AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

12     AANSPRAKELIJKHEID VOOR ONROERENDE ZAKEN

 

12.4  Aansprakelijkheid van de wegbeheerder

 

1213 Rekening houden met fouten van weggebruikers

 

De wegbeheerder moet de veiligheid van de weg afstemmen op de normale weggebruiker. De weggebruiker dient er op zijn beurt rekening mee te houden dat de weg niet altijd in optimale conditie verkeert. Zijn risico’s niet te vermijden, dan dient de wegbeheerder daarvoor duidelijk en specifiek te waarschuwen.

 

Reeds in het Ferwerderadeel-arrest besliste de Hoge Raad dat op de wegbeheerder de verplichting rust '... ervoor te waken, dat de toestand van het wegdek de veilig­heid van personen en goederen, wier vervoer met normale snelheid langs zoo'n weg plaatsvindt, niet in gevaar brengt'. Deze verplichting ziet zowel op het ontwerp, de inrichting en het onderhoud van de weg. In een Brits onder­zoek werd geconcludeerd dat 15% van de verkeers­ongevallen mede kan worden toegeschreven aan een slecht ontwor­pen weg.

 

De wegbeheerder moet bij het ontwerpen van de weg en bij het verrichten van onderzoek en onderhoud rekening houden met de normale weggebruiker en dus niet met de meest voorzichtige of de meest onvoorzichtige weggebruiker (nr. 822). In Duits­land geldt dat de wegbeheerder rekening moet houden met de ‘durchschnittliche’ verkeers­deelnemer. Te on­voorzich­tig was de automobilist die op de Europaweg in het Rotter­damse havengebied met een snelheid van 80 km/u in een voor hem zichtbare plas van 70 meter lengte slipte. Deze automobi­list bleef zo ver beneden de in het algemeen te vergen voorzichtigheid dat de wegbeheer­der daarmee geen rekening behoefde te houden.

 

Niet alleen bij het ontwerp van een weg maar ook bij wegwerkzaamheden dient de wegbeheerder (resp. de aannemer) verkeerstekens en bebakening zo te plaatsen dat ook verkeer dat - enigszins - harder rijdt dan is toegestaan en minder oplettend is dan ver­eist, voldoende wordt gewaarschuwd en vervolgens gelegenheid heeft zich aan de omstandigheden aan te passen, aldus de Hoge Raad in HR 24 december 1999 (Van den Hemel/Royal Nederland), NJ 2000, 172, VR 2000, 38; zie ook Chr. Van Dijk, A&V 2000, p. 53.

 

­Waar het om gaat is de risico's af te wenden waarmee de verkeersdeelnemer geen re­kening behoeft te houden. Het uitgangspunt is dat de weggebruiker, mede in verband met de beperkte financiële armslag van de wegbeheerder (nr. 1212), met enig risico steeds rekening moet gehou­den: 'Eine praktisch vollständige Gefahrlosigkeit einer Straße und ihrer Benutzung kann mit zumut­baren Mitteln nicht erreicht und daher vom Ver­kehrssi­cherungspflichtigen nicht verlangt und vom Verkehrsteilnehmer nicht erwartet wer­den.' Hier geldt ook wat in de parlementaire geschiedenis bij art. 6:174 werd opge­merkt, '... dat de weggebruikers bij de door hen in acht te nemen omzichtigheid er rekening mee zullen moeten houden dat wegen niet steeds in perfecte staat verkeren, bij voorbeeld wat betreft de stroefheid of gelijkmatigheid van het wegdek of de afwezigheid van het risico van aquaplaning, waarbij uiteraard de aard van de weg (snelweg, dorps­weggetje) een rol zal kunnen spelen.' In Duitsland geldt, dat weggebruikers in de voormalige DDR meer rekening behoren te houden met een slecht wegdek dan in de an­dere Bundesländer.

 

Eind 1983 legde de gemeente Diemen op een busbaan een bussluis aan, die zo was ge­construeerd dat personenauto's met een smalle wielbasis in een gat terechtkwamen. Dat lot trof binnen een jaar maar liefst veertig auto's, waaronder een zich voortreppende taxi van Rep-Tax. De Hoge Raad overwoog dat '... wanneer de gemeente ter fysieke onder­steuning van verkeersmaatregelen een weg zodanig inricht dat deze zonder beveiligings­maatregelen gevaar oplevert voor personen of zaken, zij door deugdelijke beveiligings­maatregelen, zoals waarschuwingen, ervoor zorg behoort te dragen dat de veiligheid van personen en zaken voldoende gewaarborgd blijft, waarbij de gemeente mede in aanmer­king heeft te nemen dat niet alle verkeersdeelnemers steeds de nodige voorzichtigheid en oplettendheid zullen betrachten. Indien deze veilig­heid niet voldoende kan worden ge­waarborgd, dient de gemeente van een zodanige in­richting van de weg af te zien.' Uit de formulering van de Hoge Raad volgt, dat deze regel ook geldt voor art. 6:174.

