15 BIJZONDERE RECHTSBETREKKINGEN
15.1 Inleiding
Het uitgangspunt is dat indien voor een
bepaald geval meerdere regels gelden, zij naast elkaar van toepassing zijn. Dit
is, zij het bij uitzondering, anders indien een regel exclusieve werking heeft.
Het belang van deze samenloop-vraag ligt in de soms ruimere
toepassingsmogelijkheden die de onrechtmatige daad naast het contract te
bieden heeft.
Indien
een zorgplicht tegelijkertijd uit verschillende regels voortvloeit, is het de
vraag welke regel voorrang geniet. Dit is het probleem van de samenloop. Op dit
punt geldt naar Nederlands recht als uitgangspunt dat de verschillende regels
(bijvoorbeeld uit contract en uit onrechtmatige daad) naast elkaar van
toepassing zijn
(cumulatiebeginsel), omdat iedere rechtsregel zoveel mogelijk tot zijn recht
dient te komen. Dit kan anders zijn indien toepassing van de rechtsregels leidt
tot een oplossing die uit wetssystematisch of praktisch oogpunt onaanvaardbaar
is. In dat geval is het in beginsel aan de benadeelde om te kiezen op welke
rechtsregel hij zijn actie wil baseren; dit is het beginsel van de
alternativiteit. Leidt ook dit beginsel tot onaanvaardbare resultaten, dan moet
worden aangenomen dat de ene regel de andere verdringt en exclusieve werking
heeft.[10]
Een
dergelijke exclusieve werking nam de Hoge Raad aan in het Bos/Althusius-arrest ten aanzien
van de contractuele regel van art. 7A:1790 BW. Het ging om iemand die van een
ander een ladder leende en daar vervolgens als gevolg van een gebrek van de
ladder vanaf viel. Op grond van art. 7A:1790 was de uitlener hiervoor niet
aansprakelijk, omdat hij het gebrek niet kende (nr. 910). Was er nu daarnaast
een actie op grond van art. 6:162 mogelijk? Over de verhouding tussen art.
6:162 en art. 7A:1790 overwoog de Hoge Raad: 'De strekking van het bepaalde in
art. 1790 brengt mee dat, nu (...) door Bos niet is gesteld en evenmin is
gebleken dat enig ander feit dan juist een gebrek van de uitgeleende zaak
oorzaak van het ongeval is geweest, die bepaling hier bij uitsluiting van
toepassing is. Art. 1790 strekt immers ertoe de uitlener die een zaak om niet
aan een ander ten gebruike geeft, alleen aansprakelijk te houden voor de
schadelijke gevolgen van een gebrek van de zaak, indien hij dat gebrek kende
maar de gebruiker van het bestaan ervan niet in kennis heeft gesteld. Die
strekking verzet zich tegen de toepasselijkheid van de bepalingen ter zake van
onrechtmatige daad, voor zover deze uitgaan van een verdergaande
aansprakelijkheid voor gebreken van een zaak.'[11]
In
de andere rechtsstelsels geldt globaal hetzelfde systeem. Een uitzondering
vormt het Franse recht, dat geen samenloop aanvaard en waar derhalve een ‘règle
de non-cumul’ geldt. Contractspartijen kunnen daar in beginsel alleen uit
wanprestatie ageren. Deze niet-samenloop-regel leidt tot allerlei gekunstelde onderscheidingen,
aldus Viney-Jourdain: 'Une réflexion analogue peut d'ailleurs être faite à
propos des décisions ayant admis la responsabilité de celui qui néglige d'informer
le tiers des dangers qu'il leur fait courir par l'exercice de son activité.
Ici encore l'analogie avec l'obligation contractuelle 'd'information et de
mise en garde' est frappante. Elle permet de penser que la distinction entre
régime contractuel et régime délictuel est, à cet égard encore, factice.'[12]
Wat
is het belang van de samenloopregels? Met andere woorden: waarom zou iemand uit
onrechtmatige daad willen ageren naast wanprestatie? Dat belang is in Nederland
tegenwoordig niet zo groot meer, vooral omdat er een uniforme regeling bestaat
van de verplichting tot schadevergoeding (afdeling 6.1.10).
