________________________________________
13 AANSPRAKELIJKHEID
VOOR ROERENDE ZAKEN
13.5 Motorrijtuigen
Aansprakelijkheid
voor schade in het wegverkeer op grond van art. 6:162 komt vanzelfsprekend
vooral aan de orde in situaties waarop art. 185 WVW niet van toepassing is. Dat
is met name het geval indien een inzittende van een motorrijtuig schade lijdt
en indien het ongeval niet op de openbare weg heeft plaatsgevonden.
Gezien de
betrekkelijk beperkte reikwijdte van art. 185 WVW speelt art. 6:162 een
belangrijke rol bij het vergoeden van schade in het wegverkeer. Daarnaast
kunnen bij verkeersongevallen ook de art. 6:169 (ouders voor kinderen), 6:174 (wegbeheerder),
6:179 (bezitter van een dier) en 6:185 (producent van een gebrekkig
motorrijtuig) van belang zijn.
Het voornaamste
toepassingsgebied van art. 6:162 vormen de verkeersongevallen waarbij twee
motorrijtuigen zijn betrokken. In dit soort gevallen is voor aansprakelijkheid
nodig, dat de bestuurder van zijn wijze van rijden rechtens enig verwijt valt
te maken.[58] Het belangrijkste onderscheid tussen deze strenge
zorgvuldigheidsnorm en art. 185 WVW ligt in de bewijslastverdeling, die hier
overigens vaak beslissend is: ‘Talloze, zo niet de meeste, aanrijdingen staan
of vallen met bewijs en daarmee bewijslast.’[59] Zie ook nr. 839.
Omdat op grond van
art. 1 lid 1 onder c WVW 1994 een tram geen motorrijtuig is in de zin van de
WVW, is bij een botsing tussen een tram en een voetganger of fietser art. 185
WVW niet van toepassing. De Hoge Raad heeft echter beslist dat dit onverlet
laat dat, met het oog op de bescherming die kwetsbare verkeersdeelnemers als
voetgangers en fietsers behoeven in verband met de ingrijpende gevolgen die een
botsing met een tram voor hen kan hebben, de bestuurder van een tram ten
opzichte van die verkeersdeelnemers dezelfde mate van zorgvuldigheid dient te
betrachten als wordt verlangd van bestuurders van een motorrijtuig. Die zware
zorgvuldigheidsplicht brengt mee dat de trambestuurder bij het bepalen van zijn
rijgedrag maar ook rekening moet houden met fouten van bedoelde weggebruikers,
tenzij deze fouten zo onwaarschijnlijk zijn dat hij daarmee in redelijkheid
geen rekening behoefde te houden: HR 14 juli
2000 (Geertsema/HTM), J@ 2000-118, NJ 2001, 417, nt. JH, VR
2000, 167, nt. GMvW. In samenhang hiermee mag worden aangenomen dat de
trambestuurder terzake van de wijze waarop hij aan het verkeer heeft
deelgenomen, voor zover van belang voor de veroorzaking van het ongeval,
rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt.
In hetzelfde arrest
besliste de Hoge Raad dat ten aanzien van de eigen schuld van de volwassen
voetganger of fietser de 50%-regel uit HR 28 februari 1992, NJ 1993, 566, nt.
CJHB, VR 1992, 93, nt. vdH (IZA/Vrerink) van toepassing is; zie nr.
1308: Overmacht en eigen schuld.
Hoewel de Hoge Raad
dit niet vermeldt, geldt in deze gevallen ten aanzien van de eigen schuld van
kinderen tot 14 jaar de regel uit HR 8 december 1989, NJ 1990, 778, nt. CJHB,
VR 1990, 79, nt. vWvC (Lars Ruröde). Hierin besliste de Hoge Raad dat degene
die een verkeers- of veiligheidsnorm schendt waardoor een voetganger of fietser
van nog geen 14 jaar gewond raakt, op grond van de billijkheidscorrectie (art.
6:101) in beginsel geen beroep kan doen op eigen schuld van het kind. Een
beroep op eigen schuld is in dit soort gevallen slechts mogelijk indien het
kind de schade opzettelijk of met aan opzet grenzende roekeloosheid heeft
veroorzaakt; zie nr. 824.
