliciet opgemerkt, dat de
stagiair onder de nieuwe regeling valt.[13] In het verlengde hiervan is het
niet uitgesloten dat dit ook geldt voor vrijwilligers, met name indien het gaat
om werkzaamheden die ook door eigen werknemers kunnen worden verricht. In het
kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf zal dat wellicht echter
minder snel worden aangenomen. Wel valt bijvoorbeeld te denken aan gastvrouwen
in een ziekenhuis en aan vrijwilligers die ontspanningsactiviteiten in een verzorgingstehuis
organiseren. Indien art. 7:658 lid 4 niet van toepassing is, kan overigens wel
sprake zijn van directe of indirecte toepasselijkheid van verplichtingen uit
hoofde van de Arbeidsomstandighedenwet (zie onder).
Art. 7:658 lid 4, tweede zin, bepaalt dat de kantonrechter bevoegd is om
kennis te nemen van vorderingen op grond van art. 7:658 lid 4, eerste zin. De
werknemer behoeft de inlener dus niet meer voor de rechtbank te dagvaarden
(art. 39 RO).
Voor de inwerkingtreding van art. 7:658 lid 4 per 1 januari 1999 geldt
geen bijzondere regel van overgangsrecht. Dit betekent dat de hoofdregel van
het BW-overgangsrecht van toepassing is, namelijk: onmiddellijke werking (art.
68a lid 1 Ow).[14]
1. Zie
uitvoeriger: C.C. van Dam, VR 2000, p. 41 e.v.
2. Kamerstukken II,
1996-1997, 25 263, nr. 3, p. 1.
3. Kamerstukken II,
1997-1998, 25 263, nr. 14, p. 6.
4. Kamerstukken II,
1998-1999, 26 257, nr. 12, p. 8, 14 en 18; Kamerstukken I, 1998-1999, 26 257,
nr. 110b, p. 6-7. Zie ook I.P. Asscher-Vonk, Reparatie Wet Flexibiliteit en
Zekerheid, NJB 1998, p. 2022.
5. Aldus ook N.
Frenk, NTBR 1998, p. 36. Vgl. Parl. Gesch. Boek 6, p. 729 in verband met
dezelfde problematiek bij art. 6:171.
6. Kamerstukken Ii,
1998-1999, 26 257, nr. 7, p. 15.
7. Aldus expliciet
Kamerstukken II, 1998-1999, 26 257, nr. 7, p. 15. Zie ook T. Hartlief, WPNR
6379 (1999), p. 852.
8. Casus ontleend
aan Hof Amsterdam 8 augustus 1996 (Steenbergen/VAM), VR 1997, 58.
9. Kamerstukken II, 1997-1998,
25 263, nr. 14, p. 6. Codificatie werd verwelkomd door T. Hartlief, Van art.
7A:1638x naar art. 7:658, in: Onderneming en 5 jaar nieuw burgerlijk recht,
1997, p. 508.
10. HR 15 juni 1990 (Stormer/Vedox Offshore Constructors), NJ 1990, 716,
nt. PAS, VR 1991, 89.
11. HR 1 juli 1993 (Power/Ardross), NJ 1993, 687, nt. PAS en Ma, VR 1994,
74.
12. Kamerstukken II,
1996-1997, 25 263, nr. 3, p. 2.
13. Kamerstukken II,
1997-1998, 25 263, nr. 14, p. 6.
14. Aldus ook B. Wessels, SR 1999, p. 311-313 en de prinicipieel
gemotiveerde r.o. 3.4 in HR
10 december 1999 (Fransen/Pasteurziekenhuis), NJ 2000, 211, nt. PAS, VR 2000, 118,
bevestigd in diverse latere arresten; zie nr. 1508-4:
Veilige werkplek: overige onderwerpen.