________________________________________
13
AANSPRAKELIJKHEID VOOR ROERENDE ZAKEN
13.5 Motorrijtuigen
De
eigenaar of houder van een motorrijtuig is niet aansprakelijk indien hij overmacht
aannemelijk maakt. Ten aanzien van kinderen tot veertien jaar is dit praktisch
uitgesloten; ten aanzien van volwassenen slaagt dit verweer slechts bij hoge
uitzondering. Gebreken van het motorrijtuig of van de bestuurder leveren geen
overmacht op.
Indien
een motorrijtuig betrokken is bij een ongeluk op de openbare weg is de eigenaar
of houder aansprakelijk voor de schade van voetgangers en fietsers, tenzij hij
aannemelijk kan maken dat er sprake was van overmacht. Door middel van een
haarscherpe uitleg van het overmachtbegrip heeft de Hoge Raad de afgelopen
decennia gezorgd voor een gunstige positie van ongemotoriseerde slachtoffers
jegens gemotoriseerde verkeersdeelnemers.[39]
De
meest vergaande bescherming geeft de Hoge Raad aan voetgangers en fietsers tot
veertien jaar. Sinds het Marbeth van Uitregt-arrest uit 1991 leveren hun
gedragingen pas overmacht op wanneer, mede gezien de leeftijd van het kind,
niet anders kan worden geoordeeld dan dat zij opzet of aan opzet grenzende
roekeloosheid ter zake van de aanrijding opleveren.[40] Omdat eigen schuld
sinds het Ingrid Kolkman-arrest uit 1990 volgens dezelfde maatstaf wordt beoordeeld,
betekent dit in de praktijk dat deze groep verkeersdeelnemers vrijwel steeds
recht heeft op volledige schadevergoeding.[41] Hier wordt dan ook gesproken
over de 100%-regel.
In
beide arresten zoekt de Hoge Raad de reden voor deze bescherming in het feit
dat kinderen door hun impulsiviteit en onberekenbaarheid aanzienlijk meer
gevaar hebben te duchten van het gemotoriseerde verkeer dan volwassen fietsers
of voetgangers. Voorts overweegt hij dat de gevolgen van een aanrijding juist
voor kinderen bijzonder ingrijpend zijn en tenslotte speelt een rol dat de
eigenaar of houder van het motorrijtuig ingevolge de WAM verplicht tegen
aansprakelijkheid is verzekerd.
Gedragingen
van voetgangers en fietsers die ten tijde van het ongeval veertien jaar of
ouder waren, leveren pas overmacht op wanneer de bestuurder van het
motorrijtuig ter zake van de wijze waarop hij aan het verkeer heeft
deelgenomen, voor zover van belang voor de veroorzaking van het ongeval,
rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Eventuele fouten van andere
weggebruikers en het slachtoffer zelf zijn hierbij alleen van belang, indien
zij voor de bestuurder van het motorrijtuig zo onwaarschijnlijk waren dat deze
bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid
geen rekening behoefde te houden.[42]
Hoewel
dit criterium minder streng is dan dat voor kinderen, lukt het de eigenaar of
houder van een motorrijtuig in de praktijk slechts bij hoge uitzondering om
overmacht aannemelijk te maken. In HR
17 november 2000 (FBTO/Delta Lloyd),
NJ 2001, 260, nt. CJHB, VR 2001, 61 bevestigde de Hoge Raad, dat de
onopgehelderde oorzaak van een ongeval voor risico van de eigenaar of houder
van het motorrijtuig komt. Deze heeft dan immers niet aannemelijk gemaakt dat
het ongeval te wijten was aan overmacht. Aldus ook Asser-Hartkamp III, nr. 223
en Onrechtmatige daad (losbladig) III, aant. 176.5 (H.A. Bouman). In casu ging
het om de regresactie van de ziektekostenverzekeraar van een 9-jarige jongen,
die ernstig gewond was geraakt door de aanrijding met een vrachtauto toen de
vrachtauto hem op een zes meter brede weg met een snelheid van 25 à 30 km per
uur inhaalde. Niet duidelijk werd hoe de jongen ten val was gekomen en door de
vrachtauto was geraakt. De casus stemt vrijwel geheel overeen met die van HR 26
maart 1971 (Jan de Waard), NJ 1971, 262, nt. GJS, VR 1971, 128, nt. Harmsen. In
dat arrest formuleerde de Hoge Raad voor het eerst het overmachtvereiste in de
hierboven vermelde zin.
