AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT
- C.C. van Dam
________________________________________
13 AANSPRAKELIJKHEID VOOR
ROERENDE ZAKEN
13.4 Producten
1306a Foutaansprakelijkheid
a In veel gevallen kan schade door een gebrekkig product niet worden
verhaald via art. 6:185 e.v. maar slechts op grond van art. 6:162.
b Is er personenschade veroorzaakt door
een gebrekkig product en zijn de art. 6:185 e.v. niet van toepassing, dan is
voor onrechtmatigheid beslissend of het product gebrekkig was in de zin van
art. 6:186.
c Buiten deze gevallen van personenschade
geldt als norm dat een producent onrechtmatig handelt indien hij een product in
het verkeer brengt dat bij normaal gebruik voor het doel waarvoor het bestemd
was schade veroorzaakt.
d Deze onrechtmatigheidsnorm geldt ook
voor producenten van halffabrikaten.
e Voor leveranciers geldt deze norm
echter in beginsel niet.
a In veel gevallen kan
schade door een gebrekkig product niet worden verhaald via de art. 6:185 e.v.
maar slechts op grond van art. 6:162. Dit is in de eerste plaats het geval
indien het product in het verkeer is gebracht vóór de inwerkingtreding van de
richtlijn (zie nr. 1306:
Risico-aansprakelijkheid: artikelen 6:185 e.v. BW). Ten tweede zijn de
bepalingen niet van toepassing indien de personenschade of privé-zaakschade
zich openbaart nadat het vorderingsrecht is verjaard op grond van art. 6:191
lid 1 of nadat de vervaltermijn van art. 6:191 lid 2 is verstreken. Voorts kan
de verzekeraar die personenschade of privé-zaakschade van de benadeelde heeft
vergoed en verhaal wil nemen op de aansprakelijke producent zich ingevolge art.
6:197 (Tijdelijke Regeling Verhaalsrechten) niet beroepen op de art. 6:185 e.v.
In de vierde plaats was de richtlijn in Nederland aanvankelijk niet van
toepassing op onbewerkte landbouwproducten en producten van de jacht; deze
beperking is echter komen te vervallen voor dergelijke producten die na 4
december 2000 in het verkeer zijn gebracht; zie nr. 1306:
Risico-aansprakelijkheid: artikelen 6:185 e.v. BW). En tenslotte komen
zaakschade in de beroeps- of bedrijfssfeer en zuivere vermogensschade (ook die
in de privé-sfeer wordt geleden) niet op basis van de art. 6:185 e.v. voor
vergoeding in aanmerking. In al deze gevallen moet de vordering tot
schadevergoeding worden gebaseerd op art. 6:162 BW. (↑)
b Is er
personenschade veroorzaakt door een gebrekkig product en zijn de art. 6:185
e.v. daarop niet van toepassing, dan is voor de onrechtmatigheid beslissend of
het product gebrekkig was in de zin van art. 6:186.[J. Spier e.a.,
Verbintenissen uit de wet en schadevergoeding, 2000, p. 133-134]. Dit volgt onder
meer uit het Halcion-arrest. Halcion was een geregistreerd slaapmiddel dat door
fabrikant Upjohn in het verkeer werd gebracht. De gebruikers van Halcion bleken
bij een te hoge dosering of frequentie ernstige bijwerkingen te ondervinden,
zoals zelfmoordneigingen, depersonalisatie en panische angsten. Als norm voor
de onrechtmatigheid nam het Hof de definitie van het gebrekkige product uit de
richtlijn over: onrechtmatig is het in het verkeer brengen van een product dat
niet de veiligheid biedt die men daarvan mag verwachten. Bij dit laatste moet
rekening worden gehouden met het risico dat patiënten de hun voorgeschreven
doses slaapmiddelen onder bepaalde omstandigheden in verhoogde mate zullen
innemen, tenzij zij nadrukkelijk voor de daarmee samenhangende gevaren zijn
gewaarschuwd. Met andere woorden: de producent moet ten aanzien van consumenten
rekening houden met een zekere mate van onjuist gebruik van het product [HR 30
juni 1989 (Halcion), NJ 1990, 652, nt. CJHB; zie ook reeds HR 2 februari 1973
(Lekkende kruik I), NJ 1973, 315, nt. HB, waarover nr. 822 en nr. 1306:
Risico-aansprakelijkheid: artikelen 6:185 e.v. BW; zie ook 823.] (↑)
c Buiten deze
gevallen van personenschade geldt als norm dat een producent onrechtmatig
handelt indien hij een product in het verkeer brengt dat bij normaal gebruik
voor het doel waarvoor het bestemd was schade veroorzaakt.[HR 6 december
1996 (Du Pont/Hermans), NJ 1997, 219.] Hermans was eigenaar van een
rozenkwekerij en kocht in 1982 een aantal containers Vydate L, een middel tegen
parasieten. Dit middel was door Du Pont in het verkeer gebracht, maar was
verontreinigd met Hexazinon, een onkruidverdelger. In de loop van 1982 stierf
een groot deel van de rozenstruiken volledig af of werd ernstig aangetast.
