AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

11     INLEIDING DEEL III

 

1102 Aansprakelijkheid voor nalaten

 

Bij de aansprakelijkheid voor nalaten gaat het om verplichtingen om te doen ten aanzien van risico's die iemand niet zelf heeft veroorzaakt maar die in het leven zijn geroepen door de benadeelde, door een derde of door de natuur. Een verplichting om te doen kan slechts voortvloeien uit een speci­ale relatie die iemand met een zaak of een persoon heeft.

 

Wanneer in de Nederlandse literatuur de waterscheiding in de geschiedenis van de on­rechtmatige daad wordt beschreven, figureren daarin vrijwel steeds het beruchte arrest van de Zutphense juffrouw uit 1910 en het beroemde Lindenbaum/Cohen-arrest uit 1919.[2] In het eerste arrest ging het om een duidelijk geval van nalaten, terwijl de Hoge Raad in het Lindenbaum/Cohen-arrest besliste, dat niet alleen een handelen in strijd met het ongeschreven recht onrechtmatig kan zijn maar ook een nalaten.

 

Het onderscheid tussen doen en nalaten kwam onder het oude recht ook aan de orde in de art. 1401 en 1402 (oud) BW, die parallel liepen aan de Franse en Belgische art. 1382 en 1383 CC/BW (nr. 201: Overzicht en nr. 301: Inleiding). Volgens bijvoorbeeld Opzoomer had art. 1401 betrekking op de onrechtmatige daad en art. 1402 op onrechtmatig nalaten.[3] Voor zover dit onderscheid praktisch belang heeft gehad, is dit na het Lindenbaum/Cohen-arrest verdwenen. Thans geldt op grond van art. 6:162 lid 2, dat zowel een doen als een nalaten onrechtmatig kan zijn.[4]

 

In het algemeen hebben landen met een casuïstisch georiënteerd aansprakelijkheids­systeem, zoals Engeland en Duitsland, meer aandacht aandacht aan aansprakelijkheid voor nalaten besteed dan landen met een conceptualistisch (open) systeem, zoals Frank­rijk en België (nr. 601). Het Engelse en Duitse aansprakelijkheidssysteem boden aan­vankelijk in beginsel geen mogelijkheden voor het aannemen van verplichtingen om te doen. Vanuit dit beginsel heeft de rechtspraak in beide landen vastgesteld in welke geval­len een dergelijke verplichting wèl bestond. In het Engelse recht is dit geschied aan de hand van de vraag of er sprake is van een ‘duty of care’, één van de vereisten voor een geslaagde actie op grond van de ‘tort of negligence’ (nr. 506).

 

De Duitse rechtspraak heeft verplichtingen om te doen ontwikkeld in het kader van de zogenaamde ‘Verkehrspflichten’, die van toepassing zijn bij het indirect veroorzaken van schade (nr. 406). ‘Verkehrspflichten’ komen niet uit de lucht vallen maar zijn steeds ge­baseerd op een relatie van de ‘Verkehrspflichtige’ met de plaats van het ongeval, met een roerende zaak of met het potentiële slachtoffer. Aan aansprakelijkheid voor nalaten gaat dus steeds een verplichting tot een doen vooraf: 'Die Unterlassung spielt im Zivilrecht eine erhebliche Rolle. Das Gebiet der Verkehrssicherungspflichten wird sogar von ihr be­herrscht. Unterlassungen sind nach allgemeiner Ansicht nur dann widerrechtlich, wenn sie einer Pflicht zum Tun widersprechen.'[5]

 

In Frankrijk, België en Nederland, waar een algemene regel voor de foutaansprake­lijkheid geldt, heeft de rechtspraak voldoende mogelijkheden om aansprakelijkheid voor nalaten aan te nemen. Deze systematische ruimte kan een oorzaak zijn van het ge­brek aan belangstelling voor de inhoudelijke kant van de aansprakelijkheid voor nalaten: op de vraag welke verplichtingen om te doen het recht in deze landen kent, geeft de lite­ratuur slechts een terloops antwoord (nr. 210).