Het
belang van een actie uit onrechtmatige daad naast een actie uit wanprestatie
kan onder meer liggen in wettelijke beperkingen met betrekking tot de
contractuele aansprakelijkheid (zie bijvoorbeeld art.6:74 lid 2 jo 6:83) en
in de aanwezigheid van beperkende contractuele bedingen met betrekking tot
een in te stellen schadevergoedingsactie. Daarnaast kan in de dekking van een
w.a.-verzekering een verschil zijn gemaakt tussen een vordering uit onrechtmatige
daad en een vordering uit wanprestatie.[13] Voorts bestaan er verschillen in de
kwalitatieve aansprakelijkheid: de contractuele aansprakelijkheid voor
personen (art. 6:76) is weliswaar in beginsel ruimer dan de buiten-contractuele
variant (art. 6:170) maar dit is bijvoorbeeld anders indien een ondergeschikte
van een aannemer bij onderhoudswerkzaamheden diefstal pleeg: de gedraging is
dan niet verricht bij de uitvoering van de verbintenis.[14] Bij de
aansprakelijkheid voor zaken leidt art. 6:173 in beginsel juist tot ruimere
mogelijkheden dan de contractuele variant (art. 6:77). Voor zover van
toepassing geldt hetzelfde a fortiori voor de art. 6:175 en 6:179. Niet valt in
te zien waarom deze buitencontractuele regels binnen een contract niet van
toepassing zouden zijn. Het is niet wenselijk dat wie een contract aangaat
daarmee zijn buitencontractuele rechten ongemerkt prijsgeeft.[15]
Deze
problematiek kwam aan de orde in HR 27
april 2001 (Donkers/Scholten),
J@ 2001-135, NJ 2002, 54, nt. CJHB, VR 2001, 136. Dierenarts Scholten ente op het bedrijf van Donkers diens paarden in
tegen tetanus en influenza. Bij de inenting van het vierde paard, dat gespannen
was maar waaraan niets bijzonders was te merken, ging het mis: toen de
dierenarts een stap over de drempel deed, kwam het paard opeens naar voren,
waarbij het steigerde en onverwacht door het lint ging. De dierenarts liep
letsel op en stelde Donkers daarvoor aansprakelijk. Het Hof besliste, dat de
regels die voortvloeien uit de door Scholten en Donkers gesloten
behandelingsovereenkomst en de in art. 6:179 neergelegde regel
(risico-aansprakelijkheid voor dieren) in beginsel naast elkaar van toepassing
waren. Voorts besliste het Hof dat wat partijen waren overeengekomen mee kon
brengen dat het bepaalde bij art. 6:179 buiten toepassing diende te blijven
maar dat dit in casu niet het geval was. De Hoge Raad verwierp het
cassatieberoep, omdat ’s Hofs oordeel geen blijk gaf van een onjuiste
rechtsopvatting.
In dit arrest komt
aan de orde wanneer art. 6:179 buiten toepassing blijft, met andere woorden:
wanneer de schade niet op basis van art. 6:179 maar op grond van contractuele
(fout)aansprakelijkheid moet worden afgewikkeld. Om te beginnen kunnen partijen
de toepasselijkheid van een bijzondere regel al dan niet stilzwijgend
uitsluiten. Het gaat hier om de regel dat een overeenkomst niet alleen de door
partijen overeengekomen rechtsgevolgen heeft maar ook die welke uit de wet, de
gewoonte en de redelijkheid en billijkheid voortvloeien (art. 6:248). Wat de
redelijkheid en billijkheid meebrengen wordt mede bepaald door de aard en de
strekking van de overeenkomst; zie Asser-Hartkamp 4-III (2001), nr. 296. Hierop
wordt ook gedoeld in parlementaire geschiedenis bij art. 6:179: personen aan
wie een dier is toevertrouwd (ruiter, jockey, dompteur, hoefsmid, dierenarts)
kunnen een bepaald aan het dier verbonden risico accepteren, maar dan moet
worden nagegaan in hoeverre de acceptatie van het verwezenlijke risico heeft
plaatsgevonden (Parl. Gesch. Boek 6, p. 765); zie ook nr. 1305:
Risico-aansprakelijkheid (artikel 6:179 BW). In het algemeen dient
terughoudendheid te worden betracht met aan te nemen dat partijen stilzwijgend
afstand hebben gedaan van hun rechten uit bijzondere wetsbepalingen. In dit
verband verdient opmerking dat in de parlementaire geschiedenis van art. 7:658
is opgemerkt dat de werknemer een beroep kan doen op regels van
risico-aansprakelijkheid; zie nr. 1508: Veilige
werkplek.
