________________________________________
14 AANSPRAKELIJKHEID VOOR PERSONEN
14.1 Inleiding
Bij de
aansprakelijkheid van rechtspersonen doet zich de vraag voor welke gedragingen
van welke functionarissen als gedragingen van de rechtspersoon kunnen worden
aangemerkt. Omgekeerd kunnen
bestuurders aansprakelijk zijn jegens rechtspersonen indien deze failliet gaan
en kennelijk onbehoorlijk bestuur daarvoor een belangrijke oorzaak is. Aan
directe doorbraak van aansprakelijkheid - de vereenzelviging van met name van
moeder- en dochtervennootschappen - stelt de Hoge Raad strenge eisen.
Vele maatschappelijke activiteiten worden
georganiseerd in een rechtspersoon, niet alleen een besloten of naamloze
vennootschap maar ook een stichting of vereniging. Een dergelijke rechtspersoon
kan slechts handelen door middel van natuurlijke personen: ook de rechtspersoon
schakelt dus andere mensen in om handelingen voor hem te verrichten. In dat
kader doet zich ook het probleem voor van de toerekening van gedragingen van
functionarissen van een rechtspersoon aan de rechtspersoon. Vóór 1979 gold op
dit punt de zogenaamde orgaantheorie: beslissend was of een orgaan van de
rechtspersoon had gehandeld binnen de formele kring van zijn bevoegdheid of in
de vervulling van de hem opgedragen taak.[10] In het Kleuterschool
Babbel-arrest koos de Hoge Raad voor een wat ruimer, althans minder formeel,
criterium. Hij achtte beslissend of iemands gedragingen in het maatschappelijk
verkeer als gedragingen van de rechtspersoon hebben te gelden en hij voegde
daaraan toe: 'Aangenomen moet worden dat dit het geval is, wanneer de
gedragingen van een wethouder van onderwijs bestaan in het doen van uitlatingen
in zijn hoedanigheid ter zake van de aansprakelijkheid voor gebreken in de bouw
van een in de gemeente gevestigde kleuterschool.'[11]
In dit kader kan ook worden gedacht aan
aansprakelijkheidsregels die oneigenlijk gebruik of misbruik van rechtspersonen
beogen te voorkomen, zoals vormen van bestuurdersaansprakelijkheid (de
persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder voor schulden van de
vennootschap)[12] en de aansprakelijkheid van de moedervennootschap voor
gedragingen van haar dochter (onder omstandigheden dient de moeder zich de
belangen van de crediteuren van haar dochter aan te trekken); zie nr. nr. 814: Zwaarwegende
maatschappelijke belangen en rechtmatige daad.[13]
Indien een NV of BV failliet gaat, is iedere
bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden die niet
door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, indien het bestuur
zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een
belangrijke oorzaak van het faillissement is (art. 2:138 lid 1 en 2:248 lid 1
BW). Het gaat hier dus om de aansprakelijkheid van een natuurlijk persoon (de
bestuurder of ingevolge lid 7 de beleidsbepaler) voor de schulden van de
rechtspersoon. De vraag wanneer sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur
heeft de Hoge Raad beantwoord in HR 7 juni 1996 (Ontvanger/Van Zoolingen), NJ
1996, 695, nt. Ma. Het ging in dat arrest om de toepassing van het uit de
tweede misbruikwet afkomstige criterium van art. 36 lid 3 Invorderingswet 1990
(kennelijk onbehoorlijk bestuur), dat vrijwel overeenkomt met de aan de derde
misbruikwet ontleende art. 2:138 en 2:248. Volgens de Hoge Raad kan van
kennelijk onredelijk bestuur slechts worden gesproken als geen redelijk denkend
bestuurder - onder dezelfde omstandigheden - aldus gehandeld zou hebben. In de
woorden van Maeijer in zijn noot onder het arrest: ‘Men zou ook kunnen zeggen
dat door de toevoeging van het woord “kennelijk” duidelijk is gemaakt dat het
onbehoorlijke van de taakvervulling onmiskenbaar, buiten kijf, moet staan voor
verstandige ondernemers in dezelfde of aanverwante tak van bedrijvigheid.’ Zie
ook Asser-Maeijer 2-III, nr. 329.
HR 8
juni 2001 (Gilhuis q.q./H), J@
2001-165, NJ 2001, 454, bevestigt deze lijn. De Hoge Raad vindt dat het Hof de
genoemde maatstaf niet heeft miskend door te oordelen dat sprake moet zijn van
‘roekeloos, lichtzinnig, onbezonnen en onverantwoordelijk gedrag’, met
verwijzing naar Handelingen II, 16 631, 29 augustus 1985, p. 6337.
Een bestuurder kan zich disculperen door te
bewijzen dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur niet aan hem te
wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om
de gevolgen daarvan af te wenden (art. 2:138 lid 3 en 2:248 lid 3). Zie
hierover HR 22 december 1993 (X/Staatssecretaris), NJ 1994, 313.
Deze indirecte doorbraak
moet worden onderscheiden van de vereenzelviging van met name moeder- en
dochtervennootschappen (directe doorbraak). Bij vereenzelviging wordt geheel voorbijgegaan
aan de identiteit van een rechtspersoon. Met het aannemen van vereenzelviging
is de Hoge Raad zeer terughoudend: zie HR 16 juni 1995 (Bato's Erf Beheer Nijmegen/Staat),
NJ 1996, 214, nt. Ma; HR 3 november 1995 (Roco/Staat), NJ 1996, 215, nt. Ma.
