________________________________________
13
AANSPRAKELIJKHEID VOOR ROERENDE ZAKEN
13.5 Motorrijtuigen
Sinds
1924 rust in Nederland op de eigenaar of houder van een motorrijtuig een
verscherpte aansprakelijkheid. Deze thans
in art. 185 WVW opgenomen regeling heeft echter een
beperkte strekking: in beginsel worden alleen ongemotoriseerde
verkeersdeelnemers erdoor beschermd. Ongevallen buiten de openbare weg vallen
niet onder reikwijdte van deze bepaling.
Voor
de toepasselijkheid van art. 185 WVW is vereist dat er op een voor het verkeer
openstaande weg een ongeval plaatsvindt waarbij een motorrijtuig is betrokken
en waardoor schade wordt toegebracht aan fietsers, voetgangers of
wegmeubilair. Is dat het geval, dan is de eigenaar of houder van het
motorrijtuig aansprakelijk, tenzij hij overmacht aannemelijk maakt. Deze
bepaling is een nazaat van het in 1924 ingevoerde art. 25 Motor- en Rijwielwet.
Na lange tijd als art. 31 WVW door het leven te zijn gegaan is de bepaling in
1994 vernummerd tot art. 185 en daarbij redactioneel aangepast.[37]
Onder een
motorrijtuig worden alle gemotoriseerde voertuigen begrepen met uitzondering
van railvoertuigen zoals treinenen trams (art. 1 lid 1 sub c WVW).
Trolleybussen en bromfietsen zijn derhalve motorrijtuigen, treinen en trams niet. Ingevolge HR 14 juli
2000 (Geertsema/HTM), J@ 2000-118, NJ 2001, 417, nt. JH, VR
2000, 167, nt. GMvW, geldt voor trams jegens ongemotoriseerde
verkeersdeelnemers echter op grond van art. 6:162 wel dezelfde strenge
zorgvuldigheidsnorm als die voor bestuurders van een motorrijtuig geldt: zie nr.
1311: Toepassingsgebied. In België heeft het Arbitragehof in
1998 beslist dat de wettelijke uitsluiting van treinen en trams van de
vergoedingsplicht van art. 29bis WAM een schending vormt van de art. 10 en 11
van de Grondwet; zie nr. 309.
Voorts is voor de
toepasselijkheid van art. 185 WVW vereist dat het ongeval plaatsvindt op een
voor het verkeer openstaande weg (art. 1 lid 1 sub b WVW). Zie voor situaties
waarin dat niet het geval is nr. 1311:
Toepassingsgebied.
Art.
185 lid 1 WVW vereist dat er sprake is van een verkeersongeval waarbij het
motorrijtuig is 'betrokken'. Fysiek contact tussen het motorrijtuig en de
ongemotoriseerde verkeersdeelnemer is daarvoor niet vereist. Er kan ook sprake
van betrokkenheid zijn indien het motorrijtuig stilstaat maar wel aan het
verkeer deelneemt of indien het motorrijtuig hinderlijk is geparkeerd.
De
aansprakelijke persoon is in beginsel de eigenaar van het motorrijtuig. Dit is anders
indien er een houder van het motorrijtuig is; in dat geval rust de
aansprakelijkheid op de houder. Op het begrip houder is niet titel 3.5 BW maar
art. 1 lid 1 sub n WVW van toepassing: alleen de duurzame houder en niet
degene die het motorrijtuig voor korte tijd huurt of leent is houder in de zin
van de WVW. Op grond van art. 1 lid 2 WVW wordt degene aan wie het kentekenbewijs
is opgegeven vermoed de eigenaar of houder te zijn.
De
eigenaar of houder is op grond van art. 185 lid 2 WVW aansprakelijk voor
gedragingen van degene door wie hij het motorrijtuig doet of laat rijden.
Daarvan is niet alleen sprake indien de eigenaar of houder een ander
toestemming geeft om te rijden maar ook indien de eigenaar of houder
onvoldoende maatregelen heeft genomen teneinde te voorkomen dat een onbevoegde
derde met het motorrijtuig gaat rijden (nr. 1313).
Art. 185
beschermt niet alle verkeersdeelnemers maar slechts diegenen die zich niet in
een motorrijtuig bevinden: wel fietsers en voetgangers maar niet de bestuurder
en de passagiers. Bij het bepalen van de scheidslijn tussen beide categorieën was de rechtspraak nog
wel eens geneigd de strekking van art. 185 WVW uit het oog te verliezen. Niet
de rol van bestuurder of passagier is beslissend maar de mate van kwetsbaarheid.
Zo behoort iemand die een sleepkabel aan zijn defecte auto bevestigt als
voetganger te worden beschouwd: hij bevindt zich immers in een soortgelijke
kwetsbare positie.[38] De Hoge Raad heeft deze lijn gevolgd in HR
25 februari 2000 (Ten Tije/OLM Het Groene Land), NJ 2000, 331, VR
2000, 72, door te overwegen dat de bestuurder van een motorrijtuig niet als een
met het motorrijtuig vervoerde persoon in de zin van art. 185 WVW kan worden
aangemerkt indien hij het motorrijtuig heeft verlaten, ook als dit verlaten van
het motorrijtuig rechtstreeks verband houdt met de wijze waarop hij het
voertuig heeft bestuurd en weer zou gaan besturen. Het enkele feit dat de
inzitternde het motorvoertuig heeft verlaten, is dus voldoende om onder de
bescherming van art. 185 te vallen.
Schade aan loslopende dieren komt op grond van
art. 185 WVW niet voor vergoeding in aanmerking, schade aan aangelijnde dieren
en wegmeubilair wel.
37. Zie over de parlementaire
geschiedenis van art. 25 MRW Ekering, Motorrijtuig en aansprakelijkheid naar
Nederlands burgerlijk recht (1941), p. 27 e.v. en over de laatste wijziging
A.J.O. baron Van Wassenaer van Catwijck, Artikel 185 WVW 1994, het nieuwe
artikel 31 WVW, VR 1995, p. 197-198.
38. Ten onrechte anders Hof Leeuwarden
28 januari 1998, (Tolsma/FBTO), NJ 1998, 790.