Slaagt
het overmachtverweer niet, dan is de eigenaar of houder in elk geval voor de
helft van de schade van de volwassen voetganger of fietser aansprakelijk,
tenzij er bij laatstgenoemde sprake was van opzet of aan opzet grenzende
roekeloosheid. Dit wordt de 50%-regel genoemd.[43] Het feitelijk door de
eigenaar of houder te vergoeden percentage hangt af van het antwoord op de
vraag of en in hoeverre er sprake is van eigen schuld van de ongemotoriseerde
verkeersdeelnemer (art. 6:101).[44]
De
verdelingsmaatstaf van art. 6:101 houdt het volgende in. Eerst vindt een
causaliteitsafweging plaats, waarin wordt vastgesteld in welke mate de aan
veroorzaker en benadeelde toe te rekenen omstandigheden aan de schade hebben
bijgedragen. Omdat het hierbij niet om foutieve gedragingen behoeft te gaan,
zou het voor de hand liggen om in deze fase ook rekening te houden met het
zogenaamde Betriebsgefahr, dat wil zeggen met het feit dat een auto door zijn
gewicht en snelheid in de meeste gevallen in belangrijke mate aan de schade van
de ongemotoriseerde verkeersdeelnemer bijdraagt. De Hoge Raad heeft echter in
het IZA/Vrerink-arrest (HR 28 februari 1992, NJ 1993, 566, nt. CJHB, VR 1992,
93, nt. VdH) de 50%-regel beschouwd als een toepassing van de billijkheidscorrectie
wegens de verwezenlijking van het aan het motorrijtuig verbonden gevaar. Hij
heeft deze gedachte onlangs expliciet bevestigd door te beslissen dat het
Betriebsgefahr niet bij de causaliteitsafweging maar bij de
billijkheidscorrectie thuishoort: ‘De omstandigheid dat een motorrijtuig in het
verkeer voor andere verkeersdeelnemers een bijzonder gevaar oplevert dient aan
de orde te komen als het gaat om de op de verdeling op basis van causaliteit
volgende afweging of de billijkheid een andere verdeling van de
aansprakelijkheid eist.’ Zie HR 10
november 2000 (Levob/Van den Bos),
J@ 2000-195, NJ 2000, 718, VR 2001, 115.
Een
gebrek van het motorrijtuig levert geen overmacht op.[45] Hetzelfde geldt voor
een al dan niet plotseling lichamelijk of geestelijk gebrek van de bestuurder.
Ware dat anders, dan zou op dit punt de bescherming van de benadeelde minder zijn
dan volgens de foutaansprakelijkheid ingevolge art. 6:165.[46]
Regresnemende
verzekeraars kunnen zich jegens de aansprakelijke persoon in beginsel beroepen
op art. 185 WVW; deze bepaling is immers niet opgenomen in art. 6:197. Bij een
regresactie wordt het overmachtverweer steeds beoordeeld naar de maatstaf die
geldt voor de volwassen ongemotoriseerde verkeersdeelnemer. Voorts geldt dat de
50- en 100%-regels niet van toepassing zijn.[47]
Het hiervoor aangehaalde arrest HR 10
november 2000 (Levob/Van den Bos),
J@ 2000-195, NJ 2000, 718, impliceert
dat een regresnemende verzekeraar niet reeds bij de causaliteitsafweging maar
pas in het kader van de billijkheidscorrectie een beroep kan doen op het
Betriebsgefahr. Dit betekent, dat een dergelijk beroep van de verzekeraar
doorgaans slechts tot een bijstelling van beperkte omvang van het resultaat van
de causaliteitsafweging zal kunnen leiden: zie HR 5 december 1997, NJ 1998,
400, nt. JH, VR 1998, 28, nt. HAB (Saïd Hyati). Met ‘een bijstelling van
beperkte omvang’ lijkt vooral te zijn bedoeld dat de regresnemers niet via de
‘gewone’ billijkheidscorrectie te eenvoudig van de 50- of 100%-regel zouden
kunnen profiteren. Een aanpassing van 20 à 25 procent is echter niet
uitgesloten.
39. Zie uitvoeriger T. Hartlief, De
zwakke verkeersdeelnemer, TPR
1996, p. 1271-1335; Hartlief en Tjittes, Verzekering en aansprakelijkheid
(1999), p. 123-166; Bolt en Spier, De uitdijende reikwijdte van de aansprakelijkheid
uit onrechtmatige daad (1996), p. 208 e.v.
40. HR 31 mei 1991 (Marbeth van
Uitregt), NJ 1992, 721, nt. CJHB. Zie voor gevallen waarin mogelijk sprake is
van aan opzet grenzende roekeloosheid Hartlief en Tjittes, Verzekering en
aansprakelijkheid (1999), p. 127-128.
41. HR 1 juni 1990 (Ingrid Kolkman), NJ
1991, 720, nt. CJHB, VR 1990, 174, nt. vWvC.
42. HR 26 maart 1971 (Jan
de Waard), NJ 1971, 262, nt. GJS, VR 1971, 128, nt. Harmsen; HR 24 december
1982 (Wijman/Corten), NJ 1983, 443, VR 1983, 40; HR 22 mei 1992 (ABP/Winterthur), NJ 1992, 527, VR 1992, 94; HR 16 februari
1996 (Staat/Royal Nederland), NJ 1996, 393, VR 1996, 195; HR 4 oktober 1996 (Dijksma/Klaverblad),
NJ 1997, 147, nt. CJHB, VR 1998, 86; HR 5 december 1997 (Wijnings/Klaverblad),
NJ 1998, 209, VR 1998, 64.
43. HR 28 februari 1992 (IZA/Vrerink),
NJ 1993, 566, nt. CJHB, VR 1992, 93, nt. vdH.
44. HR 24 december 1993 (Anja
Kellenaers), NJ 1995, 236, nt. CJHB, VR 1994, 52, nt. vWvC.
45. HR 16 april 1942 (Torenbout), NJ 1942, 394.
46. Zie ook Asser-Hartkamp III (1998),
nr 223.
47. HR 2 juni 1995 (Marloes de Vos), NJ
1997, 700, nt. CJHB, VR 1995, 145, nt. HAB en HR 5 december 1997 (Saïd Hyati),
NJ 1998, 400, nt. JH, VR 1998, 28, nt. HAB, waarover nr. 825.