AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

13     AANSPRAKELIJKHEID VOOR ROERENDE ZAKEN

 

13.5  Motorrijtuigen

 

1309 Toekomstverwachtingen

 

Na een decennia durende discussie is in novem­ber 1997 een Wetsvoorstel Verkeersongevallen bij de Tweede Kamer ingediend (vaststel­ling en invoering van afdeling 8.1.14 BW). Hoewel dit voorstel in het voorjaar van 1999 werd ingetrokken, was het de verwachting is dat een nieuw wetsvoorstel niet veel zou afwijken van het voorstel uit 1997. In februari 2001 heeft de Minister van Justitie echter laten weten de voorbereiding van een nieuw wetsvoorstel niet zinvol meer te vinden en na te denken over een vorm van verkeersverzekering.

 

Op 24 november 1997 leek een historische stap te zijn gezet in een al decennia durende discus­sie over een wenselijke vernieuwing van de regels voor het vergoeden van schade die in het verkeer wordt geleden. Op die dag diende namelijk Minister Sorgdrager bij de Tweede Kamer een wetsvoorstel in dat een nieuwe regeling van de verkeersaansprakelijk­heid inhield.[48] Volgens dit voorstel kwam op de bezitter of houder van een motorrijtuig een vrijwel zuivere risico-aansprakelijkheid te rusten ten gunste van voetgangers, fietsers en passagiers. Alleen hun opzet of bewuste roekeloosheid vormde een belemmering voor aansprakelijk­heid (nr. 911: Subjectieve toetsing: opzet en bewuste roekeloosheid).

 

Toen Minister Korthals in 1999 het wetsvoorstel van zijn voorganger introk, leek het er op dat het nieuwe wetsvoorstel daarvan slechts op kleine onderdelen zou afwijken: Kamerstukken II, 1998-1999, 25 759, nr 5.[49] De belangrijkste wijziging zou zijn het schrappen van het woord 'be­wust' uit het verweermiddel 'opzet en bewuste roekeloos­heid'. Roekeloos­heid in de zin van 'een ernstig gebrek aan zorgvuldigheid'[55] zou dan voldoende zijn als ver­weer tegen een schadeclaim van een voetganger, fietser of passagier. Voor kinderen tot 14 jaar zou de grens wel blijven liggen bij bewuste roekeloosheid.[56] Deze voorstellen waren weinig wenselijk: niet alleen zou de regeling daarmee afwijken van de Franse en Belgische (nr. 1310: Internationaal perspectief), ook zou veel jurispru­dentie nodig zijn om de grenzen van het begrip roekeloos­heid scherp te stellen. Dit sprak te meer nu in het nieuwe voorstel van een alles-of-niets-regeling sprake zou blijven: was er sprake van roekeloosheid van de fietser of de voetganger, dan zou er geen recht op schadevergoeding bestaan; was er geen sprake van roekeloosheid, dan zou het recht op schadevergoeding 100% bedragen.

 

Dit voorstel stuitte op veel kritiek en in februari 2001 kondigde Minister Korthals aan dat hij van een nieuw wetsvoorstel afzag. De achtergrond daarvoor schetste hij in een brief aan de Tweede Kamer, waarin hij wees op recente ontwikkelingen met betrekking tot de mogelijke opkomst van de ‘claimcultuur’ in ons land. In dat verband noemde hij de wens voor het invoeren van smartengeld voor nabestaanden (zie nr. 805: Affectieschade), het beroep op de overheid voor schadevergoeding bij rampen en de stijgende schadelast bij aansprakelijkheidsverzekeringen. Om die reden vond de minister de tijd rijp voor een herbezinning op de doelstellingen en de inrichting van het aansprakelijkheids- en verzekeringsrecht en verklaarde hij de voorbereiding van een nieuw wetsvoorstel op het gebied van de verkeersaansprakelijkheid niet zinvol te vinden. Tegelijk sloot hij een vorm van verkeersverzekering niet uit, mits de eigen verantwoordelijkheid van het slachtoffer daarbij zou worden betrokken: Kamerstukken II, 2000-2001, 27 400 VI, nr. 54.

 

Voor de historie worden hier de hoofdlijnen van het wetsvoor­stel van 1997 aangegeven.

 

In navolging van het systeem van afdeling­ 6.3.2 BW en van art. 2 WAM (verzekeringsplichtige) zal de aansprakelijkheid primair op de bezitter rusten en niet, zoals in art. 185 WVW, op de eigenaar. Net als in het huidige recht zal, indien er een duurzame houder in de zin van art. 1 lid 1 sub n WVW is, deze de aansprakelijke persoon zijn in plaats van de bezit­ter (art. 8:1202 sub b OBW 1997).

