________________________________________
15 BIJZONDERE
RECHTSBETREKKINGEN
15.3 Zorgplichten
jegens werknemers
Op de werkgever rust op grond van
art. 7:658 jegens de werknemer een strenge zorgplicht voor de veiligheid van de
werkplek, inclusief de daar aanwezige machines en gereedschappen. Deze bewijslast van de
werkgever komt echter pas aan de orde, indien de werknemer aantoont dat hij schade
heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Woon-werkverkeer valt
daar in beginsel buiten.
Op grond van het op 1 april 1997 in werking getreden art. 7:658 is de werkgever aansprakelijk voor schade die de werknemer op
de werkplek oploopt, tenzij de werkgever kan aantonen dat hij alle van hem te
vergen veiligheidsmaatregelen heeft getroffen. In het kader van art. 7A:1638x
(oud) lag de bewijslast nog bij de werknemer, al kwam de Hoge Raad hem daarin
verregaand tegemoet.[49] De
bewijslast van de werkgever met betrekking tot de door hem getroffen
veiligheidsmaatregelen (zie nr. 1508-2:
Veilige werkplek: zorgplicht werkgever)
komt echter pas aan de orde indien vaststaat, dat de werknemer schade heeft
geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden.
De
Hoge Raad legt het werkplek-vereiste ruim uit; zie HR 22 januari 1999
(Stichting Reclassering Nederland/S), NJ 1999, 534, nt. PAS, VR 1999, 118, nt. L. Bier, waarover nr. 1509: Andere
verplichtingen. Aan het
werkplekvereiste is ook voldaan indien de werkgever de arbeid niet laat
verrichten op zijn eigen werkplek, maar zijn werknemer te werk stelde bij een
derde om daar voor het bedrijf van de werkgever werkzaamheden te verrichten;
zie HR 15 juni 1990 (Stormer/Vedox), NJ 1990, 716, nt. PAS, VR 1991, 89 en HR 1
juli 1993 (Power/Ardross), NJ 1993, 687, nt. PAS en Ma. Voorts geldt dat de werkplek ook een
vervoermiddel kan zijn: zie HR 19 oktober 2001
(PTT Post/Baas), J@ 2001-264, NJ 2001, 663, waarover nr. 1508-2:
Veilige werkplek: zorgplicht werkgever.
Zie ook voor aansprakelijkheid op grond van art. 7:611: HR
12 januari 2001 (Vonk Montage/Van der Hoeven), J@ 2001-19, NJ 2001, 253, nt. PAS, VR 2001, 135,
en HR 9
augustus 2002 (De Bont/Oudenallen),
J@ 2002-282, RvdW 2002, 130 (De Bont/Oudenallen), waarover nr. 1509: Andere
verplichtingen. Uit HR 16
november 2001 (Quant/Volkshogeschool Bergen), J@ 2001-315, NJ 2002, 71, VR 2002, 108, kan worden afgeleid dat het
woon-werkverkeer in beginsel niet onder de reikwijdte van art. 7:658 valt.
Lijdt iemand schade op weg van of naar zijn werk, dan geschiedt dit buiten het
werkmilieu en niet in de uitoefening van zijn werkzaamheden.
HR
22 januari 1999 (Stichting Reclassering Nederland/S), NJ 1999, 534, nt. PAS, VR 1999, 118, nt. L. Bier
brengt het werkplek-vereiste in verband met de grondslag van art. 7:658
BW. De zorgplicht van de werkgever vloeit niet slechts voort uit de sociaal-economische
positie van de werkgever ten opzichte van zijn werknemer, maar houdt ook nauw
verband met zijn zeggenschap over de werkplek en zijn bevoegdheid om zijn
werknemer aanwijzingen te geven ter zake van de (wijze van) uitoefening van
diens werkzaamheden. Ontbreken deze zeggenschap en bevoegdheid, dan wordt de
aansprakelijkheid van de werkgever voor ongevallen van de werknemer die
samenhangen met zijn werkzaamheden niet beheerst door art. 7:658 maar door de
eisen van goed werkgeverschap (art. 7:611). Zie nr. 1509:
Andere verplichtingen.
