__________________________________
12 AANSPRAKELIJKHEID
VOOR ONROERENDE ZAKEN
12.6 Andere
zorgplichten jegens buren
Dat buren zich in
hun gedrag mede moeten laten leiden door elkaars gerechtvaardigde belangen,
blijkt allereerst uit de in de wet opgenomen regeling van het burenrecht (titel
5.4). Daarnaast dient iemand bij het op zijn erf verrichten van
bouwwerkzaamheden afdoende voorzorgsmaatregelen te nemen om schade aan naburige
percelen te voorkomen.
In deze paragraaf komt de vraag aan de orde
welke zorgplichten buren jegens in elkaar in acht moeten nemen naast de
verplichting om elkaar niet op onrechtmatige wijze hinder toe te brengen (nr. 1214-1218). Meer in het algemeen
luidt de vraag hoe ver de verantwoordelijkheid van buren voor elkaars
belangen reikt.
De zorgplicht strekt zich in elk geval uit tot
situaties waarin iemand op zijn erf bouwwerkzaamheden verricht. Hij dient dan
bij het verrichten van die werkzaamheden voldoende maatregelen te nemen ter
voorkoming van schade aan belendende percelen.
De Boerenleenbank moest voor het bouwen van
een nieuw pand een damwand heien. Deze werkzaamheden veroorzaakten schade aan
het belendende pand van drogist Van de Reek, die de Boerenleenbank daarvoor
aansprakelijk stelde. De Hoge Raad oordeelde '... dat de Boerenleenbank, door
zonder voorafgaand overleg of onderzoek tot het doen heien van de damwand over
te gaan, zich tegenover Van de Reek onzorgvuldig heeft gedragen'. Dat de
uiteindelijke gevolgen hier buiten de lijn der verwachting lagen, was geen
beletsel voor aansprakelijkheid.
Deze verplichting is
niet beperkt tot buren in strikte zin maar zij geldt in het algemeen ten
opzichte van derden bij het verrichten van bouwwerkzaamheden. In HR 21 april
2000 (Oude Molen), J@ 2000-35, NJ 2000, 564, nt. ARB, overwoog de Hoge Raad dat een
overheidslichaam als een waterschap bij werkzaamheden die voor derden het
gevaar meebrengen van schade aan zaken die hen toebehoren, verplicht is
voldoende maatregelen te treffen om zulke schade te voorkomen (r.o. 3.3.2). Zie
over dit arrest en de daarin geformuleerde onderzoeksplicht ook nr. 820:
Onderzoeksplichten.
Beslissend is of degene die werkzaamheden op
een naburig perceel verricht of doet verrichten onrechtmatig heeft gehandeld,
dat wil zeggen tekort geschoten is in het betrachten van zorg. Dit impliceert
dat degene die schade lijdt voldoende feiten moet stellen waaruit dat gebrek
aan zorg blijkt. Dat ging mis in het arrest inzake de verzilte boomgaard. Het
Industrie- en Havenschap Moerdijk (IHM) hoogde rond 1970 een nabij de boomgaard
van Lambregts gelegen industriegebied door middel van zandopspuiting op. In
1971 ontstond in de boomgaard een zoute kwel, waardoor Lambregts aanzienlijke schade
leed. Volgens deskundigen was de opspuiting niet op onzorgvuldige en onoordeelkundige
wijze geschied. Wel werd causaal verband aanwezig geacht tussen de zandopspuiting
en het optreden van de zoute kwel maar dat lag niet aan de wijze van uitvoering.
In cassatie voerde Lambregts niet anders aan dan dat hij als gevolg van het
opspuiten schade had geleden. De Hoge Raad oordeelde: 'De enkele omstandigheid
dat een handeling heeft plaatsgevonden als gevolg waarvan iemand schade lijdt,
brengt evenwel, anders dan Lambregts kennelijk aanneemt, nog niet mee dat een
op onrechtmatige daad gegronde aanspraak op vergoeding daarvan bestaat. Dit is
niet anders indien, zoals Lambregts heeft betoogd, het opspuiten, nu het
voormelde schade ten gevolge heeft gehad, zou moeten worden aangemerkt als een
inbreuk op zijn subjectief recht: ook dan is immers voor het ontstaan van een
verplichting tot schadevergoeding ten minste mede vereist dat die inbreuk aan
IHM kan worden toegerekend in de zin van art. 6:162 BW.'
116. HR 9 maart 1973 (Van de
Reek/Boerenleenbank), NJ 1973, 464, nt. PZ. In dezelfde zin HR 6 januari 1989
(Norwegian Talc Holland BV/Van Houwelingen), NJ 1989, 282.
117. HR 27 mei 1994 (Lambregts/Moerdijk), NJ
1994, 590, waarover ook nr. 837.