Anders
dan op grond van art. 185 WVW het geval is (nr 1308: Overmacht
en eigen schuld) behoeft op grond
van art. 6:162 niet te worden ingestaan voor de afwezigheid van gebreken van
het motorrijtuig. Ook de risico-aansprakelijkheid voor gebrekkige roerende
zaken is ingevolge art. 6:173 lid 3 niet van toepassing op motorrijtuigen.
Dit betekent dat, indien een gemotoriseerde weggebruiker schade lijdt door een
gebrek in een motorrijtuig, op grond van art. 6:162 in beginsel moet komen vast
te staan dat de toezichthouder van het motorrijtuig tekort is geschoten in
zijn onderhoudsplicht. In de jaren zestig sprak de Hoge Raad zich uit over de
vereiste autotechnische kennis van de automobilist. Door slechte schokbrekers
was de motorkap van een auto losgeschoten, waardoor een ongeval ontstond. De
Hoge Raad stemde in met het hof '... dat van een op het gebied van de
autotechniek niet deskundige bestuurder niet zonder meer kan worden gevorderd,
dat hij enig verband tussen het niet behoorlijk werken van schokbrekers en het
loswerken van deksel en motorkapsluiting voorziet'.[60]
Naar
huidig inzicht lijkt deze beslissing niet meer houdbaar. Het ligt meer voor de
hand om er van uit te gaan dat een automobilist behoort te beschikken over
kennis van de autotechniek, voorzover die kennis van belang is voor het veilig
functioneren van zijn voertuig. Ook aan de onderhoudsplicht kunnen in dit
verband hoge eisen worden gesteld. Zo is wel beslist, dat het spontaan
ontstaan van kortsluiting in een auto, die daardoor onbestuurd in beweging
komt, in het algemeen duidt op onvoldoende onderhoud, waarvoor de eigenaar
van de auto aansprakelijk werd geacht.[61] Zelfs in Engeland werd in een
geval waarin het risico niet kenbaar was toch ‘negligence’ aangenomen: in casu
ging het om een vrachtwagen waarvan de remmen weigerden, doordat remvloeistof
was weggelekt via een onzichtbaar gecorrodeerd gat.[62]
Art.
185 WVW is alleen van toepassing op verkeersongevallen die op de openbare weg
plaatsvinden en derhalve niet op ongevallen met motorrijtuigen in een garage,
op een boerderij of op een bouwplaats. Dit onderscheid wordt door de Hoge Raad
strikt gehanteerd. Een aansprakelijkheidsclaim dient in een dergelijk geval
daarom te worden gebaseerd op art. 6:162, waarbij dan de gewone regels van
stelplicht en bewijslast van toepassing zijn, zelfs als het feitelijk om een
arbeidsongeval gaat.[63] Deze regels houden in dat moet komen vast te staan dat
de bestuurder van het motorrijtuig rechtens enig verwijt kan worden gemaakt.[64]
In het algemeen kan dit verwijt vrij snel worden aangenomen, in het bijzonder
indien het gaat om jeugdige slachtoffers.[65]
58. HR 15 januari 1993 (Puts/Ceha), NJ
1993, 568, VR 1993, 76 en HR 11 november 1983 (Meppelse ree), NJ 1984, 331, VR
1984, 56, waarover nr. 919.
59. H.A. Bouman, Van bewijslast naar
bescherming - Artikel 31 Wegenverkeerswet, VR 1987, p. 86. Zie ook HR 23
oktober 1992 (Centraal Ziekenfonds/Van der Velden), NJ 1992, 813, VR 1993, 93,
waarover nr. 839.
60. HR 7 april 1967 (Motorkap Daf), NJ
1967, 282, VR 1967, 109, nt. P.
61. Rb. Breda 25 oktober 1994 (Hooge
Huys/Hennen), NJ 1995, 506.
62. Henderson v. H.E. Jenkins & Sons
(1970) AC 282.
63. HR 29 januari 1999
(Filipovic/Interpolis), NJ 1999, 245, VR 1999, 119; zie over stelplicht en
bewijslast nr. 839. Gezien de gunstiger regels inzake stelplicht en bewijslast
bij art. 7:658 zou de benadeelde met een vordering op deze grond meer kans van
slagen hebben gehad.
64. HR 15 januari 1993 (Puts/Ceha), NJ 1993, 568, VR 1993, 76.
65. HR 25 september 1981 (Martin Smit), NJ 1982, 254, nt. CJHB, VR 1982, 29, waarover nr. 822.