________________________________________
12 AANSPRAKELIJKHEID
VOOR ONROERENDE ZAKEN
12.1 Risico-aansprakelijkheid voor onroerende zaken
Een
opstal is gebrekkig, indien deze niet voldoet aan de eisen die men daaraan in
de gegeven omstandigheden mag stellen en daardoor gevaar voor personen of zaken
oplevert. Of dit het geval is, hangt onder meer af van de aard, het ontwerp en
de inrichting van de opstal. Ook het al dan niet aanwezig zijn van
waarschuwingsborden kan bepalen of er sprake is van een gebrekkige opstal.
In
de Toelichting Meijers wordt over de gebrekkige opstal opgemerkt: 'Het artikel
verstaat onder een gebrekkige toestand een dusdanige toestand dat men - de
bezitter, of een ander - een onrechtmatige daad pleegt jegens degene wiens
persoon of goed gevaar loopt, indien men, hoewel bekend met de toestand, deze
onveranderd laat. Of dit het geval is, hangt van verschillende omstandigheden
af. Zo zal bij een voor het publiek toegankelijk gebouw of werk eerder van een
gebrekkige toestand gesproken moeten worden dan bij een gesloten huis of een
werk op een besloten terrein. Bij een bouwwerk in aanbouw zal een toestand niet
als gebrekkig gelden, die bij een voltooid werk zeker als zodanig zou worden
aangemerkt. Zo kan tenslotte van de al dan niet aanwezigheid van waarschuwingsborden
afhangen of de toestand waarin een gebouw of werk zich bevindt, gebrekkig is in
de zin van het onderhavige artikel.'[10]
Of
een opstal voldoet aan de veiligheidseisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden
mag stellen, is derhalve in feite een afgeleide onrechtmatigheidsvraag. Dit
betekent dat ook in het kader van het gebrekkigheidscriterium een afweging moet
worden gemaakt tussen het nemen van voorzorgsmaatregelen en de omvang van het
risico (nr. 802). Daarbij speelt de aard van de gedraging (nr. 811), in casu de
aard van de opstal, een belangrijke rol. Aan de hand hiervan kan namelijk
worden bepaald welke eisen moeten worden gesteld aan de veiligheid van de
opstal. Ook wanneer een opstal in algemene zin
voldoet aan de wettelijke veiligheidsvoorschriften (brandweer,
arbeidsinspectie) kan deze niettemin gebrekkig zijn in de zin van art. 6:174;
zie HR 20
oktober 2000 (Foekens/Naim), J@
2000-172, NJ 2000, 700, VR 2001, 149. Dit sluit aan bij art. 6:162, op grond
waarvan wordt aangenomen dat iemand die zich aan de wettelijke voorschriften
houdt niettemin onrechtmatig kan handelen; zie nr. 826.
Indien
een opstal bestemd is om daarin of daarop bepaalde activiteiten te
verrichten (zoals sport- en spelgelegenheden) of om grote aantallen bezoekers
te ontvangen (zoals stadions), moeten het ontwerp en de inrichting daarop zijn
afgestemd. In dergelijke gevallen is de effectiviteit van
veiligheidsmaatregelen groter, omdat meer personen ervan profiteren. Daarnaast
is het een ervaringsfeit dat de individuele opmerkzaamheid afneemt in het kader
van een collectief. Omdat waarschuwingen dan in het algemeen minder effectief
zijn, dient het risico in dergelijke gevallen zo mogelijk te worden
weggenomen.[11]
In
een gemeentelijk schoolgebouw in Engeland bevonden zich in een lange gang
zwaaideuren met glazen ruiten. Toen een twaalfjarige scholiere een naar haar
toe openzwaaiende deur wilde tegenhouden, brak het glas en raakte zij ernstig
gewond aan haar hand. Volgens de rechter had de school onzorgvuldig gehandeld
door geen veiligheidsglas in de deur te plaatsen.[12]
Bij
het beantwoorden van de vraag of een opstal gebrekkig is moet rekening worden
gehouden met de activiteiten die in of op de opstal worden verricht, aldus HR 20
oktober 2000 (Foekens/Naim), J@
2000-172, NJ 2000, 700, VR 2001, 149. In een loods werden werkzaamheden
uitgevoerd, waaronder het autogeen snijden van metalen onderdelen van
treinstellen. Dit leverde, naar van algemene bekendheid is, brandgevaar op.
