AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

__________________________________

 

13           AANSPRAKELIJKHEID VOOR ROERENDE ZAKEN

 

13.4  Producten

 

1306 Risico-aansprakelijkheid (artikelen 6:185 e.v. BW)

 

Op grond van afdeling 6.3.3 is de producent aansprakelijk voor de schade die is veroorzaakt door een gebrek in zijn product. Deze regeling vormt geharmoniseerd Europees recht. Ingevolge art. 6:162 rust op de producent voorts de verplichting om zijn producten in het verkeer te volgen en bij mogelijke risico’s zonodig terug te roepen.

 

Afdeling 6.3.3 is gebaseerd op de Europese richtlijn produktenaansprakelijkheid van 25 juli 1985.[24] De richtlijn had op 30 juli 1988 moeten zijn geïmplementeerd maar de BW-regeling trad pas op 1 november 1990 in werking. Op grond van art. 17 van de Richtlijn had de regeling op 30 juli 1988 in werking moeten treden maar dit gebeurde pas op 1 november 1990; zie Stb. 1990, 487. Het is zeer wel verdedigbaar dat de richtlijn voldoet aan de vereisten voor directe werking en derhalve moet worden toegepast op producten die na 29 juli 1988 in het verkeer zijn gebracht.[Aldus ook L. Dommering-van Rongen, Productaansprakelijkheid, 2000, p. 12.] Zie over de Europeesrechtelijke aansprakelijkheid van de Staat voor het niet tijdig implementeren van een richtlijn nr. 606.

 

Van een volledig Europese regeling is geen sprake, omdat een aantal onderdelen door het nationale recht worden bepaald. Dit geldt bijvoorbeeld voor de kring van gerechtig­den bij immateriële schade; naar Neder­lands recht zijn hierop de art. 6:106-108 van toepassing. Uiteraard is het wenselijk dat het Hof van Justitie op dit punt tot verdergaande harmonisering komt.[25] De kans daarop is echter niet erg groot, gezien de terughoudende wijze waarop het Hof richtlijnen uitlegt die de fundamenten van het gemeenschapsrecht niet raken.[26] Voor het toepasselijke recht op grensoverschrijdende ongevallen met produkten blijft het Haags Produktenaansprakelijkheidsverdrag (Hague Convention of 2 October 1973 on the Law Applicable to Products Liability) derhalve van belang.

 

Art. 6:173 lid 2 geeft bijzondere regels voor gevallen waarin zowel art. 6:173 (risico-aansprake­lijkheid voor gebrekkige roerende zaken) als art. 6:185 e.v. van toepassing zijn (nr. 1314).

 

De hoofdregel van art. 6:185 bepaalt dat de producent aansprakelijk is voor de schade die is veroorzaakt door een gebrek in zijn produkt. De begrippen produkt en produ­cent wor­den in art. 6:187 omschreven. Een belangrijke beperking is, dat afdeling 6.3.3 slechts van toepas­sing is, indien er vergoe­ding van personenscha­de of privé-zaakschade wordt gevorderd (art. 6:190). Voorts is de regeling niet van toepassing op landbouwpro­dukten en produk­ten van de jacht (art. 6:187 lid 1) maar deze bepaling zal naar verluidt binnen afzienbare tijd vervallen. Afdeling 6.3.3 is op grond van art. 6:197 niet van toepassing op de vorde­ring van een verhaalnemende verzekeraar jegens de produ­cent.[27]

 

Art. 6:186 bepaalt wanneer er sprake is van een gebrek: dat is het geval indien het produkt niet de veiligheid biedt die men daarvan mag verwachten. Dit gebrek-begrip komt grotendeels overeen met dat bij de art. 6:173 (roerende zaken) en 6:174 (opstallen).

 

Voor het vaststellen van de gebrekkigheid is in de eerste plaats de presentatie van het pro­dukt van belang (art. 6:186 lid 1 sub a). Hierbij kan niet alleen worden gedacht aan reclame-uitingen maar ook aan waarschu­wingen in een gebruiksaan­wijzing of een bijslui­ter. In het algemeen zijn waar­schuwin­gen ontoerei­kend indien een veiliger produkt zon­der financiële bezwaren mogelijk is en de aard van het produkt zich daar niet tegen verzet (nr. 811).

