AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

11     INLEIDING DEEL III

 

1101 Kwalitatieve fout- en risico-aansprakelijkheid

 

Kwalitatieve aansprakelijkheid is aansprakelijkheid op grond van een speciale relatie met een zaak (onroerend of roerend) of een persoon (dader of slachtoffer). Zij is niet alleen van belang bij risico-aansprakelijkheid maar ook bij foutaansprakelijkheid. Deze kwalitatieve aansprakelijk­heid is het thema van Deel III.

 

Het vorige deel bevatte een analyse van de foutaansprakelijkheid (de toerekenbare on­rechtmatige daad) en haar verhouding tot de risico-aansprakelijkheid. Tegen de ach­tergrond daarvan gaat het in dit Deel III om de kwalitatieve aansprakelijkheid: de aansprakelijkheid op grond van iemands kwaliteit als toezichthouder op zaken en op perso­nen. Kwalitatieve aansprakelijkheid is met andere woorden de aansprakelijkheid op grond van een specia­le relatie die iemand heeft met die zaken of personen. Deze aansprakelijk­heid kan zowel op fout als op risico zijn gebaseerd.

 

Naast deze inleiding bestaat dit deel uit vijf hoofdstukken: Hoofdstuk 12 gaat over aansprakelijkheid voor onroerende zaken, Hoofdstuk 13 over aansprakelijkheid voor roe­rende zaken, Hoofdstuk 14 over aansprakelijkheid voor personen en Hoofdstuk 15 over aansprakelijkheid binnen bijzondere rechtsbetrekkingen. In Hoofdstuk 16 komt de aan­sprakelijkheid voor 'zuiver' nalaten aan de orde.

 

De kwalitatieve aansprakelijkheid voor personen en zaken is allereerst bekend uit de regels van risico-aansprakelijkheid. Deze regels worden veelal vastgeknoopt aan een be­paalde kwaliteit, zoals die van bezitter of bedrijfsmatige gebruiker van een roe­rende of onroerende zaak (art. 6:173-179), producent (art. 6:185 e.v.), eigenaar of hou­der van een motorrijtuig (art. 185 WVW), ouder/voogd, werkgever, opdrachtgever en vertegen­woordigde (art. 6:169-172). In andere rechtsstelsels gelden bij risico-aansprakelijkheid soortgelijke constructies (nr. 1201: Internationaal perspectief, nr. 1301: Internationaal perspectief en nr. 1401: Internationaal perspectief).

 

Niet alleen bij risico-aansprakelijkheid maar ook bij foutaansprakelijkheid is de kwaliteit van de aansprakelijke persoon van belang. Het gaat hierbij niet alleen om de relativiteit van de norm aan de zijde van de benadeelde (nr. 705, nr. 706: Relatieve aansprakelijkheid: psychische schade en vermogensschade en 830) maar ook om de relati­viteit daarvan aan de zijde van de aansprakelijke persoon. Met andere woorden: aansprakelijk­heidsnormen beschermen niet iedereen en zij rusten niet op iedereen. Dit blijkt in het bijzon­der uit het Broodbe­zor­ger-arrest. De vier- en vijfjari­ge Trudy en Maurice Hedde­ma hadden gezien dat er een touwtje over het pad naar de voordeur van hun ouderlijk huis hing maar zij hadden het touwtje niet zelf opgehangen. De vraag was of zij de broodbe­zorger die er­over struikelde desondanks hadden moeten waarschu­wen. De Hoge Raad vond van niet. In de eerste plaats was de ernst van het risico niet tot hun bewust­zijn doorgedrongen en ten tweede was er voor hen geen sprake '... van bijzondere verplich­tingen tot zorg en oplettendheid zoals kunnen voort­vloeien uit een speciale relatie met het slachtoffer of met de plaats waar de gevaars­situa­tie zich voor­doet'.[1] Volgens de Hoge Raad bestaat er dus voor kinderen ten opzich­te van het eigen erf geen bijzondere verplichting tot zorg en oplettendheid (nr. 1205).

