AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

13           AANSPRAKELIJKHEID VOOR ROERENDE ZAKEN

 

13.5  Motorrijtuigen

 

1308 Overmacht en eigen schuld

 

De eigenaar of houder van een motorrijtuig is niet aansprakelijk indien hij overmacht aannemelijk maakt. Ten aanzien van kinderen tot veertien jaar is dit praktisch uitgesloten; ten aanzien van volwassenen slaagt dit verweer slechts bij hoge uitzondering. Gebreken van het motorrijtuig of van de bestuurder leveren geen overmacht op.

 

Indien een motorrijtuig betrokken is bij een ongeluk op de openbare weg is de eigenaar of houder aansprakelijk voor de schade van voetgangers en fietsers, tenzij hij aannemelijk kan maken dat er sprake was van overmacht. Door middel van een haarscherpe uitleg van het overmacht­be­grip heeft de Hoge Raad de afgelopen decen­nia ge­zorgd voor een gunstige positie van ongemotori­seerde slachtoffers jegens ge­moto­riseerde verkeers­deelne­mers.[39]

 

De meest vergaande bescherming geeft de Hoge Raad aan voetgangers en fietsers tot veertien jaar. Sinds het Marbeth van Uitregt-arrest uit 1991 leveren hun gedragingen pas overmacht op wanneer, mede gezien de leeftijd van het kind, niet anders kan worden ge­oordeeld dan dat zij opzet of aan opzet grenzen­de roekeloosheid ter zake van de aanrij­ding opleveren.[40] Omdat eigen schuld sinds het Ingrid Kolkman-arrest uit 1990 volgens dezelfde maatstaf wordt beoor­deeld, betekent dit in de prak­tijk dat deze groep verkeers­deel­nemers vrijwel steeds recht heeft op volledige schadevergoeding.[41] Hier wordt dan ook gesproken over de 100%-regel.

 

In beide arresten zoekt de Hoge Raad de reden voor deze bescherming in het feit dat kinderen door hun impulsiviteit en onberekenbaarheid aanzienlijk meer gevaar hebben te duchten van het gemotoriseerde verkeer dan volwassen fietsers of voetgangers. Voorts overweegt hij dat de gevolgen van een aanrijding juist voor kinderen bijzonder ingrijpend zijn en tenslotte speelt een rol dat de eigenaar of houder van het motorrijtuig ingevolge de WAM verplicht tegen aansprakelijkheid is verzekerd.

 

Gedragingen van voetgangers en fietsers die ten tijde van het ongeval veertien jaar of ouder waren, leveren pas overmacht op wanneer de bestuurder van het motorrijtuig ter zake van de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen, voor zover van be­lang voor de veroorzaking van het ongeval, rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Eventuele fouten van andere weggebrui­kers en het slachtoffer zelf zijn hierbij alleen van belang, indien zij voor de bestuurder van het motorrijtuig zo onwaarschijnlijk waren dat deze bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijk­heid naar redelijkheid geen rekening behoefde te houden.[42]

 

Hoewel dit criterium minder streng is dan dat voor kinderen, lukt het de eigenaar of houder van een motorrijtuig in de praktijk slechts bij hoge uitzondering om overmacht aannemelijk te maken. In HR 17 november 2000 (FBTO/Delta Lloyd), NJ 2001, 260, nt. CJHB, VR 2001, 61 bevestigde de Hoge Raad, dat de onopgehelderde oorzaak van een ongeval voor risico van de eigenaar of houder van het motorrijtuig komt. Deze heeft dan immers niet aannemelijk gemaakt dat het ongeval te wijten was aan overmacht. Aldus ook Asser-Hartkamp III, nr. 223 en Onrechtmatige daad (losbladig) III, aant. 176.5 (H.A. Bouman). In casu ging het om de regresactie van de ziektekostenverzekeraar van een 9-jarige jongen, die ernstig gewond was geraakt door de aanrijding met een vrachtauto toen de vrachtauto hem op een zes meter brede weg met een snelheid van 25 à 30 km per uur inhaalde. Niet duidelijk werd hoe de jongen ten val was gekomen en door de vrachtauto was geraakt. De casus stemt vrijwel geheel overeen met die van HR 26 maart 1971 (Jan de Waard), NJ 1971, 262, nt. GJS, VR 1971, 128, nt. Harmsen. In dat arrest formuleerde de Hoge Raad voor het eerst het overmachtvereiste in de hierboven vermelde zin.

 

Slaagt het overmachtverweer niet, dan is de eigenaar of houder in elk geval voor de helft van de schade van de volwassen voetganger of fietser aansprake­lijk, tenzij er bij laatstgenoemde sprake was van opzet of aan opzet grenzende roekeloos­heid. Dit wordt de 50%-regel genoemd.[43] Het feite­lijk door de eigenaar of houder te vergoeden percen­ta­ge hangt af van het antwoord op de vraag of en in hoeverre er sprake is van eigen schuld van de ongemotori­seerde verkeersdeelnemer (art. 6:101).[44]

 