Art.
7:658 lid 2 brengt mee dat de werknemer moet stellen en zonodig bewijzen dat
hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Dat laatste
is het geval indien vaststaat dat de door de hem gestelde schade het gevolg is
van een ongeval dat hem is overkomen terwijl hij krachtens zijn
arbeidsovereenkomst werkzaamheden verrichtte. Daaraan kan niet afdoen dat hij
bij het verrichten van die werkzaamheden mogelijkerwijs is afgeweken van de hem
gegeven opdracht. Zie HR 15
december 2000 (Van Uitert/Jalas),
J@ 2000-249, NJ 2001, 198.
De
stelplicht en bewijslast van de werknemer dat hij schade heeft geleden in de
uitoefening van zijn werkzaamheden kan vooral lastig zijn indien de schade is
ontstaan door gevaarlijke stoffen. Dikmans, een chemisch technoloog, sprak zijn
werkgever Unilever aan voor de schade die hij had geleden doordat hij bij
researchwerkzaamheden als gevolg van de omgang met gevaarlijke stoffen ziek was
geworden. In HR 17
november 2000 (Unilever/Dikmans),
J@ 2000-214, NJ 2001, 596, nt. DA, VR 2001, 78, overwoog de Hoge Raad dat
Dikmans gemotiveerd had gesteld, ‘… dat hij schade heeft geleden in de
uitoefening van zijn werkzaamheden en - onder vermelding van een reeks stoffen
waarvan Unilever heeft erkend dat deze in een laboratorium als het hare
thuishoren - hoe deze schade is ontstaan.’ De Hoge Raad voegt hieraan toe, dat
de werkgever in het kader van zijn betwisting van de stellingen van de
werknemer hier in het algemeen de omstandigheden dient aan te geven die meer in
zijn sfeer dan in die van de werknemer liggen.
Voor
wat betreft werknemers met RSI-klachten kan worden gewezen op Ktr.
Middelburg 4 december 2000, AA 9536.
Een revalidatie-arts had een verband gelegd tussen RSI-klachten van een
werknemer en de bij gedaagde uitgevoerde werkzaamheden. De Kantonrechter
overwoog: ‘Met dit rapport maakt eiser naar het
oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk dat er een verband bestaat
tussen de klachten die hij heeft en de werkzaamheden die hij bij gedaagde heeft
uitgevoerd’. De Kantonrechter achtte de werkgever vervolgens niet geslaagd in het bewijs dat deze aan zijn
zorgplicht had voldaan en wees de vordering toe. Zie uitgebreider over de in
dit opzicht betrekkelijk rooskleurige positie van de werknemer: T. Hartlief,
NTBR 2001, p. 2-6.
Minder
goed liep het voor de werknemer af in HR 26
januari 2001 (Weststrate/De Schelde),
J@ 2001-34, NJ 2001, 597, VR 2001, 80. Weststrate had mesothelioom gekregen en
stelde dat hij dit had opgelopen in de zeventien jaar dat hij bij scheepswerf
De Schelde werkzaam was geweest. Hij stelde voorts dat in die periode bij De
Schelde nog asbest werd gebruikt en verwerkt, althans voorkwam en/of verwijderd
of vervangen werd en dat derhalve nog blootstelling aan asbeststof had
plaatsgevonden. De Schelde betwistte dit. De Hoge Raad overwoog: ‘Met
betrekking tot de vraag of de werknemer aan asbeststof is blootgesteld geweest,
geldt in beginsel de hoofdregel van art. 177 Rv. dat de partij die zich op een
bepaald rechtsgevolg beroept, (voldoende) feiten moet stellen en bewijzen
waaruit dat gevolg kan worden afgeleid. De strekking van art. 7:658 brengt geen
afwijking van stelplicht en bewijslast mee in zaken waar blootstelling aan
asbest speelt.’ (r.o. 3.6).
