AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

13     AANSPRAKELIJKHEID VOOR ROERENDE ZAKEN

 

13.1  Inleiding

 

1302 Belang van artikel 6:162; toezichthouder als aansprakelijke persoon

 

Een ac­tie uit art. 6:162 is van belang indien geen regel van risico-aansprake­lijkheid van toepassing is of indien de aansprakelijke persoon geen verhaal biedt. Toezichthou­der is degene die zeg­gen­schap over de roerende zaak heeft en die over de mogelijk­heden beschikt om de risico's van de zaak te voorko­men, op te heffen of te beperken.

 

Indien geen regel van risico-aansprakelijkheid van toepassing is, dient de benadeelde zijn toevlucht te nemen tot een actie uit onrechtmatige daad. Ondanks de uitbreiding van het aantal vormen van risico-aansprakelijkheid, blijft het belang van de foutaansprakelijkheid ook bij roerende zaken duidelijk aanwezig.

 

Dit is bijvoorbeeld het geval bij de aansprakelijkheid voor niet gebrekkige zaken (vgl. art. 6:173), de aansprakelijkheid van particulieren voor gevaarlijke stoffen (vgl. art. 6:175) en de aansprakelijkheid voor schade door motorrijtuigen jegens anderen dan voet­gangers of fietsers (vgl. art. 185 WVW). In de volgende paragrafen komen deze gevallen nader aan de orde.

 

Voor de benadeel­de kan het belang van een actie uit onrechtmatige daad ook liggen in het feit dat degene op wie de risico-aansprakelijkheid rust geen of onvoldoen­de verhaal biedt. Dat kan het geval zijn omdat hij niet over een aansprakelijkheidsverzekering be­schikt of omdat deze verzekering onvoldoende of in het geheel niet uitkeert, zoals bij een te lage verzekerde som, bij ver­zwij­ging of bij een vorm van ‘claims made’-dekking.[2]

 

De verzekeraars van de benadeelde hebben belang bij art. 6:162, omdat zij bij hun regres op de aansprakelijke persoon geen be­roep kunnen doen op de art. 6:173 en 6:185 e.v. in verband met het bepaalde in art. 6:197 (Tijdelij­ke regeling verhaalsrechten).  Alleen degene die zelf personen- of zaakschade lijdt kan op deze be­paling een beroep doen.

 

Voor de aansprakelijke persoon is de aanspraak op grond van art. 6:162 van belang voor een eventuele regresactie tegen een mede-aansprakelijke persoon (art. 6:10 jo 6:102). Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn tussen verschillende bedrijfsmatige gebruikers van een dier of een roerende zaak in verband met het bepaalde in art. 6:181 lid 2.

 

Degene op wie in het kader van art. 6:162 een kwalitatieve aansprakelijkheid rust wordt, net als in Hoofdstuk 14 en 16, aangeduid met de term toe­zichthouder. Voor het ant­woord op de vraag wie toezicht­houder van een roerende zaak is, kan ook hier worden aangeslo­ten bij de Franse en Belgische rechtspraak inzake de ‘gardien’, c.q. bewaarder op grond van art. 1384 al. 1 CC (nr. 1205). Deze rechtspraak knoopt aan bij het fei­telijke criterium, wie de mogelijkheid heeft om op de zaak leiding, controle en toezicht uit te oefenen.

 

Mede op basis hiervan kunnen als toezichthouder in de zin van art. 6:162 die personen worden aangemerkt, die juridische of feitelijke zeggen­schap over de roerende zaak hebben en beschikken over de juridische of feitelijke moge­lijkheden om veiligheids­maatregelen te nemen. Dit betekent, dat het toezichthouderschap onder meer kan rusten op de eigenaar, de vruchtgebruiker, de huurder, de huurkoper, de bruiklener, de beheerder en de lessee. Zo beschikte in de casus van het Lekkende kruik II-arrest de kraamverzorgster over de feitelijke moge­lijkheid om de veiligheid van de kruik te bevorderen; daarom gold zij op dat moment als toezichthouder.[3]

 

Zoals uit het Franse begrip ‘fait de la chose’ al bleek (nr. 216: Vereisten en verweren), kan de rol van de roerende zaak bij het veroorzaken van schade sterk variëren. Aan de ene kant van het spectrum staan de gevallen waarin er sprake is van een 'passieve' zaak en een 'actieve' toezichthouder (iemand gooit een ander een bierfles naar het hoofd of iemand laat een plavuis uit zijn handen vallen); aan de andere kant de gevallen waarin het gaat om een 'actieve' zaak en een 'passieve' toezichthouder (de bovenste sporten van een houten ladder breken af of gevaarlijke stof ontvlamt spontaan). In de laatste categorie gevallen gaat het om de bijzondere gevaren van gevaarlij­ke of gebrekkige zaken, waarvoor diverse vormen van risico-aansprakelijkheid gelden. In de eerste categorie gevallen leidt de roerende zaak als verlengstuk van de toezicht­houder weliswaar doorgaans tot ernstiger schade dan zonder die zaak het geval zou geweest maar alleen in Frankrijk geldt ook in dit soort situaties een risico-aansprake­lijkheid. In alle andere landen vindt de beoordeling van het gedrag van de toezichthouder plaats in het kader van de foutaansprakelijkheid.[4] Zie over het bijzondere gevaar in het kader van art. 6:173 nr. 1315.

 

2. Spier en Haazen, Aansprakelijkheidsverzekeringen op claims-made grondslag (1996).

3. HR 1 oktober 1993 (Lekkende kruik II), NJ 1995, 182, nt CJHB, VR 1994, 73, waarover nr. 831: Buitenwettelijke normen.

4. Zie ook Asser-Hartkamp III (1998), nr 162.

 

Naar boven    Inhoud      Home