AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

14                 AANSPRAKELIJKHEID VOOR PERSONEN

 

14.1              Inleiding

 

1402a           Aansprakelijkheid van en jegens rechtspersonen

 

Bij de aansprakelijkheid van rechtspersonen doet zich de vraag voor welke gedragingen van welke functionarissen als gedragingen van de rechtspersoon kunnen worden aangemerkt.  Omgekeerd kunnen bestuurders aansprakelijk zijn jegens rechtspersonen indien deze failliet gaan en kennelijk onbehoorlijk bestuur daarvoor een belangrijke oorzaak is. Aan directe doorbraak van aansprakelijkheid - de vereenzelviging van met name van moeder- en dochtervennootschappen - stelt de Hoge Raad strenge eisen.

 

Vele maatschappelijke activiteiten worden georganiseerd in een rechtspersoon, niet alleen een besloten of naamloze vennootschap maar ook een stichting of vereniging. Een dergelijke rechtspersoon kan slechts handelen door middel van natuurlijke personen: ook de rechtspersoon schakelt dus andere mensen in om handelingen voor hem te verrichten. In dat kader doet zich ook het probleem voor van de toerekening van gedragingen van functionarissen van een rechtspersoon aan de rechtspersoon. Vóór 1979 gold op dit punt de zogenaamde orgaantheorie: beslissend was of een orgaan van de rechtspersoon had gehandeld binnen de formele kring van zijn bevoegdheid of in de vervulling van de hem opgedragen taak.[10] In het Kleuterschool Babbel-arrest koos de Hoge Raad voor een wat ruimer, althans minder formeel, criterium. Hij achtte beslissend of iemands gedragingen in het maatschappelijk verkeer als gedragingen van de rechtspersoon hebben te gelden en hij voegde daaraan toe: 'Aangenomen moet worden dat dit het geval is, wanneer de gedragingen van een wethouder van onderwijs bestaan in het doen van uitlatingen in zijn hoedanigheid ter zake van de aansprakelijkheid voor gebreken in de bouw van een in de gemeente gevestigde kleuterschool.'[11]

 

In dit kader kan ook worden gedacht aan aansprakelijkheidsregels die oneigenlijk gebruik of misbruik van rechtspersonen beogen te voorkomen, zoals vormen van bestuur­dersaansprakelijkheid (de persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder voor schul­den van de vennootschap)[12] en de aansprakelijkheid van de moedervennootschap voor gedragingen van haar dochter (onder omstandigheden dient de moeder zich de belangen van de crediteuren van haar dochter aan te trekken); zie nr. nr. 814: Zwaarwegende maatschappelijke belangen en rechtmatige daad.[13]

 

Indien een NV of BV failliet gaat, is iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden die niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is (art. 2:138 lid 1 en 2:248 lid 1 BW). Het gaat hier dus om de aansprakelijkheid van een natuurlijk persoon (de bestuurder of ingevolge lid 7 de beleidsbepaler) voor de schulden van de rechtspersoon. De vraag wanneer sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur heeft de Hoge Raad beantwoord in HR 7 juni 1996 (Ontvanger/Van Zoolingen), NJ 1996, 695, nt. Ma. Het ging in dat arrest om de toepassing van het uit de tweede misbruikwet afkomstige criterium van art. 36 lid 3 Invorderingswet 1990 (kennelijk onbehoorlijk bestuur), dat vrijwel overeenkomt met de aan de derde misbruikwet ontleende art. 2:138 en 2:248. Volgens de Hoge Raad kan van kennelijk onredelijk bestuur slechts worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder - onder dezelfde omstandigheden - aldus gehandeld zou hebben. In de woorden van Maeijer in zijn noot onder het arrest: ‘Men zou ook kunnen zeggen dat door de toevoeging van het woord “kennelijk” duidelijk is gemaakt dat het onbehoorlijke van de taakvervulling onmiskenbaar, buiten kijf, moet staan voor verstandige ondernemers in dezelfde of aanverwante tak van bedrijvigheid.’ Zie ook Asser-Maeijer 2-III, nr. 329. HR 8 juni 2001 (Gilhuis q.q./H), J@ 2001-165, NJ 2001, 454, bevestigt deze lijn. De Hoge Raad vindt dat het Hof de genoemde maatstaf niet heeft miskend door te oordelen dat sprake moet zijn van ‘roekeloos, lichtzinnig, onbezonnen en onverantwoordelijk gedrag’, met verwijzing naar Handelingen II, 16 631, 29 augustus 1985, p. 6337.

 

Een bestuurder kan zich disculperen door te bewijzen dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur niet aan hem te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden (art. 2:138 lid 3 en 2:248 lid 3). Zie hierover HR 22 december 1993 (X/Staatssecretaris), NJ 1994, 313.

 

Deze indirecte door­braak moet worden onderscheiden van de vereenzelviging van met name moeder- en dochtervennootschappen (directe doorbraak). Bij vereenzelviging wordt geheel voorbijgegaan aan de identiteit van een rechtspersoon. Met het aannemen van vereenzelviging is de Hoge Raad zeer terughoudend: zie HR 16 juni 1995 (Bato's Erf Beheer Nijme­gen/Staat), NJ 1996, 214, nt. Ma; HR 3 november 1995 (Roco/Staat), NJ 1996, 215, nt. Ma. Slechts in een enkel geval nam de Hoge Raad aan dat daarvan sprake was maar in die gevallen ging het niet om vereenzelviging als grond voor doorbraak van aansprakelijkheid: zie HR 26 januari 1994 (Heuga), NJ 1994, 545, inzake de Wet op de Ondernemingsraden en HR 9 juni 1995 (Krijger/Citco), NJ 1996, 213, in geval van de frustratie van een beslag.