In
casu had De Schelde de stelling van de werknemer dat sprake was van
blootstelling aan asbeststof voldoende betwist, door aan te tonen dat De
Schelde in de door de werknemer gestelde periode niet meer met open asbest
werkte. Dit lag anders in het hiervoor genoemde HR
17 november 2000 (Unilever/Dikmans),
J@ 2000-214, NJ 2001, 596, nt. DA, VR 2001, 78, waar de werkgever de
aanwezigheid van de door de werknemer gestelde stoffen had erkend.
Bovenstaande
arresten maken duidelijk, dat de werknemer voldoende gemotiveerd en zoveel
mogelijk met feiten onderbouwd moet stellen dat hij schade heeft geleden in de
uitoefening van zijn werkzaamheden en hoe deze schade is ontstaan. Van de
werkgever mag in het kader van de motivering van de betwisting van de
stellingen van de werknemer worden gevergd dat hij in het algemeen de
omstandigheden aangeeft die meer in zijn sfeer dan in die van de werknemer
liggen. Zie hierover in het bijzonder L. Bier, VR 2001, p. 133-139.
Voor
een goed begrip van dit alles is van belang dat de Hoge Raad in Weststrate/De
Schelde overwoog, dat art. 7:658 niet van toepassing is op schade waarvan niet
vaststaat dat de werknemer haar in de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft
geleden. Er bestaat volgens hem geen goede grond voor een uitbreiding in die zin
dat de werkgever ook aansprakelijk is ‘… voor schade die de werknemer heeft
geleden en ten aanzien waarvan de mogelijkheid bestaat dat zij is geleden in de
uitoefening van de werkzaamheden.’ Dit lijkt op gespannen voet te staan met de
jurisprudentie inzake de omkeringsregel. Bij toepassing van die regel kan een
werkgever immers aansprakelijk zijn voor schade die de werknemer elders kan
hebben opgelopen. Hier valt bijvoorbeeld te denken aan HR 25 juni 1993 (Cijsouw
I), NJ 1993, 686, nt. PAS, VR 1993, 171; zie nr. 810:
Bewijslast causaliteit. In het
onderhavige geval ging het echter om de entree tot art. 7:658: heeft de
werknemer zijn schade opgelopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden? De
Hoge Raad wilde die entree niet via de omkeringsregel verbreden. Staat echter
eenmaal vast dat de werknemer schade heeft geleden in de uitoefening van zijn
werkzaamheden, dan geldt de omkeringsregel wel; zie HR 17
november 2000 (Unilever/Dikmans),
J@ 2000-214, NJ 2001, 596, nt. DA, VR 2001, 78. Dit laat onverlet dat het
feitelijke verweer van de werkgever ten aanzien van ‘schade lijden in de
uitoefening van zijn werkzaamheden’ als zijn stellingen ten aanzien van door
hem betrachte zorg grotendeels parallel zullen lopen.
49. Bolt en Spier, De uitdijende reikwijdte van de
aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (1996), p. 97-101. In HR 3 december 1999
(Fransen/Pasteurziekenhuis), NJ 2000, 211, nt. PAS, VR 2000, 118, zie nr. 1508-2:
Veilige werkplek: overige onderwerpen, verwijst de Hoge
Raad naar HR 25 juni 1982, NJ 1983, 151; HR 6 april 1990 (Jansen/Nefabas), NJ 1990, 573, nt. PAS, VR 1991, 88; HR 20 september 1996
(Pollemans/Hoondert), NJ 1997, 198, nt. PAS, VR 1997, 57 en HR 17 oktober 1997
(Bhoelai/Buttner), NJ 1998, 241, nt. PAS.