AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

13           AANSPRAKELIJKHEID VOOR ROERENDE ZAKEN

 

13.5  Motorrijtuigen

 

1307 Toepassingsvoorwaarden

 

Sinds 1924 rust in Nederland op de eigenaar of houder van een motorrijtuig een verscherpte aansprakelijkheid. Deze thans in art. 185 WVW opgenomen regeling heeft echter een beperkte strekking: in beginsel worden alleen ongemotoriseerde verkeersdeelnemers erdoor beschermd. Ongevallen buiten de openbare weg vallen niet onder reikwijdte van deze bepaling.

 

Voor de toepasselijkheid van art. 185 WVW is vereist dat er op een voor het verkeer openstaande weg een ongeval plaatsvindt waarbij een motorrijtuig is betrokken en waar­door schade wordt toegebracht aan fietsers, voetgangers of wegmeubilair. Is dat het geval, dan is de eigenaar of houder van het motorrijtuig aansprakelijk, tenzij hij overmacht aannemelijk maakt. Deze bepaling is een nazaat van het in 1924 ingevoerde art. 25 Motor- en Rijwielwet. Na lange tijd als art. 31 WVW door het leven te zijn gegaan is de bepaling in 1994 vernummerd tot art. 185 en daarbij redactioneel aange­past.[37]

 

Onder een motorrijtuig worden alle gemotoriseerde voertuigen begrepen met uitzondering van railvoertuigen zoals treinenen trams (art. 1 lid 1 sub c WVW). Trolleybussen en bromfietsen zijn derhalve motorrijtuigen, treinen en trams niet. Ingevolge HR 14 juli 2000 (Geertsema/HTM), J@ 2000-118, NJ 2001, 417, nt. JH, VR 2000, 167, nt. GMvW, geldt voor trams jegens ongemotoriseerde verkeersdeelnemers echter op grond van art. 6:162 wel dezelfde strenge zorgvuldigheidsnorm als die voor bestuurders van een motorrijtuig geldt: zie nr. 1311: Toepassingsgebied. In België heeft het Arbitragehof in 1998 beslist dat de wettelijke uitsluiting van treinen en trams van de vergoedingsplicht van art. 29bis WAM een schending vormt van de art. 10 en 11 van de Grondwet; zie nr. 309.

 

Voorts is voor de toepasselijkheid van art. 185 WVW vereist dat het ongeval plaatsvindt op een voor het verkeer openstaande weg (art. 1 lid 1 sub b WVW). Zie voor situaties waarin dat niet het geval is nr. 1311: Toepassingsgebied.

 

Art. 185 lid 1 WVW vereist dat er sprake is van een verkeersongeval waarbij het motorrijtuig is 'betrokken'. Fysiek contact tussen het motorrijtuig en de ongemotoriseerde verkeersdeelnemer is daarvoor niet vereist. Er kan ook sprake van betrokkenheid zijn in­dien het motorrijtuig stilstaat maar wel aan het verkeer deelneemt of indien het motorrij­tuig hinderlijk is geparkeerd.

 

De aansprakelijke persoon is in beginsel de eigenaar van het motorrijtuig. Dit is anders indien er een houder van het motorrijtuig is; in dat geval rust de aansprakelijkheid op de houder. Op het begrip houder is niet titel 3.5 BW maar art. 1 lid 1 sub n WVW van toepas­sing: alleen de duurzame houder en niet degene die het motorrij­tuig voor korte tijd huurt of leent is houder in de zin van de WVW. Op grond van art. 1 lid 2 WVW wordt degene aan wie het kenteken­bewijs is opgegeven vermoed de eigenaar of houder te zijn.

 

De eigenaar of houder is op grond van art. 185 lid 2 WVW aansprakelijk voor gedragingen van degene door wie hij het motorrijtuig doet of laat rijden. Daarvan is niet alleen sprake indien de eigenaar of houder een ander toestemming geeft om te rijden maar ook indien de eigenaar of houder onvoldoende maatregelen heeft genomen teneinde te voorkomen dat een onbevoegde derde met het motorrijtuig gaat rijden (nr. 1313).

 

Art. 185 beschermt niet alle verkeersdeelnemers maar slechts diegenen die zich niet in een motorrijtuig bevinden: wel fietsers en voetgangers maar niet de bestuurder en de passagiers. Bij het bepalen van de scheidslijn tussen beide categorieën was de rechtspraak nog wel eens geneigd de strekking van art. 185 WVW uit het oog te verliezen. Niet de rol van bestuurder of passagier is beslissend maar de mate van kwetsbaarheid. Zo behoort iemand die een sleepkabel aan zijn defecte auto bevestigt als voetganger te worden beschouwd: hij bevindt zich immers in een soortgelijke kwetsbare positie.[38] De Hoge Raad heeft deze lijn gevolgd in HR 25 februari 2000 (Ten Tije/OLM Het Groene Land), NJ 2000, 331, VR 2000, 72, door te overwegen dat de bestuurder van een motorrijtuig niet als een met het motorrijtuig vervoerde persoon in de zin van art. 185 WVW kan worden aangemerkt indien hij het motorrijtuig heeft verlaten, ook als dit verlaten van het motorrijtuig rechtstreeks verband houdt met de wijze waarop hij het voertuig heeft bestuurd en weer zou gaan besturen. Het enkele feit dat de inzitternde het motorvoertuig heeft verlaten, is dus voldoende om onder de bescherming van art. 185 te vallen.

 

Schade aan loslopende dieren komt op grond van art. 185 WVW niet voor vergoeding in aanmerking, schade aan aangelijnde dieren en wegmeubilair wel.

 

37. Zie over de parlementaire geschiedenis van art. 25 MRW Ekering, Motorrijtuig en aansprakelijk­heid naar Nederlands burgerlijk recht (1941), p. 27 e.v. en over de laatste wijziging A.J.O. baron Van Wassenaer van Catwijck, Artikel 185 WVW 1994, het nieuwe artikel 31 WVW, VR 1995, p. 197-198.

38. Ten onrechte anders Hof Leeuwarden 28 januari 1998, (Tolsma/FBTO), NJ 1998, 790.

 

Naar boven    Inhoud      Home