________________________________________
12 AANSPRAKELIJKHEID
VOOR ONROERENDE ZAKEN
12.1 Risico-aansprakelijkheid voor onroerende zaken
1201 Internationaal perspectief
In de continentale rechtsstelsels geldt
vanouds een risico-aansprakelijkheid voor de eigenaar van een gebouw dat
instort als gevolg van gebrekkig onderhoud of een gebrek in de constructie.
Daarnaast kennen Frankrijk en België een algemene risico-aansprakelijkheid voor
onroerende zaken; in België is deze beperkt tot gebrekkige onroerende zaken.
Frankrijk
kent een risico-aansprakelijkheid voor onroerende zaken in art. 1386 CC.
Volgens deze bepaling is de eigenaar van een gebouw aansprakelijk voor de schade
die wordt veroorzaakt door de instorting die het gevolg is van gebrekkig
onderhoud of een gebrek in de constructie. Daarnaast is de algemene
‘responsabilité du fait des choses’ (art. 1384 al. 1 CC) van toepassing op
onroerende zaken. Dit is het geval indien de zaak oorzaak was van de schade;
slechts het bewijs van overmacht kan de ‘gardien’ van aansprakelijkheid
bevrijden; nr. 216: Vereisten en
verweren.
Naar
Belgisch recht geldt deels hetzelfde als naar Frans recht. Op grond van art.
1386 BW is de eigenaar van een gebouw aansprakelijk is voor de schade
veroorzaakt door de instorting ervan, die te wijten is aan een verzuim in
onderhoud of aan een gebrek in de bouw. Voorts is de algemene aansprakelijkheid
voor gebrekkige zaken (art. 1384 lid 1 BW) in beginsel tevens van toepassing op
onroerende zaken. Een bijzonderheid daarbij is de constructie van de
samengestelde zaak (nr. 306-307).
In
het Duitse recht geldt op grond van de § 836-838 BGB een foutaansprakelijkheid
met omgekeerde bewijslast voor de bezitter en de onderhoudsplichtige van een
gebouw; zij is van toepassing bij de instorting van het gebouw of bij het
afbreken van een gedeelte daarvan. Er geldt geen algemene
risico-aansprakelijkheid voor onroerende zaken maar wel een aantal bijzondere
bepalingen die een deel van het probleem bestrijken. Te denken valt met name
aan de risico-aansprakelijkheid van de exploitanten van gas- en electriciteitsleidingen
(§ 2 Haftpflichtgesetz); nr. 419:
Risico-aansprakelijkheid (Gefährdungshaftung).
Engeland
kent ten aanzien van onroerende zaken weliswaar bijzondere regels in de
Occupier's Liability Act 1957, de Occupier's Liability Act 1984 en de Highway
Act 1980 maar deze regelingen gaan steeds uit van een foutaansprakelijkheid.
Bij de Rule in Rylands v. Fletcher, die een aansprakelijkheid vestigt voor iets
dat van het eigen terrein 'ontsnapt' en daarbij aan een ander schade toebrengt,
ging het aanvankelijk om een regel van risico-aansprakelijkheid maar
tegenwoordig bevat zij in feite een foutaansprakelijkheid met omgekeerde
bewijslast (nr. 521).
De
grote lijn uit het bovenstaande is dat er in de continentale systemen een
bijzonder aansprakelijkheidsregime geldt voor instortende gebouwen. In
Duitsland is dat een foutaansprakelijkheid met omgekeerde bewijslast en in
Frankrijk en België een risico-aansprakelijkheid, zoals dat tot 1992 ook in
Nederland op grond van art. 1405 (oud) BW het geval was. Daarnaast geldt in
Frankrijk en België een algemene aansprakelijkheid voor onroerende zaken, resp.
gebrekkige onroerende zaken.[1]
Het
verschil tussen een foutaansprakelijkheid en een risico-aansprakelijkheid voor
gebreken enerzijds en een zuivere risico-aansprakelijkheid die in Frankrijk
geldt anderzijds, komt met name tot uitdrukking in de bewijslast. Toen in
Frankrijk een kind van een roltrap viel, besliste de Cour de cassation op basis
van art. 1384 al. 1 CC dat de hoteleigenaar, de ‘gardien’, in beginsel
aansprakelijk was, tenzij hij overmacht kon aantonen, in die zin '... que
l'accident avait une cause étrangère au fonctionnement de l'escalator et
révêtait à l'égard de l'hôtel un caractère imprévisible et irrésistible'.[2]
Bij een aansprakelijkheid op grond van art. 6:174 en art. 6:162 ligt de
bewijslast van het gebrek c.q. de onrechtmatigheid in beginsel bij de
benadeelde.[3]
Op het eerste gezicht lijkt vanuit het Nederlandse recht
met betrekking tot art. 6:174 alleen een vergelijking mogelijk met het
Belgische recht ten aanzien van het gebrekvereiste.[4] Ook andere
rechtsstelsels lenen zich echter goed voor een vergelijking. De reden daarvoor
is dat, zoals in nr. 1003 is uiteengezet, het gebrekvereiste feitelijk niet
veel verschilt van het onrechtmatigheidsvereiste. Dit betekent dat voor de
invulling van het gebrekbegrip ook aansluiting kan worden gezocht bij de
foutaansprakelijkheid voor onroerende zaken in landen als Duitsland
(Verkehrspflichten) en Engeland (Occupier's Liability Acts). Concreet gaat het
dan vooral om het belang van de verschillen in de aard van de onroerende zaak
(nr. 1203: Gebrekkige
opstal), de positie van de onbevoegde bezoeker (nr.
1209) en de vraag in hoeverre rekening moet worden gehouden met onvoorzichtige
bezoekers (nr. 1210: Rekening
houden met fouten van jeugdige bezoekers; nr. 1211).
1. Zie ook Von Bar, Gemeineuropäisches
Deliktsrecht (1996), N 223-236.
2. Civ. 2e 2
april 1997, D. 1997. IR. 105.
3. Parl. Gesch. Boek 6, p. 755.
4. Zie L. Cornelis, De aansprakelijkheid voor
gebrekkige zaken in België en Nederland, RM Themis 1987, p. 165-179.