Toen er brand uitbrak breidde het vuur zich onverwacht snel uit, omdat de loods
was bekleed met brandbaar isolatiemateriaal. Eiser liep bij de brand letsel op
en hij stelde daarvoor zijn werkgever als bedrijfsmatige gebruiker van de
opstal aansprakelijk (art. 6:174 jo 6:181). Het hof overwoog dat in de loods
brandgevaarlijke werkzaamheden plaatsvonden en dat minder brandbaar
isolatiemateriaal had kunnen worden gebruikt. Het hof oordeelde, dat de loods
wegens het daarin aangebrachte brandbare isolatiemateriaal niet voldeed aan de
eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen. De Hoge Raad
achtte dit geen onjuiste rechtsopvatting. Zie ook HR 17
november 2000 (Fietspad Scheemda),
J@ 2000-212, NJ 2001, 10, waarover nr. 1213: Rekening
houden met fouten van weggebruikers.
Het
gaat bij art. 6:174 niet om absolute maar om voldoende veiligheid, zoals ook
blijkt uit HR 15 juni
2001 (Almelo/Wessels), J@ 2001-171, NJ
2002, 336, nt. CJHB. Bij een brand in een aantal bedrijfsgebouwen (voornamelijk
opslagruimten), die bij de bouw voor een deel waren voorzien van asbesthoudende
dakplaten, kwam asbesthoudend materiaal vrij. De gemeente liet dit materiaal
verwijderen en vorderde van het bedrijf vergoeding van de daarmee gemoeide
kosten. Het hof wees de vordering af. Het overwoog dat opstallen die voorzien
zijn van asbesthoudende dakplaten niet gebrekkig zijn in de zin van art. 6:174,
omdat de kans op het vrijkomen van asbesthoudend materiaal zeer gering is. Op
zichzelf schaadde de aanwezigheid van dergelijke platen niet de gezondheid en
(buiten het geval van brand) leverden de opstallen geen gevaar op voor personen
of zaken. Voorts was niet gesteld of gebleken dat door een bepaald bijzonder
gebruik van de opstallen of anderszins in relevant verhoogde mate rekening
diende te worden gehouden met het risico van een brand. Dit laatste punt vormt
het relevante verschil met HR 20
oktober 2000 (Foekens/Naim), J@
2000-172, NJ 2000, 700, VR 2001, 149. De Hoge Raad vond dat het hof geen blijk
had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Hij overwoog voorts dat, nu van
aansprakelijkheid op grond van art. 6:174 geen sprake was, niet kon worden
gezegd dat het bedrijf uitsluitend door een gevaarlijke situatie te laten
voortbestaan door na te laten het van haar opstallen afkomstig asbesthoudend
materiaal te (doen) verwijderen, een onrechtmatige daad jegens de gemeente
heeft gepleegd. Zie ook nr. 1316.
De
aard van de zaak kan meebrengen dat het risico niet behoeft te worden weggenomen
en dat daarvoor slechts behoeft te worden gewaarschuwd. Zo kan bij gebouwen die
tevens een monument zijn, de aard van de opstal een bezwaar vormen tegen een
verplichting om het risico weg te nemen, indien daarmee het historische
karakter van het pand wordt aangetast. Gedacht kan worden aan smalle trapjes,
verraderlijke afstapjes en lage doorgangen. In deze gevallen kan de
aansprakelijke persoon de onveiligheid laten voortbestaan mits hij de
bezoeker daarvoor duidelijk en afdoende waarschuwt.
Ook
bij historische kerkgebouwen behoeven risico's die elders niet worden
getolereerd niet steeds te worden weggenomen. Te denken valt aan ongelijke
vloeren als gevolg van oude grafstenen. Die behoeft de bezitter niet te verwijderen
en hij behoeft er evenmin voor te waarschuwen. Het is zelfs de vraag of hij in
een dergelijk kerkgebouw steeds voor optimale verlichting moet zorgen. Toen
iemand in Frankrijk in een halfduistere kerk struikelde, nam de rechter geen
aansprakelijkheid aan, omdat '... la nature particulière des lieux justifie la
pénombre; celle-ci imposait, de plus, une vigilance de la victime.'[13] De
rechter vergaf de kerk dus haar halfduistere karakter en vermaande de
gestruikelde gelovige om beter op te letten.
