AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

12     AANSPRAKELIJKHEID VOOR ONROERENDE ZAKEN

 

12.1  Risico-aansprakelijkheid voor onroerende zaken

 

1203 Gebrekkige opstal

 

Een opstal is gebrekkig, indien deze niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert. Of dit het geval is, hangt onder meer af van de aard, het ontwerp en de inrichting van de opstal. Ook het al dan niet aanwezig zijn van waarschuwingsborden kan bepalen of er sprake is van een gebrekkige opstal.

 

In de Toelichting Meijers wordt over de gebrekkige opstal opge­merkt: 'Het artikel verstaat onder een gebrekkige toestand een dusdanige toestand dat men - de bezitter, of een ander - een onrechtmatige daad pleegt jegens degene wiens persoon of goed ge­vaar loopt, indien men, hoewel bekend met de toestand, deze onver­anderd laat. Of dit het geval is, hangt van verschillende omstandigheden af. Zo zal bij een voor het publiek toegankelijk gebouw of werk eerder van een gebrekkige toestand gesproken moeten worden dan bij een gesloten huis of een werk op een besloten terrein. Bij een bouwwerk in aanbouw zal een toestand niet als gebrekkig gelden, die bij een voltooid werk zeker als zodanig zou worden aangemerkt. Zo kan tenslotte van de al dan niet aanwezigheid van waarschu­wingsborden afhangen of de toestand waarin een gebouw of werk zich bevindt, gebrekkig is in de zin van het onderhavige artikel.'[10]

 

Of een opstal voldoet aan de veiligheidseisen die men daaraan in de gegeven omstan­dighe­den mag stellen, is derhalve in feite een afgeleide onrechtmatigheidsvraag. Dit betekent dat ook in het kader van het gebrekkigheidscriterium een afweging moet worden gemaakt tus­sen het nemen van voorzorgsmaatregelen en de omvang van het risico (nr. 802). Daarbij speelt de aard van de gedraging (nr. 811), in casu de aard van de opstal, een belangrijke rol. Aan de hand hiervan kan namelijk worden bepaald welke eisen moeten worden gesteld aan de veiligheid van de opstal. Ook wanneer een opstal in algemene zin voldoet aan de wettelijke veiligheidsvoorschriften (brandweer, arbeidsinspectie) kan deze niettemin gebrekkig zijn in de zin van art. 6:174; zie HR 20 oktober 2000 (Foekens/Naim), J@ 2000-172, NJ 2000, 700, VR 2001, 149. Dit sluit aan bij art. 6:162, op grond waarvan wordt aangenomen dat iemand die zich aan de wettelijke voorschriften houdt niettemin onrechtmatig kan handelen; zie nr. 826.

 

Indien een opstal bestemd is om daarin of daarop bepaal­de activi­tei­ten te verrichten (zoals sport- en spelgelegenheden) of om grote aantallen bezoekers te ontvan­gen (zoals stadions), moeten het ontwerp en de inrichting daarop zijn afgestemd. In dergelijke ge­vallen is de effectiviteit van veiligheidsmaatregelen groter, omdat meer personen ervan profiteren. Daarnaast is het een ervaringsfeit dat de individuele opmerkzaamheid afneemt in het kader van een collectief. Omdat waarschuwingen dan in het algemeen minder ef­fectief zijn, dient het risico in dergelijke gevallen zo mogelijk te worden weggenomen.[11]

 

In een gemeentelijk schoolgebouw in Engeland bevonden zich in een lange gang zwaaideuren met glazen ruiten. Toen een twaalfjarige scholiere een naar haar toe open­zwaaiende deur wilde tegenhouden, brak het glas en raakte zij ernstig gewond aan haar hand. Volgens de rechter had de school onzorgvuldig gehandeld door geen veiligheids­glas in de deur te plaatsen.[12]

 

