AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

15     BIJZONDERE RECHTSBETREKKINGEN

 

15.1  Inleiding

 

1502 Samenloop

 

Het uitgangspunt is dat indien voor een bepaald geval meerdere regels gelden, zij naast elkaar van toepassing zijn. Dit is, zij het bij uitzondering, anders indien een regel exclusieve werking heeft. Het belang van deze samenloop-vraag ligt in de soms ruimere toepassingsmogelijkheden die de on­rechtmatige daad naast het contract te bieden heeft.

 

Indien een zorgplicht tegelijkertijd uit verschillende regels voortvloeit, is het de vraag welke regel voorrang geniet. Dit is het probleem van de samenloop. Op dit punt geldt naar Nederlands recht als uitgangspunt dat de verschillende regels (bijvoorbeeld uit contract en uit onrechtmatige daad) naast elkaar van toepassing zijn (cumulatiebeginsel), omdat iedere rechtsregel zoveel mogelijk tot zijn recht dient te komen. Dit kan anders zijn indien toepassing van de rechtsregels leidt tot een oplossing die uit wetssystematisch of praktisch oogpunt onaanvaardbaar is. In dat geval is het in beginsel aan de benadeelde om te kiezen op welke rechtsregel hij zijn actie wil baseren; dit is het beginsel van de alternativiteit. Leidt ook dit beginsel tot onaanvaardbare resultaten, dan moet worden aangenomen dat de ene regel de andere verdringt en exclusieve werking heeft.[10]

Een dergelijke exclusieve werking nam de Hoge Raad aan in het Bos/Al­thusius-ar­rest ten aanzien van de contractue­le regel van art. 7A:1790 BW. Het ging om iemand die van een ander een ladder leende en daar vervol­gens als gevolg van een gebrek van de ladder vanaf viel. Op grond van art. 7A:1790 was de uitlener hiervoor niet aansprakelijk, omdat hij het gebrek niet kende (nr. 910). Was er nu daarnaast een actie op grond van art. 6:162 mogelijk? Over de ver­hou­ding tussen art. 6:162 en art. 7A:1790 over­woog de Hoge Raad: 'De strekking van het bepaalde in art. 1790 brengt mee dat, nu (...) door Bos niet is gesteld en even­min is gebleken dat enig ander feit dan juist een gebrek van de uitge­leende zaak oorzaak van het ongeval is geweest, die bepa­ling hier bij uitslui­ting van toepassing is. Art. 1790 strekt immers ertoe de uitlener die een zaak om niet aan een an­der ten gebruike geeft, alleen aansprakelijk te houden voor de schadelijke gevolgen van een gebrek van de zaak, indien hij dat gebrek kende maar de gebruiker van het bestaan ervan niet in kennis heeft ge­steld. Die strekking verzet zich tegen de toepas­selijkheid van de bepalingen ter zake van onrecht­matige daad, voor zover deze uitgaan van een verder­gaande aansprakelijkheid voor gebre­ken van een zaak.'[11]

 

In de andere rechtsstelsels geldt globaal hetzelfde systeem. Een uitzondering vormt het Franse recht, dat geen samenloop aanvaard en waar derhalve een ‘règle de non-cu­mul’ geldt. Contract­spartij­en kunnen daar in begin­sel alleen uit wan­prestatie ageren. Deze niet-samenloop-regel leidt tot allerlei gekun­stelde onder­schei­din­gen, aldus Viney-Jour­dain: 'Une réflexion analogue peut d'ail­leurs être faite à propos des décisi­ons ayant admis la respon­sabilité de celui qui néglige d'in­former le tiers des dan­gers qu'il leur fait courir par l'exercice de son activité. Ici encore l'analo­gie avec l'obli­gation contractuelle 'd'informa­tion et de mise en garde' est frappan­te. Elle permet de penser que la dis­tinction entre régime contrac­tuel et régime délictuel est, à cet égard encore, factice.'[12]

 

Wat is het belang van de samenloopregels? Met andere woorden: waarom zou iemand uit onrechtmatige daad willen ageren naast wanprestatie? Dat belang is in Nederland tegenwoordig niet zo groot meer, vooral omdat er een uniforme regeling bestaat van de verplichting tot schadevergoeding (afdeling 6.1.10).

