________________________________________
12 AANSPRAKELIJKHEID
VOOR ONROERENDE ZAKEN
12.3 Problemen bij beide vormen van
aansprakelijkheid
1210 Rekening houden met fouten van jeugdige
bezoekers
Heeft de
jeugdige bezoeker de onroerende zaak niet onbevoegd betreden, dan moet bij het
vaststellen van gebrekkigheid (art. 6:174) en onrechtmatigheid (art. 6:162)
rekening worden gehouden met het feit dat kinderen
zich onbezonnen en impulsief kunnen gedragen.
Dat
de aansprakelijke persoon rekening moet houden met fouten van kinderen is in
brede kring aanvaard. Zo diende de beheerder van een kinderspeelplaats te
zorgen dat kinderen te gemakkelijk impulsief de weg konden oplopen.[49] Een
internaat moest er rekening mee houden dat 12-jarige kinderen gemakkelijk in de
verleiding komen om een trapleuning als glijbaan te gebruiken en het had
daarom meer moeten doen dan waarschuwen, bijvoorbeeld de leuning overtrekken met
stroef materiaal.[50] Een sloopbedrijf diende maatregelen te nemen om te
voorkomen dat kinderen ongehinderd het perceel konden betreden, waar regelmatig
smeulende vuurtjes in combinatie met goed brandbaar afval en chemicaliën
aanwezig waren.[51] En de exploitant van een speeltuin behoefde niet af te zien
van het plaatsen van klimrekken maar hij diende wel, gezien de risico's, te
zorgen voor een veilige ondergrond, in het bijzonder omdat zeer jonge kinderen
van de speelvoorzieningen gebruik maakten.[52]
De
exploitant van een zwemgelegenheid moet het onderscheid tussen ondiepe en diepe
gedeelten duidelijk markeren. Deze verplichting geldt in het bijzonder jegens
kinderen.[53] Een enkel duikverbod waarbij de ondiepte niet zonder meer
duidelijk is, is onvoldoende om aan aansprakelijkheid te ontkomen.[54] Wanneer
de exploitant wel duidelijk de diepte aangeeft en een duidelijk duikverbod
uitvaardigt, heeft hij op dit punt aan zijn zorgplicht voldaan. Het
Bundesgerichtshof achtte een zwembadexploitant niet aansprakelijk voor de
schade van een 15-jarige jongen die zijn nek brak toen hij steil naar beneden
was gedoken op een plek waar het water maar 90 centimeter diep was. De
exploitant behoefde namelijk geen rekening te gehouden met 'ganz
unvernünftiges und äußerst leichtfertiges Verhalten' van jeugdigen.[55]
Dat
soms ook veiligheidsmaatregelen moeten worden genomen tegen ernstig misbruik
van voorzieningen door kinderen kan worden geïllustreerd met een uitspraak van
het Bundesgerichtshof. Aan de buitenkant van de doucheruimte in een zwembad
bevond zich een uit draadglasplaten bestaand glijbaantje om kleren en andere
spullen droog over te brengen. Toen een meisje zelf van de glijbaan afgleed,
brak deze onder haar gewicht en raakte zij zeer ernstig gewond. Het
Bundesgerichtshof achtte een andere plaats (zodat kinderen er niet op konden
klimmen) en onbreekbaar materiaal voor de glijbaan noodzakelijk. Dit misbruik
had de exploitant moeten keren, met name omdat kinderen zich zonder toezicht
in de doucheruimte konden ophouden: 'In der Tat kann die Verkehrssicherungspflicht
sogar schon gegenüber Erwachsenen, insbesondere aber bei Kindern auch die
Vorbeugung gegenüber unbefugtem und mißbräuchlichem Verhalten umfassen. Dies
gilt insbesondere dann, wenn Kinder wie hier in dem Duschraum sich ohne
Aufsicht aufhalten können.'[56]
Indien
fysieke maatregelen ter voorkoming van het risico redelijkerwijs niet kunnen
worden gevergd, moeten kinderen op hun eigen niveau zo duidelijk mogelijk voor
de concrete risico's worden gewaarschuwd. Aldus wordt verhinderd, dat zij de
aanwezigheid en de omvang van het risico te laag inschatten. Op een voor
kinderen toegankelijk rangeerterrein stonden goederenwagons onder een onder
stroom staande bovenleiding. Om kinderen te waarschuwen tegen het dreigende
levensgevaar als zij op een wagondak klommen (wat in de gegeven omstandigheden
betrekkelijk eenvoudig kon), was er slechts een waarschuwingsbord met daarop
een ‘Blitzpfeil’. Het Bundesgerichtshof vond dit onvoldoende en eiste een
aanwijzing of een waarschuwingsbord met bijvoorbeeld pictogrammen, dat
‘unmißverständlich’ duidelijk maakte dat er risico op een dodelijke stroomstoot
bestond.[57]
Indien
de zaak onvoldoende tegen jeugdige onvoorzichtigheid is beveiligd, en er derhalve
in beginsel sprake is van gebrekkigheid of onrechtmatigheid, is een beroep op
eigen schuld van het kind in beginsel uitgesloten (nr. 824).
[49] BGH 21 april 1977, VersR 1977, 817. Zie ook Carmarthenshire County
Council v. Lewis (1956) AC 549, waarover nr. 1408.
[50] BGH 11 maart 1980, NJW 1980, 1745.
Deze verplichting geldt volgens OLG Celle 6 juli 1983, MDR 1983, 933 niet
jegens volwassenen.
[51] Rb. Utrecht 7 september 1988
(Freddy van Zuilen), VR 1991, 83.
[52] Hof 's-Hertogenbosch 17 mei 1989
(Lennart Spanjer), NJ 1990, 263, VR 1991, 155. Zie ook het Besluit
veiligheid attractie- en speeltoestellen, Stb. 1996, 474 en de daarop gebaseerde
ministeriële regelingen met nadere voorschriften voor attractie- en
speeltoestellen.
[53] BGH 18 oktober 1988, JZ 1989, 249,
waarover nr. 1209. Zie ook de veiligheidsvoorschriften in de Wet hygiëne en
veiligheid zweminrichtingen.
[54] BGH 16 februari 1982, VersR 1982,
492 (drijvend vlot).
[55] BGH 22 oktober 1980, VersR 1980,
863, NJW 1980, 1159. Zie ook HR 23 mei 1975 (Putven), NJ 1976, 24, waarover nr. 1506: Scholen
jegens leerlingen.
[56] BGH 21 februari 1978, VersR 1978,
561; het BGH stelde de eigen schuld van het meisje op minstens de helft.
[57] BGH 14 maart 1995, NJW 1995, 2631.
Mede door beslissingen als BGH 10 oktober 1989, VersR 1990, 913 was deze
‘Verkehrspflicht’ voor de spoorwegonderneming echter nog niet kenbaar (nr.
905), zodat zij slechts op grond van art. 1 HaftpflG was. Het slachtoffer had
derhalve geen recht op smartengeld (nr. 401).