 

In het verlengde hiervan ligt HR 17 november 2000 (Fietspad Scheemda), J@ 2000-212, NJ 2001, 10, VR 2001, 116. Het uitgangspunt voor dit arrest vormde de stelling van de benadeelde dat hij met zijn fiets van een fietspad was geraakt en in de aanmerkelijk lager gelegen berm terecht was gekomen. Toen hij zijn weg op het fietspad wilde vervolgen stuitte hij op een hoge, en door het hoge gras nagenoeg onzichtbare betonrand van dat fietspad. Hierdoor kwam hij ten val en liep hij ernstig letsel aan zijn elleboog op. Was het fietspad gebrekkig in de zin van art. 6:174? De Hoge Raad overweegt dat het Hof heeft vastgesteld, ‘… dat de rand van het (betonnen) fietspad “hoekig” en “zeer steil” was, dat begroeiing het zicht op de betonnen rand ontnam, en dat het fietspad smal was. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat met name bij smalle fietspaden de wegbeheerder er rekening mee dient te houden dat aan het fietsen inherent is dat fietsers ten gevolge van bijvoorbeeld zijwind, tegenliggers of wegens jeugdige onbezonnenheid, niet steeds een koersvaste lijn volgen en dat de mogelijkheid bestaat dat fietsers in de berm raken. Bij zijn oordeel dat de “weg” niet voldeed aan de daaraan onder de gegeven omstandigheden te stellen eisen heeft het Hof derhalve niet alleen de functie van de onderhavige weg - een fietspad - en de fysieke toestand van dat fietspad in aanmerking genomen, maar tevens de wijze waarop het fietspad door de weggebruikers gebruikt wordt. Aldus oordelende heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtopvatting omtrent het bepaalde in art. 6:174 BW.’ Het arrest volgt de lijn van het in de vorige alinea genoemde Bussluis-arrest: voor de gebrekkigheid van een weg is van belang hoe de verkeersdeelnemers de weg gebruiken; de wegbeheerder moet er rekening mee houden dat zij niet steeds de nodige voorzichtigheid en oplettendheid betrachten. Zie over de vraag of de berm als een opstal kan worden beschouwd nr. 1202: Toepassingsvereisten artikel 6:174 BW.

       

Indien er sprake is van onvermijdelijke risico's die niet kunnen worden weggenomen en waar de automobilist niet op verdacht behoeft te zijn, dient de wegbeheerder de weg­gebruiker daarvoor adequaat te waarschu­wen. De wegbeheerder die na het asfalteren van een weg en het daarop, zoals gebruikelijk, strooien van split borden plaatst met 'opspat­tende stenen' maakt onvoldoende duidelijk dat er ook sprake is van verhoogd slipgevaar, doordat de wegge­bruiker aan de rechterkant van de rijbaan in een splitrand van enkele centimeters dik terecht kan komen. Met andere woorden: anders dan voor de ervaren automobilist zal voor de gemiddelde en a fortiori voor de niet ervaren wegge­bruiker het bord 'opspatten­de stenen' niet zonder meer impliceren dat er tevens sprake is van slipge­vaar. Bovendien had de waarschuwing slechts betrekking op het risico van zaakschade en niet ook van personenschade (nr. 1210: Rekening houden met fouten van jeugdige bezoekers en nr. 1211).

 

77. HR 9 januari 1942 (Ferwerderadeel/De Blauw), NJ 1942, 295.

78. W.A. Wagenaar, VR 1988, p. 57-59.

79. HR 20 maart 1992 (Bussluis), NJ 1993, 547, nt. CJHB, VR 1992, 113, waarover hieronder.

80. BGH 26 maart 1981, NJW 1981, 2120. Zie over de zorg­plicht jegens visueel gehandicapte voet­gangers Haley v. London Electri­city Board (1965) AC 778, waarover nr. 1211.

81. HR 10 april 1970 (Van Adrichem/Rotterdam), NJ 1970, 292.

82. Münchener Kommentar-Mertens (1997), § 823 N 256.

83. Staudinger-Schäfer (1986), § 839 N 140.

84. Parl. Gesch. Inv. Boek 6, p. 1394.

85. LG Bautzen 25 augustus 1998, DAR 1999, 26. Zie echter ook LG Halle 15 mei 1998, DAR 1999, 28: er hoeft geen rekening te worden gehouden met een 12 cm diep gat in het wegdek.

86. HR 20 maart 1992 (Bussluis), NJ 1993, 547, nt. CJHB, VR 1992, 113; ten onrechte besliste Hof 's-Gravenhage 15 september 1994, VR 1995, 9, nt. HAB in de procedu­re na verwijzing dat er sprake was van 100% eigen schuld van de taxichauffeur.

87. HR 6 september 1996 (Annema/Staat), NJ 1998, 415, nt. CJHB, VR 1997, 14.

 

Naar boven    Inhoud      Home