AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

13                       AANSPRAKELIJKHEID VOOR ROERENDE ZAKEN

 

13.3  Dieren

 

1305 Risico-aansprakelijkheid (artikel 6:179 BW)

 

De bezitter van een dier is aanspra­ke­lijk voor de door het dier aangerichte schade, tenzij aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 zou hebben ontbroken, indien hij de gedraging van het dier waardoor de schade werd toegebracht, in zijn macht zou hebben gehad.

 

Ruimschoots voor de invoering van deze bepaling in 1992 anticipeerde de Hoge Raad in het kader van art. 1404 (oud) BW op art. 6:179.[14] Dat gebeurde in 1980 in het bekende Stier­kalf-arrest.[15] De bepaling is dus in feite sinds dat arrest geldend recht, met dien verstan­de dat de aansprakelijke persoon tot 1980 niet de bezitter of de bedrijfsmatige gebruiker was maar de eigenaar of de duurza­me gebruiker.[16] Dankzij deze vroegtijdige anticipatie kun­nen verhaalnemende verzekeraars zich, anders dan bij andere vormen van risico-aanspra­kelijkheid, wel beroepen op art. 6:179. Deze bepaling werd in art. 6:197 niet uitgesloten, omdat zij in 1992 reeds geldend recht was.

 

De risico-aansprakelijkheid van art. 6:179 geldt feitelijk alleen voor schade die wordt toegebracht door tamme dieren, omdat bij wilde dieren geen bezitter zal kun­nen worden aangewezen. Voor weggelopen dieren bestaat geen aansprake­lijk­heid meer indien het be­zit is geëindigd doordat het dier wordt prijsgegeven of wanneer een ander het bezit van het dier verkrijgt (zie art. 3:117). Virussen en bacteriën zijn geen dieren en art. 6:179 is hierop dus niet van toepassing. Deze micro-organismen worden beschouwd als een gevaarlijke stof in de zin van art. 6:175.[17]

 

Volgens de Hoge Raad ligt zowel de grondslag als de be­grenzing van de risico-aanspra­kelijk­heid van art. 6:179 in het gevaar dat schuilt in de eigen energie van het dier en het onberekenbare element dat in die energie ligt opgeslo­ten. Op grond hiervan beslis­te de Hoge Raad dat besmet­tingsschade door dieren op grond van art. 6:179 alleen voor vergoeding in aanmer­king komt, indien de besmetting door de eigen energie van het dier (bijten, krabben) is overgebracht. Is daarvan geen sprake, dan moet art. 6:162 worden toegepast; in dat geval kan aansprakelijkheid afstuiten op het feit dat de ei­genaar van het dier niet op de hoogte was van het feit dat zijn dier aan een besmet­telijke ziekte leed.[18]

 

Uit deze grondslag volgt volgens de Hoge Raad eveneens dat art. 6:179 toepassing mist zolang het dier optreedt overeenkomstig hetgeen de bege­leider van hem verlangt. Automobi­list Zengerle kwam in botsing een koe die deel uitmaakte van een kudde die door boer Blezer over de weg naar een aangrenzen­de weide werd geleid. De auto van Zen­gerle raakte bescha­digd en hij stelde Blezer hiervoor aansprake­lijk. Diens aanspra­kelijkheid op grond van art. 6:179 stuitte echter af op het feit dat de koe hier als instrument handelde van degene die haar begeleidde.[19] Uit het arrest lijkt te moeten worden afgeleid, dat op de benadeelde in beginsel de stelplicht en bewijslast rust van feiten waaruit kan worden afgeleid dat het dier een onverwachte of onberekenbare gedra­ging heeft gemaakt. Het is echter met de strekking en de bewoordin­gen ('tenzij') van art. 6:179 meer in overeenstem­ming, dat de bewijslast voor feiten waaruit kan worden afge­leid dat het dier zuiver 'in­stru­menteel' schade heeft toege­bracht (en art. 6:179 dus toe­passing mist) op de bezitter ligt.[20]

 

Tegenover bovenstaande verzwakking van het karakter van de risico-aansprakelijkheid van art. 6:179 staat dat de bezitter zich niet op overmacht kan beroepen. Als het dier niet doet wat de be­gelei­der wil, is de oorzaak daarvan irrelevant. Of een paard nu op hol slaat doordat het schrikt van de bliksem of doordat het schrikt van een gedraging van een derde, steeds is de bezitter daarvoor aansprake­lijk.[21]

 

