AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

15                 BIJZONDERE RECHTSBETREKKINGEN

 

15.3              Zorgplichten jegens werknemers

 

1508-2                  Veilige werkplek:

                      Zorgplicht werkgever

 

Op de werkgever rust op grond van art. 7:658 jegens de werknemer een strenge zorgplicht voor de veiligheid van de werkplek, inclusief de daar aanwezige machines en gereedschappen. De bewijslast ter zake rust op de werkgever.

 

De werknemer die op grond van art. 7:658 BW schadevergoeding vordert, moet stellen en zonodig bewijzen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor de werkgever; zie nr. 1508-1: Veilige werkplek: “In de uitoefening van zijn werkzaamhede”. Van de werknemer kan niet worden verlangd dat hij daarnaast ook aantoont wat de toedracht of de oorzaak van het ongeval is geweest; aldus HR 4 mei 2001 (Bloemsma/Hattuma), J@ 2001-145, NJ 2001, 377, VR 2001, 185. In deze zaak ging het om een werknemer die stelde dat hij als leerling-scheepbouwer bij werkzaamheden met zijn rug tegen de rand van een boot was gevallen. Volgens de Hoge Raad was hij in feitelijke instanties ten onrechte belast met het bewijs van de toedracht van het ongeval.

 

De werknemer behoeft dus niet de toedracht van het ongeval te bewijzen en derhalve evenmin de oorzaak van de schade. Is de oorzaak onbekend, dan ontkomt de werkgever slechts aan aansprakelijkheid indien hij aantoont dat hij aan al zijn verplichtingen heeft voldaan, dan wel dat de nakoming van die verplichtingen het ongeval niet zou hebben voorkomen. Dat blijkt uit HR 3 december 1999 (Fransen/Pasteurziekenhuis), NJ 2000, 211, nt. PAS, VR 2000, 118, waarin het ging om verpleegkundige Fransen, die tijdens werk in het ziekenhuis uitgleed en een heup brak. De oorzaak van de valpartij bleef onduidelijk. De Hoge Raad overwoog: ‘Nu Fransen de schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden, brengt het bepaalde in art. 7:658 lid 2 mee dat, (…) het ziekenhuis aansprakelijk is voor de door Fransen ten gevolge van haar val geleden schade, tenzij het aantoont dat het de in lid 1 van dat artikel genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van Fransen. Hiervoor behoeft niet vast te staan aan welke oorzaak het ongeval van Fransen te wijten is.’

 

Indien vaststaat dat de werknemer de schade ‘in de uitoefening van zijn werkzaamheden’ heeft geleden, is de werkgever voor de schade van de werknemer aansprakelijk, tenzij hij bewijst dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan, c.q. dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer; zie over dit laatste nr. 1508-4: Veilige werkplek: Overige onderwerpen

 

De rechtspraak stelt zeer hoge eisen aan de zorgplicht van de werkgever. Dit hangt samen met het feit dat de werkge­ver veelal het beste in staat is om risico's op de werkplek te voorkomen of te verminde­ren. Bovendien trekt hij profijt uit het inschakelen van personen in zijn bedrijf: omdat hij de lusten daarvan heeft, moet hij ook eerder de lasten dragen.

 

De Hoge Raad heeft voorts sinds lange tijd benadrukt, dat de werkgeversaansprakelijkheid (thans art. 7:658) ertoe strekt de werknemer te beschermen door rekening te houden met het ervaringsfeit dat de dagelijkse omgang met (gevaarlijke) werktuigen of machines of meer in het algemeen het dagelijks verkeren in een bepaalde werksituatie tot een vermindering leidt van de ter voorkoming van ongelukken raadzame voorzichtigheid. Dit ervaringsfeit weegt mee bij de beantwoording van de vraag of de werkgever heeft voldaan aan zijn zorgverplichting, in aanmerking genomen dat hetgeen te dier zake van de werkgever kan worden verlangd afhangt van de omstandigheden van het geval. Zie HR 27 juni 1975, NJ 1976, 81 nt. GJS; HR 14 april 1978, NJ 1979, 245; HR 9 januari 1987 (Loopkat), NJ 1987, 948 nt. PAS; HR 22 maart 1991 (Roeffen/Thijssen), NJ 1991, 420, waarover nr. 822; HR 27 maart 1992 (Morsink/Nebem), NJ 1992, 496 nt. PAS, VR 1993, 9; HR 20 september 1996 (Pollemans/Hoondert), NJ 1997, 198 nt. PAS, VR 1997, 57, waarover nr. 911 en HR 18 september 1998 (Van Doorn/NBM), NJ 1999, 45; HR 19 oktober 2001 (PTT Post/Baas), J@ 2001-264, NJ 2001, 663.