 

Bij het vaststellen van het gebrek is ook het redelijkerwijs te verwachten gebruik van het produkt relevant (art. 6:186 lid 1 sub b). In het algemeen geldt hier, dat in zekere mate rekening moet worden gehouden met fou­ten van gebruikers (zie ook nr. 822). Met andere woorden: de produ­cent mag er niet op rekenen, dat de gebruiker steeds alle voorzorgsmaatregelen in acht zal nemen.[28] Indien is vastgesteld dat er sprake is van een gebrek, is er vervolgens in beginsel een beroep op eigen schuld van de benadeelde mogelijk (art. 6:185 lid 2).[29]

 

De gebrekkigheid van een produkt moet worden beoordeeld aan de hand van de veiligheidseisen die bestonden op het tijdstip waarop het produkt in het verkeer werd ge­bracht. Het enkele feit dat deze eisen later worden aangescherpt, of dat nadien een beter produkt in het verkeer is gebracht levert nog geen gebrekkigheid op.[30] Het beoorde­lings­tijdstip is hier dus, anders dan bij de onrechtmatigheid, niet het moment vlak voor de verwezenlijking van het risico (nr. 806 en nr. 903) maar het moment van het in het verkeer brengen van het produkt.

 

De producent is niet aansprakelijk, indien het aannemelijk is dat het gebrek dat de schade heeft veroorzaakt niet bestond op het tijdstip waarop hij het produkt in het ver­keer heeft gebracht, dan wel dat dit gebrek later is ontstaan (art. 6:185 lid 1 sub b). Hier valt met name te denken aan gebreken als gevolg van normale slijtage.[31]

 

De bewijslast voor de aanwezigheid van een gebrek rust in beginsel op de benadeel­de (art. 6:188). De rechter kan hem daarin echter tegemoetkomen, zoals hij onder het oude recht bij­voorbeeld al deed in het Leebeek/Vrumona-arrest.[32] Op de produ­cent rusten stelplicht en bewijslast met betrekking tot de omstandig­heid dat het gebrek nog niet bestond op het moment van in het verkeer brengen.

 

In beginsel is niet vereist, dat het gebrek voor de producent kenbaar was. Een uitzonderlijke uitzondering daarop bestaat in het geval dat het op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop het produkt in het verkeer werd gebracht, onmogelijk was het bestaan van het gebrek te ontdekken (art. 6:185 lid 1 sub e). Omdat dit verweermiddel betrekking heeft op een gebrek in de ontwikkeling van het produkt wordt ook wel gesproken over het ontwikkelingsrisicoverweer. Uit het woord 'onmogelijk' wordt een restrictieve interpretatie afgeleid, die verder gaat dan wat bij foutaansprakelijkheid geldt (nr. 907).[33] Aldus uitdrukkelijk het Duitse Bundesgerichtshof in 1995: zie nr. 419: Risico-aansprakelijkheid (Gefährdungshaftung). Het Hof van Justitie lijkt echter ruimte te laten voor een iets minder restrictieve lezing.[34], door in HvJEG 29 mei 1997 (Commissie/Verenigd Koninkrijk), te overwegen dat producent weliswaar moet aantonen, dat het op grond van de objectieve stand van genoemde kennis zonder meer, daaronder begrepen het meest geavanceerde niveau en niet beperkt tot de betrokken industriesector, onmogelijk was het gebrek te ontdekken, doch om deze kennis met succes aan de producent te kunnen tegenwerpen, moet zij wel toegankelijk zijn geweest op het tijdstip waarop het product in het verkeer werd gebracht. Een nationale omzettingsbepaling, zoals in het Verenigd Koninkrijk, volgens welke de producent zich van zijn aansprakelijkheid kan bevrijden indien hij bewijst, dat bij de stand van bedoelde kennis "van een producent van soortgelijke producten als het product in kwestie niet kon worden verwacht dat hij het gebrek zou hebben ontdekt indien het bestond toen de producten zich in zijn macht bevonden", is kennelijk niet in strijd met dit gemeenschapsvoorschrift. Het argument van de Commissie dat bij genoemde bepaling kan worden uitgegaan van de subjectieve kennis die een normaal zorgvuldige producent bezit, rekening houdend met de gebruikelijke voorzichtigheid in de betrokken industriesector, legt immers op selectieve wijze de nadruk op bepaalde woorden in de bepaling, zonder dat de Commissie aantoont dat volledige uitvoering van de richtlijn niet doeltreffend kan worden gewaarborgd door de algemene juridische context van de bepaling.

