AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

12     AANSPRAKELIJKHEID VOOR ONROERENDE ZAKEN

 

12.1  Risico-aansprakelijkheid voor onroerende zaken

 

1202 Toepassingsvereisten artikel 6:174 BW

 

De bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, is, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt, aansprakelijk, tenzij hij geen fout zou hebben begaan, indien hij dit gevaar op het tijdstip van het ontstaan ervan zou hebben gekend.

 

De in art. 6:174 opgenomen aansprakelijkheid voor gebrekkige opstallen vormt een uit­breiding ten opzichte van wat op grond van art. 1405 (oud) BW gold.[5] Deze regel vereiste dat er sprake was van een gehele of gedeeltelijke instorting als gevolg van een verzuim in het onderhoud of een gebrek in de bouw of de inrichting. In Frankrijk, België en Duits­land gelden nog soortge­lijke regels (nr. 1201).

 

Voor wat betreft de aansprakelijke persoon geldt in art. 6:174 als uitgangspunt, dat de risico-aanspra­kelijk­heid rust op de bezitter van de opstal (lid 1); degene die in de openba­re registers als eigenaar van de opstal of van de grond staat ingeschreven wordt vermoed de bezitter te zijn (lid 4). Bij erfpacht rust de aansprakelijkheid op de bezitter van het erfpachtsrecht, bij openba­re wegen op het overheidslichaam dat moet zorgen dat de weg in goede staat verkeert (vgl. art. 15 e.v. Wegenwet) en bij leidin­gen op de leidingbeheer­der, behalve voor zover de leiding zich bevindt in een ge­bouw of werk en strekt tot toevoer en afvoer ten behoeve van dat gebouw of werk (lid 2).

 

Wordt de opstal gebruikt in de uitoefening van een bedrijf, dan rust de aansprake­lijkheid op degene die dit bedrijf uitoefent, tenzij het ontstaan van de schade niet met de uitoefening van het bedrijf in verband staat (art. 6:181 lid 1). Wordt de opstal in de uitoefening van een bedrijf gebruikt door deze ter beschik­king te stellen voor ge­bruik in de uitoefening van het bedrijf van een ander, dan wordt die ander als de aan­sprakelijke persoon aangemerkt (lid 2). De aansprakelij­ke persoon kan zich niet ver­weren met een beroep op zijn jeugdige leeftijd of op een geestelijke of lichamelijke tekortkoming (art. 6:183 lid 1).

 

Onder opstal in de zin van art. 6:174 worden verstaan gebouwen en werken, die duur­zaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereni­ging met andere gebouwen of werken (lid 3). Bij een openbare weg omvat zij mede het weglichaam en de weguitrusting (lid 5). Het moet gaan om gebouwen en werken die door de mens duur­zaam boven, op of onder de grond zijn aangebracht. Natuurlijke elementen, zo­als bomen en struiken, vormen derhal­ve geen op­stal. Tijdelij­ke en ver­plaatsbare construc­ties vormen evenmin een opstal; wel vallen alle bestandde­len van het gebouw of werk onder dit begrip.[6]

 

Zie ook HR 17 november 2000 (Fietspad Scheemda), J@ 2000-212, NJ 2001, 10, VR 2001, 116, waarover nr. 1213: Rekening houden met fouten van weggebruikers. In dit arrest ging het om een smal fietspad dat als gebrekkig werd aangemerkt op grond van de hoekige en steile randen. Ook de berm van een weg kan als (onderdeel van de) opstal worden aangemerkt indien deze een onderdeel is van het weglichaam, dat wil zeggen van ‘het geheel van constructieve onderdelen dat aan de weg de nodige stabiliteit verleent.’ (Parl. Gesch. Inv. Boek 6, p. 1393). Te denken valt aan een zachte berm waarvoor niet is gewaarschuwd, gaten in de berm of een steile berm die onvoldoende is afgeschermd. Voor zover de berm niet als opstal kan worden beschouwd, kan de aansprakelijkheid van de wegbeheerder veelal volgen uit art. 6:162. De onrechtmatigheid hangt dan, evenals de gebrekkigheid, mede af van de aard van de weg (voetpad, fietspad, autoweg) en van de te verwachten onvoorzichtigheid en onoplettendheid van de verkeersdeelnemers. Indien het wegnemen van het risico te bezwaarlijk is, moet de wegbeheerder voldoende duidelijk voor het risico waarschuwen; zie nr. 823 en nr. 1213: Rekening houden met fouten van weggebruikers. Indien het ongeval een gevolg is van een plotseling optredende tekortkoming en niet van een tekortkoming in het ontwerp of de constructie, kan onrechtmatigheid ontbreken. Dit is het geval indien de wegbeheerder, de omvang van het risico in aanmerking genomen, aan zijn onderhouds- en onderzoeksplicht heeft voldaan; zie  nr. 820: Onderzoeksplichten.