 

Het belang van een actie uit onrechtmatige daad naast een actie uit wanprestatie kan onder meer liggen in wettelijke beperkingen met betrekking tot de contractuele aan­spra­kelijkheid (zie bijvoorbeeld art.6:74 lid 2 jo 6:83) en in de aanwezigheid van beperkende con­trac­tuele ­bedingen met betrek­king tot een in te stellen schadevergoedingsactie. Daar­naast kan in de dekking van een w.a.-verzekering een verschil zijn ge­maakt tussen een vorde­ring uit onrecht­matige daad en een vordering uit wanprestatie.[13] Voorts bestaan er verschillen in de kwalitatieve aansprakelijkheid: de contractuele aan­sprake­lijk­heid voor personen (art. 6:76) is weliswaar in beginsel ruimer dan de buiten-contractuele variant (art. 6:170) maar dit is bijvoorbeeld anders indien een ondergeschik­te van een aannemer bij onderhoudswerkzaamheden diefstal pleeg: de gedraging is dan niet verricht bij de uit­voering van de verbintenis.[14] Bij de aansprakelijkheid voor zaken leidt art. 6:173 in be­ginsel juist tot ruimere mogelijkheden dan de contractuele variant (art. 6:77). Voor zover van toepassing geldt hetzelfde a fortiori voor de art. 6:175 en 6:179. Niet valt in te zien waarom deze buitencontractuele regels binnen een contract niet van toepas­sing zouden zijn. Het is niet wen­selijk dat wie een contract aangaat daarmee zijn buitencontractuele rechten ongemerkt prijsgeeft.[15]

 

Deze problematiek kwam aan de orde in HR 27 april 2001 (Donkers/Scholten), J@ 2001-135, NJ 2002, 54, nt. CJHB, VR 2001, 136. Dierenarts Scholten ente op het bedrijf van Donkers diens paarden in tegen tetanus en influenza. Bij de inenting van het vierde paard, dat gespannen was maar waaraan niets bijzonders was te merken, ging het mis: toen de dierenarts een stap over de drempel deed, kwam het paard opeens naar voren, waarbij het steigerde en onverwacht door het lint ging. De dierenarts liep letsel op en stelde Donkers daarvoor aansprakelijk. Het Hof besliste, dat de regels die voortvloeien uit de door Scholten en Donkers gesloten behandelingsovereenkomst en de in art. 6:179 neergelegde regel (risico-aansprakelijkheid voor dieren) in beginsel naast elkaar van toepassing waren. Voorts besliste het Hof dat wat partijen waren overeengekomen mee kon brengen dat het bepaalde bij art. 6:179 buiten toepassing diende te blijven maar dat dit in casu niet het geval was. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep, omdat ’s Hofs oordeel geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting.

 

In dit arrest komt aan de orde wanneer art. 6:179 buiten toepassing blijft, met andere woorden: wanneer de schade niet op basis van art. 6:179 maar op grond van contractuele (fout)aansprakelijkheid moet worden afgewikkeld. Om te beginnen kunnen partijen de toepasselijkheid van een bijzondere regel al dan niet stilzwijgend uitsluiten. Het gaat hier om de regel dat een overeenkomst niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen heeft maar ook die welke uit de wet, de gewoonte en de redelijkheid en billijkheid voortvloeien (art. 6:248). Wat de redelijkheid en billijkheid meebrengen wordt mede bepaald door de aard en de strekking van de overeenkomst; zie Asser-Hartkamp 4-III (2001), nr. 296. Hierop wordt ook gedoeld in parlementaire geschiedenis bij art. 6:179: personen aan wie een dier is toevertrouwd (ruiter, jockey, dompteur, hoefsmid, dierenarts) kunnen een bepaald aan het dier verbonden risico accepteren, maar dan moet worden nagegaan in hoeverre de acceptatie van het verwezenlijke risico heeft plaatsgevonden (Parl. Gesch. Boek 6, p. 765); zie ook nr. 1305: Risico-aansprakelijkheid (artikel 6:179 BW). In het algemeen dient terughoudendheid te worden betracht met aan te nemen dat partijen stilzwijgend afstand hebben gedaan van hun rechten uit bijzondere wetsbepalingen. In dit verband verdient opmerking dat in de parlementaire geschiedenis van art. 7:658 is opgemerkt dat de werknemer een beroep kan doen op regels van risico-aansprakelijkheid; zie nr. 1508: Veilige werkplek.

