________________________________________
12 AANSPRAKELIJKHEID
VOOR ONROERENDE ZAKEN
12.2 Foutaansprakelijkheid
voor onroerende zaken
Een actie op grond van art. 6:162 is van
belang indien art. 6:174 niet van toepassing is, indien degene die op grond van
art. 6:174 aansprakelijk is geen verhaal biedt of indien deze zelf regres wil
nemen op een mede-aansprakelijke persoon.
De
belangen van een aanspraak op grond van art. 6:162 naast art. 6:174 zijn
velerlei. Voor de benadeelde kan het belang hierin liggen dat degene die op
grond van art. 6:174 aansprakelijk is geen of onvoldoende verhaal biedt. Dat
is niet alleen aan de orde indien de aansprakelijk gestelde persoon niet over
een aansprakelijkheidsverzekering beschikt maar ook indien deze verzekering
in het concrete geval onvoldoende uitkeert (indien de verzekerde som
ontoereikend is) of in het geheel niet uitkeert (bijvoorbeeld in gevallen van
verzwijging of in verband met een vorm van ‘claims made’-dekking).[17]
Voor
de verzekeraars van de benadeelde ligt het belang van art. 6:162 in het feit
dat zij als zij verhaal willen nemen op de aansprakelijke persoon in verband
met het bepaalde in art. 6:197 (Tijdelijke regeling verhaalsrechten) geen
beroep kunnen doen op art. 6:174. Alleen degene die zelf letsel of zaakschade
lijdt als gevolg van de verwezenlijking van het gevaar van een gebrekkige
opstal kan op deze bepaling een beroep doen. Deze tweedeling van het
aansprakelijkheidsrecht is helaas bijna ingeburgerd geraakt. Op het toneel waar
de benadeelde zelf in beeld is, wordt het script bepaald door de
risico-aansprakelijkheid. In de coulissen van het aansprakelijkheidsrecht speelt
'fout' de hoofdrol.
Voor
de aansprakelijke persoon is de aanspraak op grond van art. 6:162 van belang
voor een eventuele regresactie tegen een mede-aansprakelijke persoon (art. 6:10
jo 6:102). Dat kan bijvoorbeeld gelden tussen de bedrijfsmatige gebruiker en de
bezitter of tussen de leidingbeheerder en de eigenaar van een opstal.[18]
In
art. 6:174 lid 1 is de aansprakelijkheid gekanaliseerd naar één bepaalde
persoon (nr. 1203: Gebrekkige
opstal), veelal de bezitter of de
bedrijfsmatige gebruiker. Ook andere personen kunnen echter aansprakelijk zijn
voor de onveiligheid van een onroerende zaak maar zij kunnen slechts op grond
van art. 6:162 worden aangesproken. Deze personen zullen worden aangeduid met
de term toezichthouder. Zie voor de vraag wie toezichthouder kunnen zijn nr.
1205.
Art.
6:174 regelt de aansprakelijkheid voor gebrekkige opstallen (nr. 1203: Gebrekkige
opstal). Onroerende zaken die geen opstal
zijn, omdat het geen duurzame constructies zijn die door de mens zijn
aangebracht, vallen dus niet onder de reikwijdte van art. 6:174. Hierbij valt
te denken aan natuurlijke onroerende zaken zoals bomen en struiken en meer in
het algemeen aan natuurgebieden. De ratio daarvan is, dat een
risico-aansprakelijkheid het nemen van veiligheidsmaatregelen te zeer zou
bevorderen ten koste van natuurlijke elementen. In de literatuur is de
beperking van art. 6:174 tot opstallen niet zonder kritiek gebleven.[19] Zie
over de zorgplicht van de toezichthouder van deze natuurlijke onroerende zaken
nr. 1208.
Art.
6:162 komt voorts aan de orde voor zover wordt aangenomen dat roerende zaken of
vloeistoffen die zich op een opstal bevinden deze opstal nog niet gebrekkig
maken. Over de vraag of dit het geval is bestaat nog geen duidelijkheid (nr. 1203: Gebrekkige
opstal). Vooralsnog speelt het probleem
vooral in het kader van de aansprakelijkheid van de wegbeheerder (nr. 1212).
Ook
wanneer de schade wel op of in de opstal wordt geleden maar daar niet mee in
verband staat, kan art. 6:174 niet in stelling worden gebracht. Hierbij kan
worden gedacht aan verplichtingen van de toezichthouder om bezoekers tegen
elkaars onvoorzichtigheid of zelfs criminaliteit te beschermen (nr. 1207).
Tenslotte
geldt, dat art. 6:174 slechts van toepassing is indien de benadeelde personen-
of zaakschade en de daaruit voortvloeiende financiële schade claimt. Heeft de
vordering uitsluitend betrekking op zuivere vermogensschade (bijvoorbeeld de
derving van inkomsten van een winkel als gevolg van de instorting van een
naburig pand), dan dient deze te worden gebaseerd op art. 6:162.
17. Zie hierover in algemene zin Spier en
Haazen, Aansprakelijkheidsverzekeringen op claims made-grondslag (1996).
18. Zie bijvoorbeeld Rb. Maastricht 1 december
1994 (Peeters/WML), NJK 1994, 26, die art. 6:174 lid 2 niet van toepassing
achtte op de verhouding tussen de leidingbeheerder en de eigenaar van een
gebouw.
19. Klaassen, Risico-aansprakelijkheid (1991),
p. 94; zie ook Sterk, Verhoogd gevaar in het aansprakelijkheidsrecht (1994),
p. 100 e.v.