 

Er is aansprakelijkheid indien de opstal niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en daardoor gevaar voor personen of za­ken ople­vert (lid 1). Beslissend is met andere woorden of de opstal gebrekkig is. Wanneer daar­van sprake is komt in nr. 1203: Gebrekkige opstal aan de orde.

 

Is er sprake van een gebrekkige opstal, dan is de bezitter in beginsel aansprakelijk. Dit is slechts anders, indien de zogenaamde tenzij-formule van toepassing is. Dat is het geval indien de aansprakelijke persoon in de desbetreffende casus geen toerekenbare on­rechtmatige daad zou hebben begaan indien hij het gevaar op het tijdstip van het ontstaan ervan zou hebben gekend. Deze construc­tie impliceert in de praktijk dat de bezitter een beroep kan doen op de eigen schuld van de benadeelde, op het ontbreken van causaliteit en relati­viteit en op de aanwezigheid van een rechtvaardi­gingsgrond. Hij kan zich niet beroe­pen op het feit dat hij het risico niet behoorde te kennen of te vermijden; toereke­ning (kennen en kunnen) in de zin van art. 6:162 lid 3 speelt dus geen rol. Wel impli­ceert de tenzij-formule dat risico-aansprakelijk­heid ont­breekt indien de bezitter aantoont, dat het gebrek zo kort voor het ongeluk is ontstaan dat het nemen van maatre­gelen niet meer mogelijk zou zijn geweest, ook al zou hij het gevaar op het tijdstip van het ontstaan ervan hebben gekend.[7]

 

Art. 6:174 is alleen van toepassing indien de verwezenlijking van het gevaar tot schade voor personen of zaken heeft geleid. Vermogensschade komt voor vergoe­ding in aanmerking indien deze hiermee in voldoende verband staat (art. 6:98).[8]

 

Voor wat betreft de aansprakelijkheid voor onroerende zaken zijn voorts de art. 6:176 en 6:177 van belang.[9] In deze regels is de aansprakelijkheid niet gebaseerd op de aanwe­zigheid van een gebrek. Op grond van art. 6:176 rust op de exploitant van een stortplaats een risico-aan­sprake­lijkheid voor de schade die ontstaat als gevolg van de verontreiniging van lucht, water of bodem met de daar gestorte stoffen. De exploitant van een boorgat is ex art. 6:177 risico-aan­sprakelijk voor de schade die ontstaat door de uitstroming van delfstoffen als gevolg van het niet beheer­sen van de ondergrondse natuurkrachten die door de aanleg of bij de exploitatie van het boorgat zijn ontketend. Net als bij art. 6:175 (nr. 1303: Risico-aansprakelijkheid: artikel 6:175 BW), kan de aansprakelijke per­soon zich beroepen op de uitsluitingsgronden van art. 6:178.

 

5. Zie over art. 6:174 ook Klaassen, Risico-aansprakelijkheid (1991), p. 104-121; Sterk, Verhoogd gevaar in het aansprakelijkheidsrecht (1994), p. 191-201; Asser-Hartkamp III (1998), nr. 186-192.

6. Parl. Gesch. Boek 6, p. 753-754.

7. Parl. Gesch. Boek 6, p. 756. Onrechtmatige daad (Oldenhuis), art. 6:174, aant. 55-65 en 101-106.

8. Asser-Hartkamp III (1998), nr. 175.

9. Spier en Sterk, Aanspra­ke­lijkheid voor gevaarlijke stoffen (1995).

 

Naar boven    Inhoud      Home