 

Indien partijen geen afstand hebben gedaan van toepasselijkheid van een regel van risico-aansprakelijkheid (c.q. het risico dat door de schadetoebrenging is verwezenlijkt niet is geaccepteerd) en, zoals in casu, de bezitter van het dier in beginsel aansprakelijk is voor de schade van de dierenarts, dient op grond van art. 6:101 te worden nagegaan of de omstandigheden van het geval meebrengen dat de schade geheel of gedeeltelijk voor rekening van de dierenarts dient te blijven. In casu beantwoordde het Hof deze vraag ontkennend door in overweging te nemen dat Scholten dierenarts is, dat hij gespecialiseerd is in paarden, dat hij zich op het terrein van Donkers bevond in de uitoefening van zijn beroep, dat hij een contractuele relatie met Donkers had ter inenting van het paard dat de schade heeft veroorzaakt, dat hij gezien had dat het paard gespannen was en dat hij had kunnen afzien van behandeling van het paard nu er geen dwingende medische noodzaak bestond het paard in te enten. Op grond van de overige relevante feiten en omstandigheden, namelijk dat het paard ineens en totaal onverwacht "door het lint" ging, dat Scholten noch Donkers zoiets eerder hadden meegemaakt en dat Scholten zich had gedragen zoals van een bekwaam dierenarts verwacht mag worden, oordeelde het hof echter dat de schade die in dit concrete geval door Scholten is geleden niet geheel of gedeeltelijk door hemzelf gedragen moet worden. Dat lijkt mij een juiste beslissing. Daaraan kan worden toegevoegd dat het in het algemeen niet redelijk is om reeds het algemene risico dat de dierenarts op grond van zijn beroep loopt op grond van art. 6:101 aan hem toe te rekenen. Dat gebeurt immers ook niet indien (bijvoorbeeld) een voetganger door een motorrijtuig wordt aangereden: hij krijgt dan niet per definitie een percentage eigen schuld toegerekend, omdat hij nu eenmaal risico loopt door zich in het verkeer te begeven.

 

In dit verband is ook van belang HR 25 oktober 2002 (Bunink/Nieuw Amstelland), J@ 2002-394, RvdW 2002, 172, waarin het ging om amazone die tijdens een paardrijles in het Amsterdamse Bos van haar paard was gevallen toen dit schrok door gedragingen van derden. Het Hof wees haar schadeclaim tegen de eigenaar van het paard af, in feite op grond van risico-aanvaarding (zie nr. 816 Risico-aanvaarding). De Hoge Raad casseerde het arrest van het Hof en overwoog: ‘Indien degene die een paard van een ander berijdt, schade lijdt ten gevolge van onberekenbaar gedrag van het paard (…), is het enkele feit dat de benadeelde het paard uit vrije wil berijdt en met toestemming van de eigenaar, dus krachtens een overeenkomst met deze, niet voldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat de uit (…) art. 6:179 BW (…) voortvloeiende aansprakelijkheid van de eigenaar van het paard geheel vervalt. Of en zo ja in hoeverre om die reden sprake is van een omstandigheid die in de risicosfeer van de berijder ligt en daarom aan hem moet worden toegerekend, hangt af van de inhoud van de overeenkomst en de overige omstandigheden van het geval. Ook voor toepassing van de (…) billijkheidscorrectie is dit enkele feit niet voldoende. Een andere opvatting is niet te verenigen met de strekking van genoemde bepalingen (…). Een en ander is niet anders indien het paard door de eigenaar aan de berijder ter beschikking is gesteld in het kader van een door of onder verantwoordelijkheid van de eigenaar gegeven paardrijles. Wel zal in die situatie in gevallen waarin, zoals hier, ervan moet worden uitgegaan dat noch aan de benadeelde noch aan de eigenaar enige onzorgvuldigheid te verwijten is, uit aard en strekking van de overeenkomst in de regel voortvloeien dat het onberekenbare gedrag van het paard, dat immers in het kader van deze overeenkomst niet onverwacht is, in zoverre voor risico van de berijder is en aan hem moet worden toegerekend, dat de schade deels voor zijn rekening moet blijven. Het is echter afhankelijk van de inhoud van de overeenkomst en de verdere omstandigheden van het geval in hoeverre de vergoedingsplicht van de eigenaar dan moet worden verminderd door de schade over beide partijen te verdelen.’