 

Anderzijds is de aansprakelijkheid van de werkgever in de kern nog altijd een foutaansprakelijkheid en geen risico-aansprakelijkheid: art. 7:658 lid 1 roept een zorgplicht in het leven en verplicht de werkgever voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te geven als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt: HR 10 juni 1983 (…/…), NJ 1984, 20; HR 4 oktober 2002 (Broodmes), J@ 2002-345.

Op dit terrein is een veelheid aan jurispruden­tie gewezen.[50] Voor een deel kwam deze in andere Hoofdstukken reeds aan de orde. Zo rust op de werkgever een onder­zoeks­plicht met be­trek­king tot de risico's van stoffen die in het produktieproces worden gebruikt.[51] En in­dien de werkgever onvoldoende maatregelen heeft genomen ter voorko­ming van schade (en derhalve een veiligheidsplicht heeft geschonden) kan hij soms ook voor de niet ken­bare gevol­gen aansprakelijk zijn, zoals in de asbest-jurisprudentie is beslist.[52] Dat het niet of onvoldoen­de nemen van veiligheidsmaatregelen in de branche gebruikelijk is en aan­vaard wordt laat de mogelijkheid van een strengere zorgplicht onverlet.[53]

 

De Hoge Raad legt de begrippen ‘lokalen, werktuigen en gereedschappen’ ruim uit. In HR 19 oktober 2001 (PTT Post/Baas), J@ 2001-264, NJ 2001, 663, overwoog de Hoge Raad dat art. 7:658 in meer algemene zin ertoe strekt te bewerkstelligen dat de werknemer tegen het oplopen van scha­de als in deze bepaling bedoeld wordt beschermd voorzover als redelijkerwijze in verband met de aard van de arbeid kan worden gevorderd. Aldus reeds HR 10 juni 1983, NJ 1984, 20, nt. PAS en HR 24 juni 1994 (Hollander/Wolfart & Wessels), NJ 1995, 137, nt. PAS. In het arrest van 2001 ging het om een postbesteller die bij een verkeersongeval ernstig letsel opliep. Hij had zijn dienstauto buiten de bebouwde kom aan de linkerzijde van de weg in de berm geparkeerd. Toen hij uitstapte en de achterdeur opende, waaide er een envelop uit de laadruimte de weg op. Hij schoot de enveloppe in een impuls achterna en werd direct daarna aangereden door een tegemoetkomende auto. Bij PTT Post bestonden voor postbestellers geen schriftelijke veiligheidsinstructies en er vond geen toezicht op de naleving van veiligheidsinstructies plaats. Volgens de Hoge Raad ging het in casu niet om de vraag of PTT Post in redelijkheid door maatregelen of instructies had kunnen en moeten voorkomen dat postbestellers bij een verkeersongeval betrokken raken doordat zij zonder aanleiding en zonder op te letten vanachter hun bestelauto de weg oplopen (derhalve maatregelen tegen impulsiviteit) maar om de vraag of PTT Post in redelijkheid door middel van veiligheidsmaatregelen of -instructies de kans op wegwaaien van post uit de aan de achterzijde geopende laadruimte van de bestelauto had kunnen en moeten voorkomen, althans verkleinen (derhalve maatregelen tegen wegwaaien, zodat de kans op impulsieve gedragingen wordt verkleind). De Rechtbank had deze laatste vraag volgens de Hoge Raad terecht bevestigend beantwoord. Daaraan deed niet af dat ongelukken ten gevolge van impulsieve verkeersfouten door geen enkele veiligheidsmaatregel kunnen worden voorkomen.