De verdelingsmaatstaf van art. 6:101 houdt het volgende in. Eerst vindt een causaliteitsafweging plaats, waarin wordt vastgesteld in welke mate de aan veroorzaker en benadeelde toe te rekenen omstandigheden aan de schade hebben bijgedragen. Omdat het hierbij niet om foutieve gedragingen behoeft te gaan, zou het voor de hand liggen om in deze fase ook rekening te houden met het zogenaamde Betriebsgefahr, dat wil zeggen met het feit dat een auto door zijn gewicht en snelheid in de meeste gevallen in belangrijke mate aan de schade van de ongemotoriseerde verkeersdeelnemer bijdraagt. De Hoge Raad heeft echter in het IZA/Vrerink-arrest (HR 28 februari 1992, NJ 1993, 566, nt. CJHB, VR 1992, 93, nt. VdH) de 50%-regel beschouwd als een toepassing van de billijkheidscorrectie wegens de verwezenlijking van het aan het motorrijtuig verbonden gevaar. Hij heeft deze gedachte onlangs expliciet bevestigd door te beslissen dat het Betriebsgefahr niet bij de causaliteitsafweging maar bij de billijkheidscorrectie thuishoort: ‘De omstandigheid dat een motorrijtuig in het verkeer voor andere verkeersdeelnemers een bijzonder gevaar oplevert dient aan de orde te komen als het gaat om de op de verdeling op basis van causaliteit volgende afweging of de billijkheid een andere verdeling van de aansprakelijkheid eist.’ Zie HR 10 november 2000 (Levob/Van den Bos), J@ 2000-195, NJ 2000, 718, VR 2001, 115.

 

Een gebrek van het motorrijtuig levert geen over­macht op.[45] Hetzelfde geldt voor een al dan niet plotseling lichamelijk of geestelijk gebrek van de bestuurder. Ware dat anders, dan zou op dit punt de be­scher­ming van de benadeelde minder zijn dan volgens de foutaan­sprakelijkheid ingevolge art. 6:165.[46]

 

Regresnemende verzekeraars kunnen zich jegens de aansprakelijke persoon in begin­sel beroepen op art. 185 WVW; deze bepaling is immers niet opgenomen in art. 6:197. Bij een regresactie wordt het overmachtverweer steeds beoor­deeld naar de maat­staf die geldt voor de volwassen ongemotoriseerde verkeersdeelnemer. Voorts geldt dat de 50- en 100%-regels niet van toepassing zijn.[47]

 

Het hiervoor aangehaalde arrest HR 10 november 2000 (Levob/Van den Bos), J@ 2000-195, NJ 2000, 718, impliceert dat een regresnemende verzekeraar niet reeds bij de causaliteitsafweging maar pas in het kader van de billijkheidscorrectie een beroep kan doen op het Betriebsgefahr. Dit betekent, dat een dergelijk beroep van de verzekeraar doorgaans slechts tot een bijstelling van beperkte omvang van het resultaat van de causaliteitsafweging zal kunnen leiden: zie HR 5 december 1997, NJ 1998, 400, nt. JH, VR 1998, 28, nt. HAB (Saïd Hyati). Met ‘een bijstelling van beperkte omvang’ lijkt vooral te zijn bedoeld dat de regresnemers niet via de ‘gewone’ billijkheidscorrectie te eenvoudig van de 50- of 100%-regel zouden kunnen profiteren. Een aanpassing van 20 à 25 procent is echter niet uitgesloten.

 

39. Zie uitvoeriger T. Hartlief, De zwakke verkeersdeelnemer, TPR 1996, p. 1271-1335; Hartlief en Tjittes, Verzekering en aansprakelijkheid (1999), p. 123-166; Bolt en Spier, De uitdijende reikwijdte van de aansprake­lijkheid uit onrechtmatige daad (1996), p. 208 e.v.

40. HR 31 mei 1991 (Marbeth van Uitregt), NJ 1992, 721, nt. CJHB. Zie voor gevallen waarin mogelijk sprake is van aan opzet grenzende roekeloosheid Hartlief en Tjittes, Verzekering en aansprakelijkheid (1999), p. 127-128.

41. HR 1 juni 1990 (Ingrid Kolkman), NJ 1991, 720, nt. CJHB, VR 1990, 174, nt. vWvC.

42. HR 26 maart 1971 (Jan de Waard), NJ 1971, 262, nt. GJS, VR 1971, 128, nt. Harmsen; HR 24 december 1982 (Wijman/Corten), NJ 1983, 443, VR 1983, 40; HR 22 mei 1992 (ABP/Winterthur), NJ 1992, 527, VR 1992, 94; HR 16 februari 1996 (Staat/Royal Nederland), NJ 1996, 393, VR 1996, 195; HR 4 oktober 1996 (Dijksma/Klaverblad), NJ 1997, 147, nt. CJHB, VR 1998, 86; HR 5 december 1997 (Wijnings/Klaverblad), NJ 1998, 209, VR 1998, 64.

43. HR 28 februari 1992 (IZA/Vrerink), NJ 1993, 566, nt. CJHB, VR 1992, 93, nt. vdH.

44. HR 24 december 1993 (Anja Kellenaers), NJ 1995, 236, nt. CJHB, VR 1994, 52, nt. vWvC.

45. HR 16 april 1942 (Torenbout), NJ 1942, 394.

46. Zie ook Asser-Hartkamp III (1998), nr 223.

47. HR 2 juni 1995 (Marloes de Vos), NJ 1997, 700, nt. CJHB, VR 1995, 145, nt. HAB en HR 5 december 1997 (Saïd Hyati), NJ 1998, 400, nt. JH, VR 1998, 28, nt. HAB, waarover nr. 825.

 

Naar boven    Inhoud      Home