__________________________________
13
AANSPRAKELIJKHEID VOOR ROERENDE ZAKEN
13.2 Gevaarlijke
stoffen
1303 Risico-aansprakelijkheid (artikel 6:175 BW)
Art.
6:175 BW vestigt een risico-aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen. Dit
zijn stoffen waarvan bekend is dat zij zodanige eigenschappen hebben, dat zij
een bijzonder gevaar van ernstige aard voor personen of zaken opleveren.
De
art. 6:175-178 zijn bij wet van 30 november 1994, Stb. 846, in werking getreden
op 1 februari 1995.[5] Op grond van de art. 6:176 en 6:177 gelden strenge
vormen van risico-aansprakelijkheid voor exploitanten van stortplaatsen en boorgaten
(nr. 1202).
De
risico-aansprakelijkheid van art. 6:175 heeft betrekking op schade die is
veroorzaakt door een gevaarlijke stof. Een stof zal in veel gevallen tevens
een roerende zaak zijn. Dit is echter niet noodzakelijk, omdat een stof niet
voor menselijke beheersing vatbaar behoeft te zijn. Ook kan zij een bestanddeel
zijn in de zin van art. 3:4.[6]
Gevaarlijke
stoffen zijn stoffen die zodanige eigenschappen hebben, dat zij een bijzonder
gevaar van ernstige aard voor personen of zaken opleveren. Als bijzonder gevaar
van ernstige aard geldt in elk geval dat de stof ontplofbaar, oxyderend,
ontvlambaar, licht ontvlambaar of zeer licht ontvlambaar, dan wel vergiftig of
zeer vergiftig is volgens de criteria en methoden, vastgesteld krachtens artikel
34, derde lid, Wet milieugevaarlijke stoffen. Daarin worden bijvoorbeeld als
(zeer) vergiftig omschreven de stoffen die door inademing of door binnendringen
via de mond of door de huid (zeer) ernstige acute of chronische gevaren en
zelfs de dood kunnen veroorzaken.[7]
Voorts
is vereist dat het gevaar van de stof bekend is. Aan dit vereiste zal iets
eerder voldaan zijn dan aan het ontwikkelingsrisico-verweer uit de regeling van
de produktenaansprakelijkheid (nr. 1306:
Risico-aansprakelijkheid). Het
bekendheidsvereiste van art. 6:175 sluit uit dat aansprakelijkheid wordt
aangenomen ter zake van stoffen waarvan de gevaarlijkheid in het algemeen
gesproken nog niet aan het licht is gekomen 'in de kring van hen die in het
maatschappelijk verkeer met de betreffende stof te maken hebben'.[8] Het gaat
er niet om of het feit binnen een bepaalde kring algemeen bekend is maar of de
kennis binnen een bepaalde kring aanwezig is.
De
aansprakelijkheid rust op degene die de stof gebruikt in de uitoefening van
zijn beroep of bedrijf. In dit opzicht wijkt art. 6:175 af van het stelsel van
afdeling 6.3.2, waarin de risico-aansprakelijkheid voor zaken in beginsel op
de bezitter rust en, indien er sprake is van een bedrijfsmatige gebruiker, op
laatstgenoemde (art. 6:181 lid 1). Het gevolg hiervan is, dat de
aansprakelijkheid van een particulier dient te worden gebaseerd op art. 6:162
(nr. 1304). De leden 2-5 van art. 6:175 geven aan dat de aansprakelijkheid ook
kan rusten op de bewaarder, de vervoerder, de stuwadoor of de storter.[9]
De
risico-aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen wordt, evenals die voor
stortplaatsen en boorgaten (art. 6:176-177), begrensd door art. 6:178. Dit
artikel bepaalt, dat geen aansprakelijkheid bestaat indien de schade is
ontstaan door (a) een gewapend conflict, onlusten of muiterij (deels
uitgesloten in verzekeringspolissen - onlusten en molest echter niet); (b)
extreem natuurgeweld (geldt niet bij art. 6:177), (c) het voldoen aan een dwingend
bevel of voorschrift van de overheid, (d) een handeling met de gevaarlijke
stof in het belang van de benadeelde zelf, (e) schade veroorzaakt uitsluitend
door een handelen of nalaten van een derde, geschied met het opzet schade te
veroorzaken; (f) hinder, verontreiniging of andere gevolgen, ter zake waarvan
aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 zou hebben ontbroken, indien zij door
de aangesprokene bewust zouden zijn veroorzaakt. In deze gevallen is de
risico-aansprakelijkheid van art. 6:175-177 niet van toepassing. Zie over
hinder nr. 1214-1218. Zie over de op art. 6:162 gebaseerde verplichting om
criminele gedragingen met een gevaarlijke stof door derden te voorkomen (sub
e), nr. 1317.
Vormen
van risico-aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen zijn in de andere landen
niet als zodanig bekend. Feitelijk vertonen de Duitse regels van
risico-aansprakelijkheid op het gebied van de milieuschade (het
Umwelthaftungsgesetz en het Wasserhaushaltsgesetz) de meeste verwantschap met
de Nederlandse regeling, al is de structuur daar anders: het aanknopingspunt
vormt daar niet de gevaarlijke stof maar de in de bijlage bij de wet opgesomde
‘Anlagen’ (inrichtingen). In Frankrijk zal schade door gevaarlijke stoffen
veelal vallen binnen de reikwijdte van art. 1384 al. 1 CC, zodat ook daar in
dat soort gevallen een strenge risico-aansprakelijkheid geldt (nr. 216: Vereisten en
verweren).[10]
5. Spier en Sterk, Aansprakelijkheid
voor gevaarlijke stoffen (1995); Braams, Buiten-contractuele aansprakelijkheid
voor gevaarlijke stoffen (1989), p. 425-483; Klaassen, Risico-aansprakelijkheid
(1991), p. 121-141; Kottenhagen-Edzes, Onrechtmatige daad en milieu (1992), p.
188 e.v.; Messer, Risico-aansprakelijkheid voor milieuverontreiniging in het
BW (1994), p. 7 e.v.; Bauw, Buiten-contractuele aansprakelijkheid voor
bodemverontreiniging (1994), p. 181 e.v.; Sterk, Verhoogd gevaar in het
aansprakelijkheidsrecht (1994), p. 202-218.
6. Kamerstukken II, 21 202,
1988-1989, nr 3 (Memorie van Toelichting), p. 13.
7. Kamerstukken II, 21 202,
1988-1989, nr 3 (Memorie van Toelichting), p. 41.
8. Kamerstukken II, 21 202, 1988-1989,
nr 3 (Memorie van Toelichting), p. 42 en Kamerstukken II, 21 202,
1990-1991, nr 6 (Memorie van Antwoord), p. 15.
9. Kamerstukken II, 21 202,
1988-1989, nr 3 (Memorie van Toelichting), p. 8 e.v.
10. Zie voor meer rechtsvergelijkende
gegevens Braams, Buiten-contractuele aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen
(1989), p. 52 e.v. 238 e.v.; Messer, Risico-aansprakelijkheid voor milieuverontreiniging
in het BW (1994), p. 139 e.v.; Sterk, Verhoogd gevaar in het
aansprakelijkheidsrecht (1994), p. 5 e.v. en 135 e.v.