________________________________________
14 AANSPRAKELIJKHEID
VOOR PERSONEN
14.1 Inleiding
De
aansprakelijkheid voor personen komt in vele gedaanten voor. Naast de gevallen
waarin het toezicht (minderjarigen, psychiatrische patiënten) en de
solidariteit (groepsaansprakelijkheid) centraal staan, wordt een belangrijke
categorie gevormd door de aansprakelijkheid voor personen in organisatorische
en economische verbanden.
Bij de aansprakelijkheid voor personen gaat
het ten eerste om gevallen waarin iemand toezicht dient te houden op personen
die meer dan anderen een risico vormen voor de veiligheid van derden, zoals
minderjarigen, psychiatrische patiënten en gevangenen. De kwalitatieve aansprakelijkheid
voor deze personen vormt de hoofdmoot van dit hoofdstuk; zij komt aan de orde
in de § 14.2 en 14.3.
Als tweede categorie gevallen kan de
groepsaansprakelijkheid worden beschouwd. Hier staat niet het toezicht of de
economische verbondenheid centraal maar de solidariteit tussen de deelnemers.
Deze aansprakelijkheid komt aan de orde in § 14.4.
In de derde plaats heeft de aansprakelijkheid
voor personen betrekking op organisatorische en economische verbanden, in het
bijzonder de uitoefening van een beroep of bedrijf. Indien er schade ontstaat
door een gedraging die in dit kader wordt verricht, kan tevens een andere
persoon of rechtspersoon aansprakelijk zijn. In deze gevallen staat niet het
toezicht centraal maar de wijze waarop een economische (beroeps- of
bedrijfsmatige) activiteit is georganiseerd. Deze organisatie mag niet ten
koste gaan van de derde die schade lijdt: hij dient een traceerbare en
solvabele debiteur te kunnen vinden.[6]
Op deze gedachte is allereerst de
risico-aansprakelijkheid van de werkgever voor fouten van zijn ondergeschikten
gebaseerd (nr. 1401 en nr. 1403). Dit geldt ook voor de
risico-aansprakelijkheid van de vertegenwoordigde voor fouten van de
vertegenwoordiger (art. 6:172) en van de opdrachtgever voor fouten die worden
gemaakt bij werkzaamheden die niet-ondergeschikte hulppersonen ter uitoefening
van het bedrijf van de opdrachtgever verrichten (art. 6:171).[7]
Art. 6:171
Tijdens de parlementaire behandeling van art.
6:171 heeft de minister opgemerkt, dat deze bepaling geen beroepsmatige
handelingen omvat, tenzij deze activiteiten worden verricht in de vorm van een
vennootschap.[8] Een belangrijk discussiepunt bij deze bepaling is of
opdrachtgever en opdrachtnemer als een bedrijfsmatige eenheid moeten zijn te
beschouwen. Hoewel er tijdens de parlementaire behandeling vooral over dit
soort gevallen is gesproken (in het bijzonder de aanneming van werk), geeft de
tekst van art. 6:171 geen aanleiding voor een zo beperkte lezing.[9] Toch heeft
de Hoge Raad in HR 21 december 2001
(Delfland/Stoeterij De Kraal), J@ 2001-377, NJ 2002, 75 gekozen voor een restrictieve interpretatie.
Een aannemer had in opdracht van Delfland electriciteitskabels
vernieuwd op het terrein van de Stoeterij en daarbij schade had veroorzaakt. De
Stoeterij stelde Delfland daarvoor aansprakelijk. De Hoge Raad oordeelde echter
dat aansprakelijkheid
voor onrechtmatig handelen van een niet ondergeschikte opdrachtnemer alleen
bestaat indien het gaat om werkzaamheden die een opdrachtgever ter uitoefening
van zijn bedrijf door die opdrachtnemer doet verrichten. Aansprakelijkheid kan
niet worden aangenomen indien de benadeelde de dader en het bedrijf van diens
opdrachtgever niet als een zekere eenheid kan beschouwen. De in het artikel
voorkomende woorden: “werkzaamheden ter uitoefening van diens bedrijf” houden
volgens de Hoge Raad een belangrijke beperking in; alleen degene die aan de
bedrijfsuitoefening zelf van de opdrachtgever deelneemt, kan worden beschouwd
als een ‘niet ondergeschikte’ in de zin van art. 6:171. Delfland was daarom op
grond van deze bepaling niet aansprakelijk voor de schade van de Stoeterij.