 

HvJEG 10 mei 2001 (Veedfalds/Arhus Amtskommune), C-203/99, VR 2001, 111, nt. CCvD, bevat een belangrijke maar niet verrassende uitleg van een aantal bepalingen van de richtlijn. Veedfalds, een nierpatiënt, zou een niertransplantatie ondergaan. Toen de nier was verwijderd bij de donor, de broer van de patiënt, werd de nier gespoeld met een daarvoor in het ziekenhuis gemaakte vloeistof. Deze vertoonde echter gebreken, zodat de nier ongeschikt werd voor transplantatie. De patiënt stelde het ziekenhuis aansprakelijk. De Deense Højesteret stelde uitlegvragen, die het Europese Hof als volgt beantwoordde:

 

(a)  De uitzondering van art. 6:185 lid 1 sub a (de producent heeft het product niet in het verkeer gebracht) ziet met name op gevallen waarin een ander dan de producent het product uit het productieproces wegneemt of indien het product tegen de wil van de producent wordt gebruikt. Deze uitzondering moet volgens het Hof eng worden uitgelegd (r.o. 15). Volgens het Hof is een product ook in het verkeer gebracht, als het het ziekenhuis waar het is gemaakt niet heeft verlaten en het voor het gebruik van het product kenmerkend is, dat de persoon voor wie het is bestemd zichzelf naar die controlesfeer moet begeven (r.o. 17). Een product is dus in het verkeer gebracht indien de producent het aan derden ter beschikking stelt. De plaats waar dat gebeurt is niet relevant. Dit betekent, dat een product ook in het verkeer is gebracht indien het tijdens een rondleiding aan bezoekers van een fabriek ter beschikking wordt gesteld. Hetzelfde geldt bij praktijkproeven waar proefpersonen de producten daadwerkelijk gebruiken. Zie L. Dommering-van Rongen, Productaansprakelijkheid, 2000, p. 75. Deze aansprakelijkheid wordt onverlet gelaten door de Wet inzake medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen, Stb. 1998, 161; zie voor het inwerkingstredingsbesluit, Stb. 1999, 486. In het verlengde van de uitspraak van het Hof van Justitie kan worden aangenomen, dat een product ook in het verkeer is gebracht indien het is afgegeven aan een vervoerder.

(b)  Dat producten worden vervaardigd voor een bepaalde medische dienstverrichting, die niet rechtstreeks door de patiënt wordt betaald maar wordt bekostigd uit openbare middelen afkomstig van de belastingbetaler, doet niet af aan de economische en beroepsmatige aard van de vervaardiging van die producten. Het betreft immers geen gratis verrichte activiteit die als zodanig onder de uitsluiting van art. 6:185 lid 1 sub c valt. Ziekenhuizen en bloedbanken werken derhalve in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Zie ook Dommering-van Rongen, Productaansprakelijkheid, 2000, p. 78-79, die er op wijst dat een donor geen producent is en dat bloed niet als natuurproduct wordt gewonnen.

(c)  De vaststelling van de precieze inhoud van de beide categorieën schade van art. 6:190 lid 1 (dood of lichamelijk letsel dan wel beschadiging of vernietiging van een privé-zaak) is aan de nationale wetgever is overgelaten. Dit neemt niet weg dat er voor beide categorieën van schade een billijke en volledige vergoeding van de door een gebrekkig product veroorzaakte schade moet worden gewaarborgd. De toepassing van nationale regels mag namelijk geen afbreuk doen aan het nuttig effect van de richtlijn; zie HvJEG 15 mei 1990 (Hagen), C-365/88, Jurispr. P. I-1845, r.o. 20; zie ook nr. 606. Bovendien moet de nationale rechter het nationale recht uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn; zie HvJEG 10 april 1984 (Von Colson en Kamann), 14/83, Jurispr. p. 1891, r.o. 26. Een lidstaat kan dus geen beperkingen stellen aan de te vergoeden categorieën van stoffelijke schade als gevolg van dood, lichamelijk letsel of privé-zaakschade (r.o. 27-29). Deze beslissing kan bij schade door gebrekkige producten gevolgen hebben voor het beperkte Nederlandse stelsel van art. 6:107 BW; zie C.C. van Dam, De ouders van Joost, VR 2001, p. 1-7.