Personen aan wie een dier is toevertrouwd (ruiter, jockey, dompteur, hoefsmid, dierenarts) kunnen een bepaald aan het dier verbonden risico accepteren, maar dan is van belang in hoeverre de acceptatie van het verwezenlijke risico in het kader van de onderliggende rechtsverhouding al dan niet stilzwijgend heeft plaatsgevonden (Parl. Gesch. Boek 6, p. 765). In het algemeen dient hier terughoudendheid te worden betracht. Indien partijen geen afstand hebben gedaan van toepasselijkheid van art. 6:179 (c.q. het risico dat door de schadetoebrenging is verwezenlijkt is geaccepteerd) en de bezitter van het dier in beginsel aansprakelijk is voor de schade, dient aan de hand van art. 6:101 te worden nagegaan of de inhoud van de overeenkomst en de verdere omstandigheden van het geval meebrengen dat de schade gedeeltelijk voor rekening van de benadeelde dient te blijven. In het algemeen zal het niet redelijk zijn om reeds het algemene risico dat bijvoorbeeld een dierenarts op grond van zijn beroep loopt op grond van art. 6:101 aan hem toe te rekenen. Dat gebeurt immers ook niet bij (bijvoorbeeld) een voetganger op grond van het algemene risico dat hij in het verkeer loopt. Zie HR 27 april 2001 (Donkers/Scholten), J@ 2001-135, NJ 2002, 54, nt. CJHB, VR 2001, 136 en HR 25 oktober 2002 (Bunink/Nieuw Amstelland), J@ 2002-394, RvdW 2002, 172, waarover nr. 1502: Samenloop.

Is er sprake van hinder door dieren (geblaf, gekraai en stank), dan is art. 6:179 niet van toepassing; dit volgt uit het Bijenspat-arrest. Daarin besliste de Hoge Raad, dat ook bij art. 6:179 de schade door hinder die men heeft te dulden niet voor vergoe­ding in aanmerking komt.[22] Deze beslissing is een toepassing van de ten­zij-for­mule van art. 6:179 en sluit aan bij art. 6:178 sub f: geen aanspra­kelijkheid bestaat krachtens de art. 6:175-177 (gevaarlijke stoffen c.a.) indien het gaat om hinder, verontreiniging of andere gevolgen, ter zake waarvan aansprakelijkheid op grond van afdeling 6.3.1 zou heb­ben ontbroken, zo zij door de aangesprokene bewust zouden zijn veroorzaakt.

 

In alle rechtsstelsels geldt een vorm van risico-aansprakelijkheid voor dieren. In Engeland wordt deze risico-aansprakelijkheid genuanceerd naar de aard (gevaarlijkheid) van het dier (nr. 522). Naar Duits recht geldt de risico-aansprakelijkheid alleen voor de houder van een ‘Luxustier’; op de houder van een ‘Nutztier’ rust een foutaansprakelijk­heid met omgekeerde bewijslast (nr. 418). In Frankrijk, België en Nederland geldt de risico-aansprakelijkheid voor alle dieren, mits er een ‘gardien’, bewaarder of bezitter is aan te wijzen. Anders dan in Neder­land geschiedt de begrenzing van de risico-aansprake­lijk­heid in Frankrijk en België door middel van het over­machtsbegrip (nr. 216: Vereisten en verweren en nr. 310).[23]

 

14. Zie over risico-aansprakelijkheid voor dieren ook Klaassen, Risico-aansprakelijkheid (1991), p. 141-154; Sterk, Verhoogd gevaar in het aansprakelijkheidsrecht (1994), p. 230-237.

15. HR 7 maart 1980 (Stierkalf), NJ 1980, 353, nt. GJS.

16. Asser-Hartkamp III (1998), nr 200.

17. Parl. Gesch. Boek 6, p. 763; Messer, Risico-aansprakelijkheid voor milieu-verontreiniging in het BW (1994), p. 22 e.v.

18. HR 24 februari 1984 (Bardoel/Swinkels), NJ 1984, 415.

19. HR 23 februari 1990 (Zengerle/Blezer), NJ 1990, 365, VR 1991, 114. Zie voorts HR 24 januari 1992 (Kortekaas/Bethlehem), NJ 1992, 302, VR 1992, 132, nt. vWvC.

20. G. van Maanen, Dansende koeien en kamelen op het behang, NTBR 1991, p. 59-60, betoogt dat deze uitleg ook beter aansluit bij de Duitse uitleg van § 833 S. 1 (risico-aansprakelijkheid voor de houder van een ‘Luxustier’). Zie ook nr. 418.

21. Asser-Hartkamp III (1998), nr 199. Zie ook HR 21 oktober 1988 (Circusezel), NJ 1989, 729, nt. CJHB, VR 1991, 24, nt. vWvC, waarover nr. 816.

22. HR 28 april 1995 (Bijenspat), NJ 1995, 513, waarover nr. 1216.

23. Zie ook R. Overeem, Aansprakelijkheid voor dieren in binnen- en buitenland, VR 1988, p. 451-457.

 

Naar boven    Inhoud      Home