 

In het hiervoor vermelde HR 27 april 2001 (Donkers/Scholten), J@ 2001-135, NJ 2002, 54, nt. CJHB, VR 2001, 136 ging het om de vraag of de inhoud van de overeenkomst tussen de benadeelde (dierenarts) en de bezitter van het dier de toepasselijkheid van art. 6:179 opzij had gezet. Het Hof oordeelde dat dit mogelijk was maar dat het in casu niet het geval was; ook eigen schuld achtte het Hof niet aanwezig; de Hoge Raad vond dat dit geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting. In HR 25 oktober 2002 (Bunink/Nieuw Amstelland), J@ 2002-394, RvdW 2002, 172 ging het om de vraag of de aanwezigheid van een overeenkomst tussen de benadeelde en de bezitter van het dier tot toerekening van een percentage eigen schuld moet leiden. De Hoge Raad aanvaardde dat dit mogelijk is maar dat het enkele feit van een overeenkomst tussen de berijder en de bezitter daartoe niet voldoende is. Dat is in de regel echter wel het geval indien noch aan benadeelde noch aan de bezitter enige onzorgvuldigheid te verwijten is. Het percentage eigen schuld hangt dan af van de inhoud van de overeenkomst en van de omstandigheden van het geval. Als het al tot eigen schuld komt, is het aannemelijk dat dit percentage, gezien de door de Hoge Raad benadrukte strekking van art. 6:179, in beginsel zeer gering zal zijn.

 

10. W. Snijders, Samenloop van wetsbepalingen in het nieuwe B.W., in: Speculum Langemeijer (1969), p. 454; Brunner, Beginselen van samenloop (1984), p. 10-14; Asser-Hartkamp I (1996), nr 404 e.v.; M.M. van Rossum, Maatschappelijke diligentia en de samenloop van contrac­tu­ele en delictuele aanspra­kelijkheid, RM Themis 1994, p. 307-319.

11. HR 22 november 1996 (Bos/Althusius), NJ 1998, 567, nt. CJHB, VR 1998, 84, waarover ook nr. 910 en Tjittes, De ongelukkige samenloop van aansprakelijkheidsgronden (1997), p. 423-434.

12. Viney-Jour­dain, Les conditions de la respon­sabilité (1998), nr 456-1. Zie ook R.J.P. Kottenhagen, Contractuele of delictuele aansprakelijkheid, NTBR 1995, p. 135-141.

13. Brunner, Beginselen van samenloop (1984), p. 45; Asser-Hartkamp I (1996), nr 404 e.v.

14. Asser-Hartkamp III (1998), nr 10.

15. Tjittes, De ongelukkige samen­loop van aansprakelijk­heids­gron­den (1997), p. 423-434. Anders: Snijders, Samenloop van wetsbepalingen in het nieuwe BW (1973), p. 468 en, met de nodige uit­zonderingen, Asser-Hartkamp III (1998), nr 10.

 

Naar boven    Inhoud      Home