Uit HR 10 januari 2003 (Van Bentum/Bos), J@ 2003-13, RvdW
2003, 11 volgt dat de curator in een faillissement niet kan worden beschouwd
als een niet-ondergeschikte ex art. 6:171 van het advocatenkantoor waar hij
werkzaam is en evenmin als een ondergeschikte ex art. 6:170. Dit betekent dat
het advocatenkantoor niet mede-aansprakelijk is op grond van deze bepalingen: slechts
de curator persoonlijk en de boedel zijn aansprakelijk voor de door de curator in
zijn hoedanigheid onrechtmatig veroorzaakte schade. De voornaamste argumenten
van de Hoge Raad zijn dat de curator bij het vervullen van zijn
taak niet optreedt als beoefenaar van het beroep van advocaat (HR 19 april 1996
(SNTSM/Ho q.q.), NJ 1996, 727, nt. WMK), dat hij wordt aangesteld door de
rechtbank (art. 14 lid 1 Fw) en dat hij werkt onder toezicht van de
rechter-commissaris (art. 64 jo. 68 lid 1 Fw) aan wie hij na afloop ook
rekening en verantwoording aflegt (art. 193 lid 2 F.). Zie voor een
tegengestelde opvatting, alsmede voor de praktische consequenties van het arrest
de Conclusie van AG-Spier.
Indien art. 6:171 van toepassing is, kan de
opdrachtgever zich beroepen op een wettelijke limitering van de
aansprakelijkheid van de niet-ondergeschikte. In HR 11 mei 2001 (EMO/Witchin), J@ 2001-150, NJ
2001, 631, nt. K.F. Haak, ging het
om een aanvaring tijdens loswerkzaamheden in de Rotterdamse haven, waarbij
Interstevedoring, die met een zeeschip in opdracht van EMO loswerkzaamheden
verrichtte, schade toebracht aan Witchin. In dit soort gevallen is de
aansprakelijkheid van de reder en de andere gebruikers van het schip (en
derhalve ook van EMO) beperkt door de (verdragsrechtelijke) regeling van art.
740a WvK (thans art. 8:750 jo 8:758 BW). De Hoge Raad overweegt met verwijzing
naar Parl. Gesch. Boek 6, p. 729, dat art. 6:171 slechts ertoe strekt ‘… om
naast de erin bedoelde niet-ondergeschikte ook de opdrachtgever jegens de derde
aansprakelijk te doen zijn voor de schade, veroorzaakt door een fout van de
niet-ondergeschikte (…). Bij de totstandkoming van die bepaling is kennelijk
niet gedacht aan de mogelijkheid dat de wet de aansprakelijkheid van de
niet-ondergeschikte beperkt; niet blijkt van enige bedoeling om niettemin in
zo’n geval op de opdrachtgever een onbeperkte aansprakelijkheid te doen rusten.
Tegen deze achtergrond moet worden aangenomen dat ook wanneer de wet voorziet
in een limitering van de aansprakelijkheid van de niet-ondergeschikte voor de
in art. 6:171 bedoelde fout, de aansprakelijkheid van de opdrachtgever op grond
van die bepaling niet verder reikt dan de aansprakelijkheid van de
niet-ondergeschikte.’
6. Aldus bijvoorbeeld HR 7 januari 1983
(Nieuw Rotterdam/Kruk), NJ 1984, 607, VR 1985, 84. Zie ook H. Drion,
Aansprakelijkheid voor andermans fouten (1982), p. 81 e.v. en R.P.J.L. Tjittes,
Centralisering van aansprakelijkheid, NJB 1995, p.274-282.
7. Klaassen, Risico-aansprakelijkheid
(1991), p. 64-77; Mon. Nieuw BW B-46 (Oldenhuis), nr 61-74. De Hoge Raad heeft
onder het oude recht niet op deze bepaling willen anticiperen: zie HR 19
februari 1993 (Kube & Kubenz/Sluyter), NJ 1996, 318, VR 1994, 43 en HR 10
maart 1995 (Nationale Nederlanden/Royal Nederland), NJ 1995, 580, nt. M.M.M.,
VR 1995, 201.
8. Parl. Gesch. Boek 6, p. 729; Parl.
Gesch. Inv. Boek 3, p. 1003.
9. Parl. Gesch. Boek 6, p. 728-731;
Klaassen, Risico-aansprakelijkheid (1991), p. 67; Mon. Nieuw BW B-46
(Oldenhuis), nr 63; C.J.H. Jansen en A.J. van der Lely, De reikwijdte van art.
6:171 BW, NTBR 1998, p. 226-229.