Hermans vorderde schadevergoeding. De Hoge Raad oordeelde, dat ook naar het in
1982 geldende recht onrechtmatig is om een product in het verkeer te brengen dat
bij normaal gebruik voor het doel waarvoor het bestemd was, schade veroorzaakt
als hier aan de orde is (r.o. 3.5).
Het Du Pont/Hermans-criterium wijkt iets af van het
richtlijncriterium. Op grond van de richtlijn moet de producent rekening houden
met een zekere mate van onjuist gebruik door de consument, terwijl de producent
op grond van Du Pont/Hermans jegens de ondernemer het verweer kan voeren dat
deze het product niet op normale wijze heeft gebruikt. In beide gevallen gaat
het om het redelijkerwijs te verwachten gebruik van het product (art. 6:186 lid
1 sub b). Heeft de ondernemer het product niet op normale wijze gebruikt, dan
is de onrechtmatige gedraging van de producent niet gegeven met het het in het
verkeer brengen van het gebrekkige product. Het verschil met de richtlijn is
beperkt, omdat de producent onrechtmatig handelt indien hij met dit ‘niet
normale’ gebruik rekening had behoren te houden (en het gedrag in zoverre dus
‘normaal’ is; zie nr. 822-823). Een producent die zich op ondernemers richt,
behoeft in beginsel echter met minder variaties in gedrag rekening te houden
dan de producent die weet dat de gebruikers van zijn product consumenten zijn.
In Duitsland en Frankrijk maakt de rechtspraak geen onderscheid en geldt ook
jegens ondernemers het gebrekscriterium uit de richtlijn.[J.M. Barendrecht en J.H. Duyvensz,
Productenaansprakelijkheid tegenover niet-consumenten, WPNR 6390 (2000), p.
121.] (↑)
d De norm uit Du Pont/Hermans is ook van toepassing
op producenten van halffabrikaten.[HR 22 oktober 1999 (Koolhaas/Rockwool), NJ
2000, 159.] Rockwool produceerde steenwol, die zij onder andere leverde aan
potgrondfabrikanten. Deze pasten steenwol toe om de structuur van potgrond te
verbeteren; ze leverde de door hen gefabriceerde potgrond aan telers onder wie
Koolhaas. Nadat Rockwool de samenstelling van de steenwol had veranderd, leed
Koolhaas schade aan zijn yucca’s. Hij vorderde schadevergoeding van Rockwool,
stellende dat de zogenaamde zeswol die was toegevoegd aan de potgrond
ongeschikt was voor de teelt van yucca’s. De Hoge Raad besliste, dat in
beginsel ook degene die een halffabrikaat in het verkeer brengt ervoor
verantwoordelijk is dat dit halffabrikaat bij normaal gebruik voor het doel
waarvoor het bestemd is, geen schade veroorzaakt. Indien bij normaal gebruik
wel schade optrad, handelde Rockwool onrechtmatig jegens de gebruikers van het
product. (↑)
e Voor leveranciers, dat wil zeggen voor schakels in de keten tussen producent
en eindgebruiker, geldt de norm uit Du Pont/Hermans in beginsel niet.[HR 22 september
2000 (Vladeko/VSCI), J@ 2000-147, NJ
2000, 644]. VSCI kocht plasmapoeder van Protemo en verkocht dit door aan
Vladeko, die het gebruikte voor de productie van soepballetjes die werden
verwerkt in soepconserven; de afnemers klaagden over onaanvaardbare
smaakafwijkingen. De producent van het plasmapoeder, Protemo, bleek niet te
traceren en VSCI werd voor de geleden schade aansprakelijk gesteld. Het Hof
oordeelde, dat de Du Pont/Hermans-regel toepassing miste, omdat VSCI niet de
producent van het plasmapoeder was, noch aan de producent gelijk kon worden
gesteld. Volgens de Hoge Raad gaf dit geen blijk van een onjuiste
rechtsopvatting (r.o. 3.5). Het ligt in de rede om aan te nemen dat een
leverancier wèl gelijk kan worden gesteld met een producent indien hij zich, in
de woorden van art. 6:187 lid 2, ‘als producent presenteert door zijn naam,
zijn merk of een ander onderscheidingsteken op het produkt aan te brengen.’ In
het verlengde hiervan is het niet uitgesloten dat de Du Pont/Hermans-regel ook
kan gelden voor de importeur van een product.
Hoewel
de Du Pont/Hermans-regel in beginsel dus niet geldt voor de tussenhandelaar,
rust op hem in beginsel wel een onderzoeksplicht met betrekking tot de
producten die hij (verder) in het verkeer brengt. Hof 's-Hertogenbosch 14
januari 1997 (Aerts/Helm), A&V 1997, p. 158, achtte een importeur
aansprakelijk op grond van het onvoldoende controleren van producten; daarbij
speelde een rol dat de importeur in casu wist dat het ging om een product van
Russische makelij. [Zie ook Barendrecht en Duyvensz, WPNR 6390 (2000), p. 120.]
Met dank aan Lex Oosterling, student-assistent bij de afdeling
privaatrecht van de Vrije Universiteit Amsterdam.
Naar boven Inhoud Home