 

Aansprakelijkheid voor nalaten komt derhalve pas aan de orde indien er sprake is van een speciale relatie. Uit hetgeen op dit punt in andere landen geldt, kan worden afgeleid dat er niet alleen, zoals de Hoge Raad leert, sprake kan zijn van een speciale relatie met de onroerende zaak waar het risico zich manifesteert of met het slachtoffer maar ook met de roerende zaak of met de dader die de bron van het risico vormen (nr. 210, nr. 406 en nr. 511-512). Zie uitvoeriger over de aansprakelijkheid voor nalaten nr. 1102.

 

Het bestaan van een speciale relatie is niet alleen relevant bij de aansprakelijkheid voor nalaten. Ook bij aansprakelijkheid voor een doen is een dergelijke relatie van be­lang. Zo dient iemand die in een motorrijtuig rijdt een hogere mate van zorgvuldigheid te betrachten dan wie zich te voet over straat begeeft (nr. 811).

 

Kortom: kwalitatieve aansprakelijkheid speelt over de volle breedte van het aansprakelijkheidsrecht een belangrijke rol. Daarom is Deel III ingedeeld op basis van de specia­le relaties (kwaliteiten) die hierboven werden aangegeven. Doordat per relatie zowel risico-aansprakelijkheid als foutaansprakelijkheid aan de orde komt, ontstaat op elk terrein een samenhangend beeld. Niet alleen kan op die manier een vergelijking plaats­vinden van de uiteenlopende vormen van risico-aansprakelijkheid in de diverse rechtsstel­sels, ook kan worden bepaald op welke gebieden risico-aansprakelijkheid niet van toepas­sing is en waarop derhalve een vergelijking op basis van foutaansprakelijkheid nuttig is.

 

Op wie kwalitatieve risico-aansprakelijkheid rust, wordt veelal door de wet bepaald. Zo is in Nederland bij de risico-aansprakelijkheid voor zaken gekozen voor de bezitter of de bedrijfsmatige gebruiker van de zaak. Op wie kwalitatieve foutaansprakelijkheid rust, hangt steeds af van de omstandigheden van het geval. Deze persoon wordt in het vervolg steeds aangeduid met de term toezichthouder; dat is degene die een speciale relatie met een zaak (onroerend en roerend) of een persoon (dader en slachtoffer) heeft.

 

Jegens wie de kwalitatieve aansprakelijkheid geldt, wordt zowel bij risico- als bij foutaansprake­lijkheid bepaald door de omstandigheden van het geval (nr. 705, nr. 706: Relatieve aansprakelijkheid: psychische schade en vermogensschade en nr. 1102). Bij de aan­sprakelijkheid voor onroerende zaken is dat in beginsel de rechtmati­ge bezoe­ker (nr. 1209) en bij roerende zaak bijvoorbeeld wel de medeweggebruiker maar niet de versteke­ling (nr. 705 en nr. 1312).

 

De rechtvaardiging voor de verantwoordelijkheid van de toezichthouder ligt in zijn kennis van de risico's die zich kunnen voordoen en in zijn mogelijkheden (kunde) om deze risico's te voorkomen, op te heffen of te beperken. Bij de potentiële benadeelde ontbreekt deze kennis en kunde veelal of zal hij op de risico's onvoldoende attent zijn of kunnen zijn. Naast deze voorsprong in kennis en kunde, speelt bij een bedrijfsmatige toe­zichthouder het profijtbeginsel een rol. Wie uit professionele of commerciële overwegin­gen van zaken of personen gebruik maakt en daarvan de lusten geniet zal daarvan eer­der de lasten moeten dragen. Dat leidt naast vormen van risico-aansprakelijkheid ook tot scherpe zorgplichten, bijvoorbeeld in het kader van art. 7:658 (nr. 1508: Veilige werkplek).

 

1. HR 22 november 1974 (Broodbezorger), NJ 1975, 149, nt. GJS, waarover ook nr. 1601.

 

Naar boven    Inhoud      Home