Indien partijen geen afstand hebben gedaan van toepasselijkheid van
een regel van risico-aansprakelijkheid (c.q. het risico dat door de
schadetoebrenging is verwezenlijkt niet is geaccepteerd) en, zoals in casu, de
bezitter van het dier in beginsel aansprakelijk is voor de schade van de
dierenarts, dient op grond van art. 6:101 te worden nagegaan of de
omstandigheden van het geval meebrengen dat de schade geheel of gedeeltelijk
voor rekening van de dierenarts dient te blijven. In casu beantwoordde het Hof
deze vraag ontkennend door in overweging te nemen dat Scholten dierenarts is,
dat hij gespecialiseerd is in paarden, dat hij zich op het terrein van Donkers
bevond in de uitoefening van zijn beroep, dat hij een contractuele relatie met
Donkers had ter inenting van het paard dat de schade heeft veroorzaakt, dat hij
gezien had dat het paard gespannen was en dat hij had kunnen afzien van
behandeling van het paard nu er geen dwingende medische noodzaak bestond het
paard in te enten. Op grond van de overige relevante feiten en omstandigheden,
namelijk dat het paard ineens en totaal onverwacht "door het lint"
ging, dat Scholten noch Donkers zoiets eerder hadden meegemaakt en dat Scholten
zich had gedragen zoals van een bekwaam dierenarts verwacht mag worden,
oordeelde het hof echter dat de schade die in dit concrete geval door Scholten
is geleden niet geheel of gedeeltelijk door hemzelf gedragen moet worden. Dat
lijkt mij een juiste beslissing. Daaraan kan worden toegevoegd dat het in het
algemeen niet redelijk is om reeds het algemene risico dat de dierenarts op
grond van zijn beroep loopt op grond van art. 6:101 aan hem toe te rekenen. Dat
gebeurt immers ook niet indien (bijvoorbeeld) een voetganger door een
motorrijtuig wordt aangereden: hij krijgt dan niet per definitie een percentage
eigen schuld toegerekend, omdat hij nu eenmaal risico loopt door zich in het
verkeer te begeven.
In dit verband is ook
van belang HR 25
oktober 2002 (Bunink/Nieuw Amstelland), J@ 2002-394, RvdW 2002, 172, waarin het ging om
amazone die tijdens een paardrijles in het Amsterdamse Bos van haar paard was
gevallen toen dit schrok door gedragingen van derden. Het Hof wees haar
schadeclaim tegen de eigenaar van het paard af, in feite op grond van
risico-aanvaarding (zie nr. 816 Risico-aanvaarding). De Hoge Raad casseerde het
arrest van het Hof en overwoog: ‘Indien degene die een paard van een ander
berijdt, schade lijdt ten gevolge van onberekenbaar gedrag van het paard (…),
is het enkele feit dat de benadeelde het paard uit vrije wil berijdt en met
toestemming van de eigenaar, dus krachtens een overeenkomst met deze, niet
voldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat de uit (…) art. 6:179 BW (…)
voortvloeiende aansprakelijkheid van de eigenaar van het paard geheel vervalt.