Bij het beantwoorden van de vraag of een opstal gebrekkig is moet rekening worden gehouden met de activiteiten die in of op de opstal worden verricht, aldus HR 20 oktober 2000 (Foekens/Naim), J@ 2000-172, NJ 2000, 700, VR 2001, 149. In een loods werden werkzaamheden uitgevoerd, waaronder het autogeen snijden van metalen onderdelen van treinstellen. Dit leverde, naar van algemene bekendheid is, brandgevaar op. Toen er brand uitbrak breidde het vuur zich onverwacht snel uit, omdat de loods was bekleed met brandbaar isolatiemateriaal. Eiser liep bij de brand letsel op en hij stelde daarvoor zijn werkgever als bedrijfsmatige gebruiker van de opstal aansprakelijk (art. 6:174 jo 6:181). Het hof overwoog dat in de loods brandgevaarlijke werkzaamheden plaatsvonden en dat minder brandbaar isolatiemateriaal had kunnen worden gebruikt. Het hof oordeelde, dat de loods wegens het daarin aangebrachte brandbare isolatiemateriaal niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen. De Hoge Raad achtte dit geen onjuiste rechtsopvatting. Zie ook HR 17 november 2000 (Fietspad Scheemda), J@ 2000-212, NJ 2001, 10, waarover nr. 1213: Rekening houden met fouten van weggebruikers.

 

Het gaat bij art. 6:174 niet om absolute maar om voldoende veiligheid, zoals ook blijkt uit HR 15 juni 2001 (Almelo/Wessels), J@ 2001-171, NJ 2002, 336, nt. CJHB. Bij een brand in een aantal bedrijfsgebouwen (voornamelijk opslagruimten), die bij de bouw voor een deel waren voorzien van asbesthoudende dakplaten, kwam asbesthoudend materiaal vrij. De gemeente liet dit materiaal verwijderen en vorderde van het bedrijf vergoeding van de daarmee gemoeide kosten. Het hof wees de vordering af. Het overwoog dat opstallen die voorzien zijn van asbesthoudende dakplaten niet gebrekkig zijn in de zin van art. 6:174, omdat de kans op het vrijkomen van asbesthoudend materiaal zeer gering is. Op zichzelf schaadde de aanwezigheid van dergelijke platen niet de gezondheid en (buiten het geval van brand) leverden de opstallen geen gevaar op voor personen of zaken. Voorts was niet gesteld of gebleken dat door een bepaald bijzonder gebruik van de opstallen of anderszins in relevant verhoogde mate rekening diende te worden gehouden met het risico van een brand. Dit laatste punt vormt het relevante verschil met HR 20 oktober 2000 (Foekens/Naim), J@ 2000-172, NJ 2000, 700, VR 2001, 149. De Hoge Raad vond dat het hof geen blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Hij overwoog voorts dat, nu van aansprakelijkheid op grond van art. 6:174 geen sprake was, niet kon worden gezegd dat het bedrijf uitsluitend door een gevaarlijke situatie te laten voortbestaan door na te laten het van haar opstallen afkomstig asbesthoudend materiaal te (doen) verwijderen, een onrechtmatige daad jegens de gemeente heeft gepleegd. Zie ook nr. 1316.

 

De aard van de zaak kan meebrengen dat het risico niet behoeft te worden weggeno­men en dat daarvoor slechts behoeft te worden gewaarschuwd. Zo kan bij gebouwen die tevens een monument zijn, de aard van de opstal een bezwaar vormen tegen een ver­plichting om het risico weg te nemen, indien daarmee het histori­sche karakter van het pand wordt aangetast. Gedacht kan worden aan smalle trapjes, verra­derlijke afstapjes en lage doorgangen. In deze gevallen kan de aansprakelij­ke persoon de onveilig­heid laten voortbestaan mits hij de bezoeker daar­voor duidelijk en afdoende waarschuwt.

 

Ook bij historische kerkgebouwen behoeven risico's die elders niet worden getolereerd niet steeds te worden weggenomen. Te denken valt aan ongelijke vloeren als ge­volg van oude grafstenen. Die behoeft de bezitter niet te verwijderen en hij be­hoeft er evenmin voor te waarschuwen. Het is zelfs de vraag of hij in een dergelijk kerkgebouw steeds voor optimale verlichting moet zorgen. Toen iemand in Frankrijk in een halfduis­tere kerk struikelde, nam de rechter geen aansprakelijkheid aan, omdat '... la nature particulière des lieux justifie la pénombre; celle-ci imposait, de plus, une vigilance de la victime.'[13] De rechter vergaf de kerk dus haar halfduistere karakter en vermaande de gestruikelde gelovige om beter op te letten.