 

Minder goed liep het af voor de dakdekker die bij het betreden van een te dekken dak door een gat viel dat was bedekt met isolatiemateriaal en dat was uitgespaard ten behoeve van een aan te brengen lichtkoepel. De rechtbank wees de vordering van de dakdekker af en in HR 16 mei 2003 (Dusarduyn/Du Puy), J@ 2003-216, RvdW 2003, 94 werd het cassatieberoep verworpen. De Hoge Raad overwoog dat het van de omstandigheden van het geval afhangt of de zorgplicht van de werkgever (art. 7:658 lid 1) meebrengt dat een werkgever die een werknemer naar een karwei wil sturen om daar werkzaamheden te verrichten vooraf een inventarisatie van de aan die werkzaamheden verbonden veiligheidsrisico’s dient te verrichten, onderscheidenlijk dat hij een interne regeling dient te hebben die ertoe strekt de werknemers duidelijk te makenop welke wijze bij een dergelijk karwei onveilige situaties vermeden kunnen en moeten worden en op welke wijze de veiligheidsrisico’s moeten worden bepaald. De Hoge Raad vindt dat de rechtbank geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in haar afwijzende beslissing de aard van de werkzaamheden van de werknemer, diens werkervaring en diens uit het bezit van het veiligheidsdiploma blijkende kennis te betrekken. Het is van belang om op te merken dat de Hoge Raad in andere gevallen opleiding en ervaring van de werknemer geen beletsel achtte voor een strenge zorgplicht van de werkgever en voor diens aansprakelijkheid. Ervaring kan immers ook tot onderschatting van het risico leiden: zie eerder in dit nummer.

 

Zie voor andere gevallen waarin werd aangenomen dat de werkgever had voldaan aan zijn zorgplicht: HR 24 juni 1994 (Hollander/Wolfard & Wessels), NJ 1995, 137, nt. PAS: de aanwezigheid van een onveilige ladder naast een veilige ladder levert geen schending zorgplicht van de werkgever op; HR 4 oktober 2002 (X/Fair Play Centers), J@ 2002-345: werkgever niet aansprakelijk voor de verwonding van een werkneemster door een mes bij het beroepshalve broodjes smeren voor de lunch; HR 12 september 2003 (Peters/Hofkens), J@ 2003-142, RvdW 2003, 142: werkgever niet aansprakelijk voor schade van schoonmaakster die tijdens haar werkzaamheden haar evenwicht verloor en haar wijsvinger verwondde, waaraan later een posttraumatische dystrofie ontstond.

 

In het kader van de causaliteit is de omkeringsregel van toepassing; zie nr. 810: Bewijslast causaliteit. In HR 17 november 2000 (Unilever/Dikmans), J@ 2000-214, RvdW 2000, 230, overwoog de Hoge Raad dat, ‘… wanneer een werknemer bij zijn werk is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke stoffen, het door de werknemer te bewijzen oorzakelijk verband aangenomen moet worden indien de werkgever heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, en dat derhalve ook in zoverre op Unilever reeds thans de plicht rust nader aan te geven of en zo ja welke maatregelen zij in dit opzicht heeft getroffen.’

 

Volgens de Hoge Raad rust dus ingevolge art. 7:658 op de werkgever de bewijslast van de toedracht van het ongeval voor zover het gaat om het bewijs van het nakomen van op de aard van het onge­val toegespitste verplichtingen. Dit sluit volgens de Hoge Raad niet uit dat onder bijzondere omstandigheden moet worden geoordeeld dat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat toepassing van deze regel van bewijslastverdeling achterwege moet blijven en dus moet worden uitgegaan van de hoofdregel van art. 177 Rv. Zie HR 29 juni 2001 (Industromontaza/Banfic), J@ 2001-187, NJ 2001, 476, nt. PAS, VR 2001, 186.