(d)  De vergoeding van onstoffelijke schade wordt uitsluitend door het nationale recht geregeld (art. 9 Richtlijn). Dit is een belangrijke verklaring dat in Duitsland, waar risico-aansprakelijkheid geen recht geeft op smartengeld, de foutaansprakelijkheid de belangrijkste grondslag is voor de vergoeding van schade door gebrekkige producten. Zie Dommering-van Rongen, Productaansprakelijkheid, 2000, p. 140.

 

Uit het Gemeenschappelijk standpunt van de Raad voor een wijziging van de richtlijn produktenaansprakelijkheid bleek in het voorjaar van 1999 het voornemen om het toepassingsgebied van de richtlijn dwingend uit te breiden tot landbouwgrondstoffen en produkten van de jacht.[35] De hiertoe strekkende richtlijn werd vastgesteld op 6 november 1999 (PbEG L 283/20) en was een uitvloeisel van de BSE-crisis. Consumptie van vlees met sporen van deze ‘gekke koeienziekte’ (bovine spongiforme encefalopathie) kan bij de mens de ziekte van Creutzfeld-Jacob veroorzaken. In de oorspronkelijke richtlijn uit 1985 hadden de lidstaten nog de keuze gehad om onbewerkte landbouwprodukten en produkten van jacht buiten de risico-aansprakelijkheid te houden. De meeste landen hadden dat gedaan; uitzonderingen waren Griekenland, Frankrijk, Luxemburg, Finland en Zweden. Op grond van de nieuwe richtlijn dient de exceptie voor landbouw- en jachtprodukten per 4 december 2000 te vervallen. In Nederland is om die reden art. 187 lid 1 vereenvoudigd tot: ‘Onder product wordt voor de toepassing van deze afdeling verstaan een roerende zaak, ook nadat deze een bestanddeel is gaan vormen van een andere roerende of onroerende zaak, alsmede electriciteit.’ Zie Stb. 2000, 493. Zie ook Kamerstukken II, 1999-2000, 27 051, nr. 3 (Memorie van Toelichting). Ongeacht de datum van inwerkingtreding van de Nederlandse wet, dient de rechter de art. 6:185 e.v. toe te passen op alle landbouwproducten en producten van de jacht (bewerkt of onbewerkt), die na de implementatietermijn van 4 december 2000 in het verkeer zijn gebracht; zie nr. 606 en nr. 607: Francovich-jurisprudentie: voorwaarden.

 

Op 28 juli 1999 publiceerde de Europese Commissie het Groenboek inzake wettelijke aansprakelijkheid voor producten met gebreken (COM (1999) 396 def). Daarin stelt zij een groot aantal vragen aan de orde, zoals uitbreiding van de richtlijn tot diensten, omkering van de bewijslast, schrappen van het ontwikkelingsrisicoverweer, verlenging van de verval- en verjaringstermijnen en uitbreiding tot andere soorten schade dan personenschade en privé-zaakschade. De op het Groenboek ontvangen reacties heeft de Commissie verwerkt in het Verslag over de toepassing van Richtlijn 85/374 inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, dat werd gepubliceerd op 31 januari 2001 (COM (2001) 893 def.). De hoofdlijn hiervan is, dat de ervaring met de toepassing van de richtlijn nog altijd beperkt is en dat geen grote problemen met de toepassing van de richtlijn worden geconstateerd. Daarom acht de Commissie het voorbarig om de huidige regeling krachtens Richtlijn 85/374 te wijzigen (p. 30). Wel wordt een groep van experts voor productenaansprakelijkheid ingesteld, om lacunes in de informatie op te vullen en een forum te vormen waar permanent onderwerpen met betrekking tot productenaansprakelijkheid kunnen worden besproken.