De
vereiste veiligheid van een opstal wordt niet alleen bepaald door de aard van
de zaak maar ook door de plaatselijke omstandigheden. Zo dienen in
sneeuwgebieden bouwkundige voorzieningen aan gebouwen te voorkomen dat pakken
sneeuw en ijs van het dak op de weg vallen. In Frankrijk geldt deze
verplichting bijvoorbeeld niet in Parijs, waar zelden (veel) sneeuw valt: een
dergelijke investering weegt daar niet op tegen de omvang van het risico.[14]
Voor Nederland kan uiteraard hetzelfde worden aangenomen.
Ook
bij plotseling optredende gebreken, bijvoorbeeld een ontploffende
verwarmingsketel, is de bezitter op grond van art. 6:174 in beginsel
aansprakelijk. Als de bezitter op de hoogte zou zijn geweest van het
ontploffingsrisico van de ketel (bestanddeel van de opstal), zou hij immers een
onrechtmatige daad plegen door de toestand te laten voortbestaan. Hooguit zou
hij op grond van de zogenaamde tenzij-formule
(art. 6:174 lid 1 slot; zie nr. 1202) kunnen
proberen aan te tonen dat het gebrek zo kort voor de ontploffing is ontstaan
dat hij ook bij bekendheid daarmee geen maatregelen meer had kunnen nemen maar
dat zal veelal op praktische problemen stuiten.
Een
opstal kan ook gebrekkig worden door de aanwezigheid daarop van voorwerpen of
vloeistoffen die er niet thuishoren.[15] In België wordt in dit kader gewerkt
met het begrip 'samengestelde zaak': roerende zaken of vloeistoffen op de
onroerende zaak worden als een geheel beschouwd. Ten aanzien van dat geheel
wordt beoordeeld of er sprake is van een gebrek. Zo wordt bijvoorbeeld een
groentenblad op de vloer van een groentenafdeling van een supermarkt veelal
niet als een gebrek beschouwd maar een groentenblad op de vloer van een
afdeling zuivel in beginsel wel (nr. 307). Naar Nederlands recht zou op gelijke
wijze moeten worden geoordeeld. Te denken valt aan een door obstakels
onvoldoende toegankelijke vluchtweg, aan een over een voetpad gespannen touwtje
en aan een uitstalvlonder die deels op het looppad in een winkel staat. Ten
aanzien van de gebrekkigheid van wegen wordt op dit punt in de lagere
Nederlandse rechtspraak overigens wel anders geoordeeld (nr. 1212).
Op
de benadeelde rusten in beginsel stelplicht en bewijslast ten aanzien van de
aanwezigheid van het gebrek. In de Toelichting Meijers wordt daarbij echter
opgemerkt: 'Natuurlijk zal hier in vele gevallen "res ipsa loquitur"
gelden: uit het feit van de instorting put de rechter het vermoeden dat het
bouwwerk in een gebrekkige toestand verkeerde.'[16] Dat vermoeden zal
uiteraard niet alleen aan de instorting van het bouwwerk worden ontleend maar
ook aan andere feiten die betrekking hebben op de gebrekkigheid van de opstal.
10. Parl. Gesch. Boek 6, p. 755.
11. Münchener Kommentar-Mertens (1997), § 823
N 244; Von Bar, Verkehrspflichten (1980), § 3 I 6.
12. Reffell v.
Surrey County Council (1964) 1 WLR 358.
13. Civ. 2e 19 juli 1966,
JCP 1967. 15228, note Dejean de la Bathie, Gaz. Pal. 1966. 2. 222.
14. Trib. inst. 11 oktober en 17 november
1966, Gaz. Pal. 1967. 1. 94 en Civ. 1re 9 juni 1975, JCP 1977. 18544 (1re
espèce). Zie
ook Civ. 2e 15 maart 1978, D. 1978. IR. 406: iemand glijdt in een
wintersportoord uit op een besneeuwde buitentrap; de cassatierechter neemt geen
’fait de la chose’ aan in de zin van art. 1384 al. 1 CC, omdat er sprake is van
een ‘comportement normal de la chose’.
15. Asser-Hartkamp III (1998), nr 188-189.
16. Parl. Gesch. Boek 6, p. 755.