AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

12     AANSPRAKELIJKHEID VOOR ONROERENDE ZAKEN

 

12.2  Foutaansprakelijkheid voor onroerende zaken

 

1204 Belang van artikel 6:162 naast artikel 6:174

 

Een actie op grond van art. 6:162 is van belang indien art. 6:174 niet van toepassing is, indien degene die op grond van art. 6:174 aansprakelijk is geen verhaal biedt of indien deze zelf re­gres wil nemen op een mede-aanspra­kelijke persoon.

 

De belangen van een aanspraak op grond van art. 6:162 naast art. 6:174 zijn velerlei. Voor de benadeelde kan het belang hierin liggen dat degene die op grond van art. 6:174 aansprakelijk is geen of onvoldoen­de verhaal biedt. Dat is niet alleen aan de orde indien de aansprakelijk gestelde persoon niet over een aansprakelijk­heidsver­zekering beschikt maar ook indien deze verzekering in het concrete geval on­voldoende uitkeert (indien de verzekerde som ontoereikend is) of in het geheel niet uitkeert (bijvoorbeeld in gevallen van ver­zwij­ging of in verband met een vorm van ‘claims made’-dekking).[17]

 

Voor de verzekeraars van de benadeelde ligt het belang van art. 6:162 in het feit dat zij als zij verhaal willen nemen op de aansprakelijke persoon in verband met het bepaalde in art. 6:197 (Tijdelijke regeling verhaalsrechten) geen beroep kunnen doen op art. 6:174. Alleen degene die zelf letsel of zaakschade lijdt als gevolg van de verwezenlijking van het gevaar van een gebrekkige opstal kan op deze bepaling een beroep doen. Deze tweedeling van het aansprakelijkheidsrecht is helaas bijna ingeburgerd geraakt. Op het toneel waar de benadeelde zelf in beeld is, wordt het script bepaald door de risico-aansprakelijkheid. In de coulissen van het aansprakelijk­heidsrecht speelt 'fout' de hoofd­rol.

 

Voor de aansprakelijke persoon is de aanspraak op grond van art. 6:162 van belang voor een eventuele regresactie tegen een mede-aansprakelijke persoon (art. 6:10 jo 6:102). Dat kan bijvoorbeeld gelden tussen de bedrijfsmatige gebruiker en de bezit­ter of tussen de leidingbeheerder en de eigenaar van een opstal.[18]

 

In art. 6:174 lid 1 is de aansprakelijkheid gekanaliseerd naar één bepaalde persoon (nr. 1203: Gebrekkige opstal), veelal de bezitter of de bedrijfsmatige gebruiker. Ook andere perso­nen kunnen echter aansprakelijk zijn voor de onveiligheid van een onroerende zaak maar zij kunnen slechts op grond van art. 6:162 worden aangesproken. Deze personen zullen worden aangeduid met de term toezichthouder. Zie voor de vraag wie toezichthouder kunnen zijn nr. 1205.

 

Art. 6:174 regelt de aansprakelijkheid voor gebrekkige opstallen (nr. 1203: Gebrekkige opstal). Onroerende zaken die geen opstal zijn, omdat het geen duurzame constructies zijn die door de mens zijn aangebracht, vallen dus niet onder de reikwijdte van art. 6:174. Hierbij valt te denken aan natuurlijke onroerende zaken zoals bomen en struiken en meer in het alge­meen aan natuurgebieden. De ratio daarvan is, dat een risico-aansprakelijkheid het nemen van veiligheidsmaatregelen te zeer zou bevorderen ten koste van natuurlijke elementen. In de literatuur is de beperking van art. 6:174 tot opstallen niet zonder kritiek geble­ven.[19] Zie over de zorgplicht van de toezichthouder van deze natuurlijke onroeren­de zaken nr. 1208.

 

Art. 6:162 komt voorts aan de orde voor zover wordt aangenomen dat roerende zaken of vloeistoffen die zich op een opstal bevinden deze opstal nog niet gebrek­kig maken. Over de vraag of dit het geval is bestaat nog geen duidelijkheid (nr. 1203: Gebrekkige opstal). Voorals­nog speelt het probleem vooral in het kader van de aansprakelijkheid van de wegbeheer­der (nr. 1212).

 

Ook wanneer de schade wel op of in de opstal wordt geleden maar daar niet mee in ver­band staat, kan art. 6:174 niet in stelling worden gebracht. Hierbij kan worden gedacht aan verplichtingen van de toezichthouder om bezoekers tegen elkaars onvoorzich­tigheid of zelfs criminaliteit te beschermen (nr. 1207).

 

Tenslotte geldt, dat art. 6:174 slechts van toepas­sing is indien de benadeelde perso­nen- of zaakschade en de daaruit voortvloeiende financiële schade claimt. Heeft de vorde­ring uitsluitend betrekking op zuivere vermo­gensschade (bijvoorbeeld de derving van in­kom­sten van een winkel als gevolg van de instorting van een naburig pand), dan dient deze te worden gebaseerd op art. 6:162.

 

17. Zie hierover in algemene zin Spier en Haazen, Aansprakelijkheidsverzekeringen op claims made-grondslag (1996).

18. Zie bijvoorbeeld Rb. Maastricht 1 december 1994 (Peeters/WML), NJK 1994, 26, die art. 6:174 lid 2 niet van toepassing achtte op de verhouding tussen de leidingbeheerder en de eigenaar van een gebouw.

19. Klaassen, Risico-aansprakelijkheid (1991), p. 94; zie ook Sterk, Verhoogd gevaar in het aanspra­kelijkheidsrecht (1994), p. 100 e.v.

 

 

Naar boven    Inhoud      Home