 

In HR 13 oktober 2000 (Rainbow/Ontvanger), J@ 2000-165, NJ 2000, 698, nt. Ma. geeft de Hoge Raad belangrijke regels voor het toepassen van indirecte en directe doorbraak. Hij stelt daarin voorop (r.o. 3.5) dat ‘…door degene die (volledige of overheersende) zeggenschap heeft over twee rechtspersonen, misbruik kan worden gemaakt van het identiteitsverschil tussen deze rechtspersonen, en dat hetgeen met zodanig misbruik werd beoogd, in rechte niet behoeft te worden gehonoreerd. Het maken van zodanig misbruik zal in de regel moeten worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, die verplicht tot het vergoeden van de schade die door het misbruik aan derden wordt toegebracht. Deze verplichting tot schadevergoeding zal dan niet alleen rusten op de persoon die met gebruikmaking van zijn zeggenschap de betrokken rechtspersonen tot medewerking aan dat onrechtmatig handelen heeft gebracht, doch ook op deze rechtspersonen zelf, omdat het ongeoorloofde oogmerk van degene die hen beheerst rechtens dient te worden aangemerkt als een oogmerk ook van henzelf. De omstandigheden van het geval kunnen evenwel ook zo uitzonderlijk van aard zijn dat vereenzelviging van de betrokken rechtspersonen - het volledig wegdenken van het identiteitsverschil - de meest aangewezen vorm van redres is (vgl. het geval dat aan de orde was in HR 9 juni 1995, nr. 8551, NJ 1996, 213).’

 

Directe doorbraak blijft na dit arrest gereserveerd voor zeer uitzonderlijke situaties want de Hoge Raad overweegt hier r.o. 3.5): ‘Het door het Hof geconstateerde misbruik bestaat hierin dat [betrokkene] met het doen eindigen van de ondernemingsactiviteiten van Démarrage en het doen voortzetten van dezelfde activiteiten door Rainbow, naar 's Hofs oordeel geen ander oogmerk had dan de fiscus als crediteur te benadelen, en wel door het verijdelen van (verder) verhaal van de Ontvanger op het vermogen van Démarrage. Een dergelijke op benadeling van een bepaalde crediteur gerichte handelwijze is onrechtmatig jegens deze crediteur en verplicht dan ook de (rechts)personen die voor deze handelwijze verantwoordelijk zijn, tot vergoeding van de schade welke die crediteur als gevolg daarvan lijdt. Dit betekent echter niet dat de omvang van deze schade zonder meer gelijk is aan het bedrag van de vordering waarvan men het verhaal wilde verijdelen. Reeds hierom is een vereenzelviging als door het Hof in het onderhavige geval voor mogelijk wordt gehouden, een vorm van redres die te ver gaat.’

 

Het arrest van de Hoge Raad komt er op neer, dat in dit soort gevallen de indirecte doorbraak en daarmee de onrechtmatige daad de belangrijkste grondslag voor aansprakelijkheid zal (blijven) vormen. Omdat de mogelijkheden voor de toepassing hiervan met dit arrest enigszins lijken te zijn verruimd in vergelijking met bijvoorbeeld HR 3 november 1995 (Roco/Staat), NJ 1996, 215, nt. Ma, zal de rechtsfiguur van vereenzelviging in de praktijk vrijwel geheel buiten beeld blijven. Zie over het arrest onder meer S.M. Bartman, WPNR 6422 (2000), p. 795-797 en D.A.M.H.W. Strik, V&O 2000, p. 175-177.

 

Ter relativering kan nog worden opgemerkt, dat ook bij indirecte doorbraak elementen van vereenzelviging kunnen worden onderscheiden. Te denken valt aan het element dat het ongeoorloofde oogmerk van degene die andere rechtspersonen beheerst, dient te worden aangemerkt als het oogmerk ook van henzelf. Kort gezegd: schuld van de moeder aan de onrechtmatige daad, geldt ook als schuld van de dochter. Een omgekeerde regel (wetenschap van benadeling van de dochter geldt als wetenschap van benadeling van de moeder) aanvaardde de Hoge Raad in HR 12 juni 1998 (Stalt/Coral), NJ 1998, 727, nt. PvS. In zijn noot beschouwt Van Schilfgaarde deze beslissing als een voorbeeld van vereenzelviging.

 

10. HR 10 juni 1955 (Het Noorden/Noord-Hollandsche), NJ 1955, 552, nt. LEHR.

11. HR 6 april 1979 (Kleuterschool Babbel), NJ 1980, 34, nt. CJHB. Zie ook HR 20 juni 1980 (PLEM/PSP), NJ 1980, 622, nt. GJS: ten aanzien van schade aan eigendommen door het aanplakken van PSP-verkiezingsaffiches werd niet aanvaard dat deze activiteiten 'in het maatschappelijk verkeer als gedragingen van PSP zelf hebben te gelden'. Zie voor rechtsvergelijkende gegevens Von Bar, Gemeineuropäisches Deliktsrecht (1996), N 168-178.

12. Asser-Maeijer 2-III, (1994), nr. 323-325.

13. HR 25 september 1981 (Osby), NJ 1982, 443.

 

Naar boven    Inhoud      Home