 

Voorts wil de Commissie onderzoeken of  op middellange termijn een uniform productaansprakelijkheidsregime kan worden ingevoerd. Daartoe moeten de diverse bestaande initiatieven met betrekking tot het verbintenissenrecht worden onderzocht, ‘… zoals de Commissie-Lando, de European Group on Tort Law en het European Center on Tort and Insurance Law (Europäisches Zentrum für Schadenersatz- und Versicherungsrecht) in Wenen. Deze studie moet de Commissie een volledig overzicht geven van alle toepasselijke productaansprakelijkheidswetten en hun praktische toepassing in alle lidstaten.’ (p. 33).

 

De verantwoordelijkheid van de producent voor het produkt eindigt niet op het moment dat het in het verkeer is gebracht. Hij kan na­melijk gehou­den zijn om produkten die pas na het in het verkeer brengen gebrek­kig wor­den of waar­van het gebrek pas na dat moment bekend wordt, terug te vragen uit de winkels of van de consu­ment (pro­duct recall). In die zin rust op de producent de toezichtplicht om zijn produkten te blijven volgen ook nadat ze in het verkeer zijn gebracht.[36]

 

24. Richtlijn 85/374/EEG, PbEG 7 augustus 1985, L 210/29. Zie in Nederland onder meer Schut, Produktenaansprakelijkheid (1974); Barendrecht, Produktenaansprakelijkheid (1987), p. 19-50; Van Wassenaer van Catwijck, Produktenaansprakelijkheid in Europees verband (1991); Dommering-van Rongen, Produktenaansprakelijkheid (1991); Klaassen, Risico-aansprakelijkheid (1991), p. 154-173; Westerdijk, Produktenaansprakelijkheid voor software (1995).

25. Barendrecht, Produktenaansprakelijkheid (1987), p. 34 e.v.; Van Dam, A survey of the settlements concerning the compensation for immaterial damage in the EC (1990); Van Wassenaer van Cat­wijck, Produktenaansprakelijkheid in Europees verband (1991), p. 47 e.v.; Asser-Hartkamp III (1998), nr 210.

26. Van Gerven, The ECJ Case-law as a Means of Unification of Private Law? (1998), p. 98.

27. Zie hierover terecht kritisch G. van Maanen, Produktaansprakelijkheid in Tijdelijke regeling verhaals­rech­ten. Opname in strijd met Europese richtlijn?, NJB 1992, p. 68.

28. Kamerstukken II, 1985-1986, 19 636, nr 3 (Memorie van Toelichting), p. 9. Zie reeds onder het oude recht HR 2 februari 1973 (Lekkende kruik I), NJ 1973, 315, nt. HB en HR 30 juni 1989 (Halcion), NJ 1990, 652, nt. CJHB. Zie voorts Schut, Produktenaansprakelijkheid (1974), p. 23 e.v.

29. Van Wassenaer van Catwijck, Produktenaansprakelijkheid in Europees verband (1991), p. 64 e.v.

30. Kamerstukken II, 1985-1986, 19 636, nr 3 (Memorie van Toelichting), p. 9-10 en 23.

31. Kamerstukken II, 1987-1988, 19 636, nr 6 (Memorie van Antwoord), p. 17. Asser-Hartkamp III (1998), nr 207.

32. HR 24 december 1993 (Leebeek/Vrumona), NJ 1994, 214, VR 1994, 72, nt. vWvC.

33. Kamerstukken II, 1987-1988, 19 636, nr 6 (Memorie van Antwoord), p. 20.

34. HvJEG 29 mei 1997 (Commissie/Verenigd Koninkrijk), C-300/95, Jur. 1997, p. I-2649, NJ 1998, 522. Zie ook Howells, Product Liability (1998), p. 453-454.

35. PbEG 1999, C 49.

36. Zie in algemene zin Storm, Product Recall (1985) en voorts N.E. Bobbert, Product recall - geen halve maatregel, TvC 1996, p. 5-16.

 

Naar boven    Inhoud      Home