 

In beginsel is het voor aansprakelijkheid voldoende dat het motorrijtuig betrokken was bij een verkeersongeval (nr. 1307: Toepassingsvoorwaarden). Het gaat hier om hetzelfde begrip (‘impli­cation’) als in het Franse en Belgische verkeersongevallenrecht geldt; zie nr. 217: Verkeersaansprakelijkheid (‘loi Badinter’) en nr. 309: Vergoeding van schade door motorrijtuigen. De beper­king van art. 185 WVW dat het ongeval op de openba­re weg moet hebben plaatsge­vonden (nr. 1307: Toepassingsvoorwaarden) zal verval­len; wel dient een motorrijtuig in het verkeer schade te hebben toegebracht, zoals op een niet-openbaar fabrieks-, bouw- of haventerrein.[50]

 

De bezit­ter of houder van een motorrijtuig[51] dat betrok­ken is bij een verkeersongeval is aanspra­kelijk voor de dientengevolge geleden personen­schade van een ongemotori­seer­de verkeerdeel­nemer (voetganger of fietser). Dit is slechts anders indien de schade het gevolg is van opzet of (bewuste) roekeloosheid van de onge­motori­seerde verkeers­deelnemer ten tijde van het ongeval (art. 8:1203 lid 1 OBW 1997). Anders dan in het huidige recht wordt in het wets­voorstel uit 1997 geen onderscheid gemaakt tussen leeftijds­categorieën (jonger dan veertien jaar en veertien jaar of ouder).

 

De bezit­ter of houder van het betrokken motorrij­tuig is ook aansprakelijk voor personenschade van de passagier, behoudens diens opzet of bewuste roekeloosheid ten tijde van het ongeval (art. 8:1204 lid 1 en 2 OBW 1997). Voorwaarde is, dat de passagier met instemming van de bestuurder is ver­voerd. In het algemeen zal deze instemming kunnen worden afgeleid uit diens gedrag; zij zal onder meer ontbreken ten aanzien van de verstekeling en ten aanzien van degene die zich on­der bedreiging laat meerijden.[52]

 

De positie van de bestuurder blijft in het wetsvoorstel ongewijzigd, tenzij de bestuurder tevens als werknemer geldt. In dat geval zal de werkgever aansprakelijk zijn voor de schade die de werkne­mer lijdt doordat deze in de uitoefening van zijn werkzaamheden[53] een motorrij­tuig bestuurt dat betrokken is bij een verkeersongeval, behalve indien de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloos­heid van de werknemer ten tijde van het ongeval (art. 7:658a OBW 1997).

 

Zoals bij de invoering van nieuwe aansprakelijkheden gebruikelijk is, zullen deze uitsluitend ter beschikking worden ge­steld aan de slachtoffers persoonlijk. De verhaalne­mende particuliere en sociale verzeke­raars mogen er niet van profiteren. Daarom zullen de nieuwe aansprakelijkheden worden opgehangen in boom van art. 6:197, bij de andere voor de re­gresnemers verboden vruch­ten van het aansprakelijkheidsrecht. Zij zullen hun verhaals­acties slechts kunnen baseren op art. 6:162.[54]

 

48. Kamerstukken II, 1997-1998, 25 759, nr 1-3. Zie over het wetsvoorstel onder meer C.C. van Dam, Het wetsvoorstel verkeersongevallen, VR 1997, p. 353-358; J. Bockwinkel en S. van Gessel, Wetsvoorstel verkeersongevallen, AA 1998, p. 34-42 en de bijdragen in Faure en Hartlief (red.), Verkeers­aansprakelijkheid in België en Nederland (1998).

49. Kamerstukken II, 1998-1999, 25 759, nr 5.

50. Kamerstukken II, 1997-1998, 25 759, nr 3, p. 38.

51. Art. 8:1202 sub a definieert het motorrijtuig conform art. 1 lid 1 sub c WVW 1994 maar zondert daarvan uit de rolstoelen met een eigen aandrijving waarmee door een gehandicapte aan het ver­keer wordt deelgenomen.

52. Kamerstukken II, 1997-1998, 25 759, nr 3, p. 44-45, met verwijzing naar HR 27 januari 1984 (Verstekeling), NJ 1984, 536, nt. G, VR 1984, 66, nt. vWvC, waarover nr. 705.

53. Kamerstukken II, 1997-1998, 25 759, nr 3, p. 50, legt een direct verband met de weinig houvast biedende criteria van art. 6:170 (functioneel verband en zeggenschap).

54. Kamerstukken II, 1997-1998, 25 759, nr 3, p. 30-31.

55. Kamerstukken II, 1998-1999, nr 5, p. 2.

56. Kamerstukken II, 1998-1999, nr 5, p. 4.

 

Naar boven    Inhoud      Home