 

De werkgever is op grond van art. 9 Arbeidsomstandighedenwet verplicht om een arbeidsongeval aan de Arbeidsinspectie te melden, zodat deze een onderzoek kan instellen naar eventuele strafbare feiten en daarvan proces-verbaal kan opmaken. Voorts is de werkgever verplicht om een ongevalsrapport op te maken waarin hij zelf de gang van zaken vastlegt. Het ontbreken van een dergelijk rapport leidde onder het oude recht veelal tot de conclusie dat de werkgever niet aan zijn stelplicht had voldaan: zie HR 18 september 1998 (Van Doorn/NBM), NJ 1999, 45, VR 1999, 31. In HR 15 december 2000 (Van Merksteijn/Öztürk), J@ 2000-250, NJ 2001, 252, nt. PAS, VR 2001, 79, oordeelde de Hoge Raad echter: ‘Nu art. 7:658 in zoverre een herziening van de voorheen krachtens art. 1638x geldende bewijslastverdeling inhoudt, dat thans de werkgever dient te bewijzen dat hij zijn zorgverplichting op het gebied van de veiligheid is nagekomen, bestaat onder de werking van eerstgenoemd artikel voor het handhaven van de hiervoor bedoelde strenge eisen met betrekking tot de stelplicht van de werkgever op dat punt geen grond meer.’. De werkgever heeft dus naar huidig recht ook bij het ontbreken van een ongevalsrapport de mogelijkheid om (met andere middelen) aan te tonen dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Om vertraging(stactieken) te voorkomen, dient de rechter de werkgever slechts in die gevallen een bewijsopdracht te geven, indien diens stellingen onmiskenbaar tot afwijzing van de vordering van de werknemer kunnen leiden; aldus ook Conclusie AG-Spier, nr. 3.13.

 

Iets soortgelijks geldt ten aanzien van de op (thans) art. 5 Arbeidsomstandighedenwet berustende verplichting tot het hebben van een bijgewerkte en geëvalueerde risico-inventarisatie, aldus HR 12 september 2003 (Peters/Hofkens), J@ 2003-142, RvdW 2003, 142: ‘Het is immers afhankelijk van de omstandigheden van het geval of de in art. 7:658 lid 1 bedoelde zorgplicht meebrengt dat een werkgever vooraf een inventarisatie van de veiligheidsrisico’s dient te maken betreffende het werk waarvoor hij zijn werknemer inzet en of de werkgever een interne regeling dient te hebben die ertoe strekt de werknemers duidelijk te maken op welke wijze in hun werk onveilige situaties vermeden kunnen en moeten worden en op welke wijze veiligheidsrisico’s moeten worden bepaald’; zie HR 16 mei 2003 (Dusarduyn/Du Puy), J@ 2003-216, RvdW 2003, 94. Zelfs al zou het ontbreken van een inventarisatie in het concrete geval een tekortkoming van de werkgever opleveren, dan kan hij nog aansprakelijkheid ontkomen door aan te tonen dat een behoorlijke risico-inventarisatie het ongeval niet zou hebben voorkomen: zie HR 3 december 1999 (Fransen/Pasteurziekenhuis), NJ 2000, 211, nt. PAS, VR 2000, 118 en reeds HR 14 april 1978, NJ 1979, 245. Kennelijk vindt de Hoge Raad de schending van de algemene verplichting tot risico-inventarisatie niet voldoende concreet om de aansprakelijkheid van de werkgever op te baseren. De werkgever dient een meer specifieke zorgplicht te hebben geschonden, namelijk een voorschrift dat bescherming beoogt te bieden tegen het gevaar dat zich in casu heeft verwezenlijkt. Hier dringt zich een parallel op met de schending van een concrete wettelijke plicht in de zin van art. 6:162 lid 2. Zie hierover nr. 800.

 

50. Bier, Aansprakelijkheid voor bedrijfsongevallen en beroepsziekten (1988), p. 167 e.v.; Bier, Schets arbeidsomstandighedenrecht (1991), p. 158 e.v.; Bolt en Spier, De uitdijende reikwijdte van de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (1996), p. 91-118.

51. HR 6 april 1990 (Janssen/Nefabas), NJ 1990, 573, nt. PAS, VR 1991, 88, waarover nr. 803 (Gewoonte en gebruik) en nr. 820: Onderzoeksplichten en HR 25 juni 1993 (Cijsouw I), NJ 1993, 686, nt. PAS, VR 1993, 171, waarover nr. 904.

52. HR 25 juni 1993 (Cijsouw I), NJ 1993, 686, nt. PAS, VR 1993, 171, waarover nr. 810: Bewijslast causaliteit.

53. HR 2 oktober 1998 (Cijsouw II), NJ 1999, 683, nt. JBMV, waarover nr. 803.

 

Naar boven    Inhoud      Home