Slechts in een enkel geval nam de Hoge Raad aan dat daarvan sprake was maar in
die gevallen ging het niet om vereenzelviging als grond voor doorbraak van
aansprakelijkheid: zie HR 26 januari 1994 (Heuga), NJ 1994, 545, inzake de Wet
op de Ondernemingsraden en HR 9 juni 1995 (Krijger/Citco), NJ 1996, 213, in
geval van de frustratie van een beslag.
In HR 13
oktober 2000 (Rainbow/Ontvanger), J@ 2000-165, NJ 2000, 698, nt. Ma. geeft de
Hoge Raad belangrijke regels voor het toepassen van indirecte en directe
doorbraak. Hij stelt daarin voorop (r.o. 3.5) dat ‘…door degene die (volledige of overheersende) zeggenschap heeft over
twee rechtspersonen, misbruik kan worden gemaakt van het identiteitsverschil
tussen deze rechtspersonen, en dat hetgeen met zodanig misbruik werd beoogd, in
rechte niet behoeft te worden gehonoreerd. Het maken van zodanig misbruik zal
in de regel moeten worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, die verplicht
tot het vergoeden van de schade die door het misbruik aan derden wordt
toegebracht. Deze verplichting tot schadevergoeding zal dan niet alleen rusten
op de persoon die met gebruikmaking van zijn zeggenschap de betrokken
rechtspersonen tot medewerking aan dat onrechtmatig handelen heeft gebracht,
doch ook op deze rechtspersonen zelf, omdat het ongeoorloofde oogmerk van
degene die hen beheerst rechtens dient te worden aangemerkt als een oogmerk ook
van henzelf. De omstandigheden van het geval kunnen evenwel ook zo
uitzonderlijk van aard zijn dat vereenzelviging van de betrokken rechtspersonen
- het volledig wegdenken van het identiteitsverschil - de meest aangewezen vorm
van redres is (vgl. het geval dat aan de orde was in HR 9 juni 1995, nr. 8551,
NJ 1996, 213).’
Directe doorbraak
blijft na dit arrest gereserveerd voor zeer uitzonderlijke situaties want de
Hoge Raad overweegt hier r.o. 3.5): ‘Het door het Hof
geconstateerde misbruik bestaat hierin dat [betrokkene] met het doen eindigen
van de ondernemingsactiviteiten van Démarrage en het doen voortzetten van
dezelfde activiteiten door Rainbow, naar 's Hofs oordeel geen ander oogmerk had
dan de fiscus als crediteur te benadelen, en wel door het verijdelen van
(verder) verhaal van de Ontvanger op het vermogen van Démarrage. Een dergelijke
op benadeling van een bepaalde crediteur gerichte handelwijze is onrechtmatig
jegens deze crediteur en verplicht dan ook de (rechts)personen die voor deze
handelwijze verantwoordelijk zijn, tot vergoeding van de schade welke die
crediteur als gevolg daarvan lijdt. Dit betekent echter niet dat de omvang van
deze schade zonder meer gelijk is aan het bedrag van de vordering waarvan men
het verhaal wilde verijdelen. Reeds hierom is een vereenzelviging als door het
Hof in het onderhavige geval voor mogelijk wordt gehouden, een vorm van redres
die te ver gaat.’
Het arrest van de
Hoge Raad komt er op neer, dat in dit soort gevallen de indirecte doorbraak en
daarmee de onrechtmatige daad de belangrijkste grondslag voor aansprakelijkheid
zal (blijven) vormen. Omdat de mogelijkheden voor de toepassing hiervan met dit
arrest enigszins lijken te zijn verruimd in vergelijking met bijvoorbeeld HR 3
november 1995 (Roco/Staat), NJ 1996, 215, nt. Ma, zal de rechtsfiguur van
vereenzelviging in de praktijk vrijwel geheel buiten beeld blijven. Zie over
het arrest onder meer S.M. Bartman, WPNR 6422 (2000), p. 795-797 en D.A.M.H.W.
Strik, V&O 2000, p. 175-177.
Ter relativering kan
nog worden opgemerkt, dat ook bij indirecte doorbraak elementen van
vereenzelviging kunnen worden onderscheiden. Te denken valt aan het element dat
het ongeoorloofde oogmerk van degene die andere rechtspersonen beheerst, dient
te worden aangemerkt als het oogmerk ook van henzelf. Kort gezegd: schuld van
de moeder aan de onrechtmatige daad, geldt ook als schuld van de dochter. Een
omgekeerde regel (wetenschap van benadeling van de dochter geldt als wetenschap
van benadeling van de moeder) aanvaardde de Hoge Raad in HR 12 juni 1998
(Stalt/Coral), NJ 1998, 727, nt. PvS. In zijn noot beschouwt Van Schilfgaarde
deze beslissing als een voorbeeld van vereenzelviging.
10. HR 10 juni 1955 (Het
Noorden/Noord-Hollandsche), NJ 1955, 552, nt. LEHR.
11. HR 6 april 1979 (Kleuterschool
Babbel), NJ 1980, 34, nt. CJHB. Zie ook HR 20 juni 1980 (PLEM/PSP), NJ 1980,
622, nt. GJS: ten aanzien van schade aan eigendommen door het aanplakken van
PSP-verkiezingsaffiches werd niet aanvaard dat deze activiteiten 'in het
maatschappelijk verkeer als gedragingen van PSP zelf hebben te gelden'. Zie
voor rechtsvergelijkende gegevens Von Bar, Gemeineuropäisches Deliktsrecht
(1996), N 168-178.
12. Asser-Maeijer 2-III, (1994), nr.
323-325.
13. HR 25 september 1981 (Osby), NJ
1982, 443.