 

De vereiste veiligheid van een opstal wordt niet alleen bepaald door de aard van de zaak maar ook door de plaatselijke omstandigheden. Zo dienen in sneeuwgebieden bouw­kundige voorzieningen aan gebouwen te voorkomen dat pakken sneeuw en ijs van het dak op de weg vallen. In Frankrijk geldt deze verplichting bijvoorbeeld niet in Parijs, waar zelden (veel) sneeuw valt: een dergelijke investering weegt daar niet op tegen de omvang van het risico.[14] Voor Nederland kan uiteraard hetzelfde worden aangenomen.

 

Ook bij plotseling optredende gebreken, bijvoorbeeld een ontploffende verwarmingsketel, is de bezitter op grond van art. 6:174 in beginsel aansprakelijk. Als de bezitter op de hoogte zou zijn geweest van het ontploffingsrisico van de ketel (bestanddeel van de opstal), zou hij immers een onrechtmatige daad plegen door de toestand te laten voortbe­staan. Hoog­uit zou hij op grond van de zogenaamde tenzij-formule (art. 6:174 lid 1 slot; zie nr. 1202) kunnen proberen aan te tonen dat het gebrek zo kort voor de ontploffing is ontstaan dat hij ook bij bekendheid daarmee geen maatregelen meer had kun­nen nemen maar dat zal veelal op praktische problemen stuiten.

 

Een opstal kan ook gebrekkig worden door de aan­wezigheid daarop van voorwer­pen of vloeistof­fen die er niet thuishoren.[15] In België wordt in dit kader gewerkt met het begrip 'samengestel­de zaak': roerende zaken of vloeistoffen op de onroerende zaak wor­den als een geheel beschouwd. Ten aanzien van dat geheel wordt beoordeeld of er sprake is van een gebrek. Zo wordt bijvoorbeeld een groenten­blad op de vloer van een groen­tenaf­deling van een supermarkt veelal niet als een gebrek beschouwd maar een groenten­blad op de vloer van een afdeling zuivel in beginsel wel (nr. 307). Naar Nederlands recht zou op gelijke wijze moeten worden geoordeeld. Te denken valt aan een door ob­stakels onvoldoende toegankelijke vluchtweg, aan een over een voetpad gespannen touw­tje en aan een uit­stalvlonder die deels op het looppad in een winkel staat. Ten aanzien van de gebrekkigheid van wegen wordt op dit punt in de lagere Nederlandse recht­spraak overigens wel anders geoordeeld (nr. 1212).

 

Op de benadeelde rusten in beginsel stelplicht en bewijslast ten aanzien van de aanwe­zigheid van het gebrek. In de Toelichting Meijers wordt daarbij echter opgemerkt: 'Na­tuurlijk zal hier in vele gevallen "res ipsa loquitur" gelden: uit het feit van de instor­ting put de rechter het vermoeden dat het bouwwerk in een gebrekkige toestand verkeer­de.'[16] Dat vermoeden zal uiteraard niet alleen aan de instorting van het bouwwerk wor­den ontleend maar ook aan andere feiten die betrekking hebben op de gebrekkigheid van de opstal.

 

10. Parl. Gesch. Boek 6, p. 755.

11. Münchener Kommentar-Mertens (1997), § 823 N 244; Von Bar, Verkehrspflichten (1980), § 3 I 6.

12. Reffell v. Surrey County Council (1964) 1 WLR 358.

13. Civ. 2e 19 juli 1966, JCP 1967. 15228, note Dejean de la Bathie, Gaz. Pal. 1966. 2. 222.

14. Trib. inst. 11 oktober en 17 november 1966, Gaz. Pal. 1967. 1. 94 en Civ. 1re 9 juni 1975, JCP 1977. 18544 (1re espèce). Zie ook Civ. 2e 15 maart 1978, D. 1978. IR. 406: iemand glijdt in een wintersportoord uit op een besneeuwde buitentrap; de cassatierechter neemt geen ’fait de la chose’ aan in de zin van art. 1384 al. 1 CC, omdat er sprake is van een ‘comportement normal de la chose’.

15. Asser-Hartkamp III (1998), nr 188-189.

16. Parl. Gesch. Boek 6, p. 755.

 

Naar boven    Inhoud      Home