 

In deze landen staat in het algemeen de zorgvuldigheidsnorm voorop en komt pas daarna de relatie, c.q. de relativiteit aan de beurt. In Engeland en Duitsland vraagt men bij aansprakelijkheid eerst naar de relatie: is er een ‘duty of care’ of een ‘Verkehrspflicht’? Pas daarna komt de omvang van de zorgplicht aan de orde. Met name bij de aansprake­lijkheid voor nalaten is het ook in landen als Nederland wenselijk om eerst te vragen of er een verplichting bestaat. Of zoals Eggens in dit verband opmerkte: '... onrechtmatig nalatig kan men eerst zijn nadat men vooraf logisch en naar den tijd geno­men rechtens verplicht was geworden tot handelen. Anders gezegd: onrechtmatig nalaten is niet vol­doen aan de rechtsverplichting tot doen (handelen).'[6]

 

Van een dergelijke rechtsplicht is sprake indien iemand een speciale relatie heeft met een onroerende zaak, een roeren­de zaak, de dader of het slachtoffer.[7] Vervolgens moet worden vastgesteld wat de om­vang van deze verplichting is, zodat uiteindelijk kan wor­den geconclu­deerd of de ver­plichting is geschonden. Met andere woor­den: net zo min als zorgplichten jegens iedereen gelden (relativi­teit, nr. 705, nr. 706: Relatieve aansprakelijkheid: psychische schade en vermogensschade en nr. 830), rusten zorg­plich­ten op iedereen.

 

Het onderscheid tussen doen en nalaten is in de praktijk niet scherp (zie bijvoorbeeld nr. 511) maar in het algemeen kan worden gezegd dat het moet gaan om risico's die niet door de aansprakelijk gestelde persoon in het leven zijn geroepen maar door de natuur, de benadeelde of een derde. Een scherp onderscheid is ook niet nodig omdat er geen di­recte consequenties aan verbonden zijn. Indirect is het onderscheid wel van belang, om­dat bij verplichtingen tot een doen enige terughoudendheid bestaat bij het vaststellen van onrechtmatigheid en toerekening (nr. 811, nr. 818 en nr. 910). Bij de onrechtmatigheid komt dit bijvoorbeeld tot uitdrukking in het feit dat de kosten van voorzorgsmaatregelen, zoals het verrichten van onderzoek en controle, in deze gevallen hoog kunnen zijn. In het kader van de toerekening wordt vaker een minder streng vergelij­kingstype gehanteerd. De ach­tergrond van dit alles is, dat de inbreuk op het vrijheidsbe­lang groter wordt geacht indien iemand verplicht om iets wel te doen dan indien hij verplicht wordt om iets niet te doen.[8]

 

2. HR 10 juni 1910 (Zutphense juffrouw), W. 9038; HR 31 januari 1919 (Lindenbaum/Cohen), NJ 1919, 161, nt. EMM; W. 10365, nt. Molengraaff.

3. Opzoomer, Het Burgerlijk Wetboek verklaard (1879), p. 321 e.v. Andere schrijvers zagen het on­derscheid tussen deze artikelen in opzettelijke (art. 1401) en culpose (art. 1402) gedragin­gen; zie Van Maanen, Onrechtmatige daad (1986), p. 104 en Asser-Hartkamp III (1998), nr 27.

4. Zie echter ook de zinsnede 'als een doen te beschouwen gedraging' in de art. 6:165 lid 1 en 6:169 lid 1, waarover nr. 1601: Inleiding.

5. Deutsch, Unerlaubte Handlungen (1995), N 86. Zie ook Staudinger-Schäfer (1986), § 823 N 297.

6. Eggens, De bronnen van verbintenis (1950), p. 366.

7. Zie ook H. Drion, Aansprakelijkheid voor andermans fouten (1982), p. 92: 'Als de wetgever wil dat iets niet gebeurt, dan zal hij zijn verbod algemeen kunnen stellen, zonder precies aan te geven wie er door gebonden worden. Maar wil hij dat er iets positiefs gedaan wordt, dan zal hij ook moeten aangeven op wie deze verplichting rust.'

8. Prosser and Keeton on the Law of Torts (1984), p. 373.

 

Naar boven    Inhoud      Home