Of en zo ja in hoeverre om die reden sprake is van een omstandigheid die in de
risicosfeer van de berijder ligt en daarom aan hem moet worden toegerekend,
hangt af van de inhoud van de overeenkomst en de overige omstandigheden van het
geval. Ook voor toepassing van de (…) billijkheidscorrectie is dit enkele feit
niet voldoende. Een andere opvatting is niet te verenigen met de strekking van
genoemde bepalingen (…). Een en ander is niet anders indien het paard door de
eigenaar aan de berijder ter beschikking is gesteld in het kader van een door
of onder verantwoordelijkheid van de eigenaar gegeven paardrijles. Wel zal in
die situatie in gevallen waarin, zoals hier, ervan moet worden uitgegaan dat
noch aan de benadeelde noch aan de eigenaar enige onzorgvuldigheid te verwijten
is, uit aard en strekking van de overeenkomst in de regel voortvloeien dat het
onberekenbare gedrag van het paard, dat immers in het kader van deze
overeenkomst niet onverwacht is, in zoverre voor risico van de berijder is en
aan hem moet worden toegerekend, dat de schade deels voor zijn rekening moet
blijven. Het is echter afhankelijk van de inhoud van de overeenkomst en de
verdere omstandigheden van het geval in hoeverre de vergoedingsplicht van de
eigenaar dan moet worden verminderd door de schade over beide partijen te
verdelen.’
In het hiervoor vermelde HR 27
april 2001 (Donkers/Scholten),
J@ 2001-135, NJ 2002, 54, nt. CJHB, VR 2001, 136 ging het om de vraag of de inhoud van de
overeenkomst tussen de benadeelde (dierenarts) en de bezitter van het dier de
toepasselijkheid van art. 6:179 opzij had gezet. Het Hof oordeelde dat dit
mogelijk was maar dat het in casu niet het geval was; ook eigen schuld achtte
het Hof niet aanwezig; de Hoge Raad vond dat dit geen blijk gaf van een
onjuiste rechtsopvatting. In HR 25
oktober 2002 (Bunink/Nieuw Amstelland), J@ 2002-394, RvdW 2002, 172 ging het om de
vraag of de aanwezigheid van een overeenkomst tussen de benadeelde en de
bezitter van het dier tot toerekening van een percentage eigen schuld moet
leiden. De Hoge Raad aanvaardde dat dit mogelijk is maar dat het enkele feit
van een overeenkomst tussen de berijder en de bezitter daartoe niet voldoende
is. Dat is in de regel echter wel het geval indien noch aan benadeelde noch aan
de bezitter enige onzorgvuldigheid te verwijten is. Het percentage eigen schuld
hangt dan af van de inhoud van de overeenkomst en van de omstandigheden van het
geval. Als het al tot eigen schuld komt, is het aannemelijk dat dit percentage,
gezien de door de Hoge Raad benadrukte strekking van art. 6:179, in beginsel
zeer gering zal zijn.
10. W. Snijders,
Samenloop van wetsbepalingen in het nieuwe B.W., in: Speculum Langemeijer
(1969), p. 454; Brunner,
Beginselen van samenloop (1984), p. 10-14; Asser-Hartkamp I (1996), nr 404
e.v.; M.M. van Rossum, Maatschappelijke diligentia en de samenloop van contractuele
en delictuele aansprakelijkheid, RM Themis 1994, p. 307-319.
11. HR 22 november 1996
(Bos/Althusius), NJ 1998, 567, nt. CJHB, VR 1998, 84, waarover ook nr. 910 en Tjittes, De ongelukkige
samenloop van aansprakelijkheidsgronden (1997), p. 423-434.
12. Viney-Jourdain, Les conditions de la
responsabilité (1998), nr 456-1. Zie ook R.J.P. Kottenhagen, Contractuele of delictuele
aansprakelijkheid, NTBR 1995, p. 135-141.
13. Brunner, Beginselen van samenloop (1984), p. 45; Asser-Hartkamp
I (1996), nr 404 e.v.
14. Asser-Hartkamp III (1998), nr 10.
15. Tjittes, De ongelukkige samenloop van aansprakelijkheidsgronden
(1997), p. 423-434. Anders: Snijders, Samenloop van wetsbepalingen in het
nieuwe BW (1973), p. 468 en, met de nodige uitzonderingen, Asser-Hartkamp III
(1998), nr 10.