AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

__________________________________

 

9        TOEREKENING

 

9.2.2 Subjectieve en objectieve toetsing

 

911   Subjectieve toetsing: opzet en bewuste roekeloosheid

 

Van een subjectieve toetsing is noodzakelijkerwijs sprake bij het vaststellen van opzet en bewuste roekeloosheid. Dit komt met name aan de orde in sommige gevallen van ‘eigen schuld’ en bij de vraag of een aansprakelijkheidsverzekeraar zich kan beroepen op de zogenaamde opzetclausule.

 

Om te kunnen vaststellen of iemand schade opzettelijk heeft toegebracht, dient een subjectie­ve toetsing plaats te vinden: 'Il est naturellement et traditionnellement admis que, pour savoir s'il y a faute intentionnelle, le juge doit se livrer à une analyse subjecti­ve du comportement concret de l'individu, compte tenu de ses particularités, de sa force physique, de son caractère, de sa profession, etc.'[54] De intentie, de bedoeling van deze persoon is derhalve bepalend voor het antwoord op de vraag of er sprake is van opzet; hetzelfde geldt voor bewuste roekeloosheid.

 

De Hoge Raad stelt het begrip grove schuld op één lijn met bewuste roekeloosheid. Dat kan worden afgeleid uit een arrest waarin het ging om de betekenis van het begrip grover schuld in de zin van art. 3 Loodsenwet. In HR 4 februari 2000 (Solon), NJ 2000, 429, nt. K.F. Haak, werd beslist dat hieronder moet worden verstaan ‘… een handelen of nalaten van de loods dat roekeloos en met de wetenschap dat schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien is geschied.’

 

De toetsing van opzet en bewuste roekeloosheid vindt allereerst plaats bij de eigen schuld van de werknemer in het kader van art. 7:658 (nr. 1508). De werkgever kan zich alleen op eigen schuld van de werknemer beroepen in geval van opzet of bewuste roekeloosheid (art. 7:658 lid 2).[55] Zie ook de art. 6:170 lid 3 en 7:661. In het arrest Pollemans/Hoondert ging het om een werknemer die zich, ondanks krachtige waarschu­wingen van de werkgever, op een onbe­schermd gedeelte van het dak van een in aanbouw zijnd gebouw had begeven en vervol­gens naar beneden was gevallen. De Hoge Raad overwoog: 'Van bewust roekeloos handelen door Pollemans zou eerst sprake zijn, indien deze zich tijdens het verrichten van zijn onmiddellijk aan het ongeval voorafgaande gedraging, te weten het naast de aanwezige beveiliging lopen, van het roekeloos karakter van die gedraging daadwerkelijk bewust zou zijn geweest.' Voor dat oordeel is niet voldoende, '... dat Pollemans van de zijde van Hoondert herhaaldelijk en in krachtige termen ervoor is gewaarschuwd niet bui­ten de steigerdelen te lopen'[56] Met deze uitspraak is een beroep van de werkgever op opzet of bewuste roekeloosheid van de werk­nemer praktisch onmogelijk geworden. Zie ook HR 9 november 2001 (Van Doesburg/Tan), J@ 2001-297, NJ 2002, 79, nt. PAS, waarin de Hoge Raad de beperking van art. 7:658 via de band van art. 6:101 ook van toepassing achtte op een geval waarin de werkgever jegens de werknemer aansprakelijk was op grond van art. 6:170.

 

In het kader art. 185 WVW hanteert de Hoge Raad ten aanzien van jeugdige verkeersdeelnemers zowel bij overmacht als bij eigen schuld het criteri­um 'opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid' (nr. 1308). Dit criterium geldt ook in andere gevallen waarin kinderen het slachtoffer worden van de schending van een verkeers- of veiligheidsnorm door een ander (nr. 824). Voorts kan worden gewezen op het in 1997 inge­diende Wetsvoorstel Verkeersongevallen, waarin aansprakelijkheid van de bezitter of houder van een motorrijtuig jegens voetgangers, fietsers en passagiers slechts was uitge­sloten in geval van hun opzet of bewuste roekeloosheid.[57] Naar verwachting zal in een nieuw in te dienen wets­voorstel de aansprakelijkheid van de bezitter of houder van een motor­rijtuig ook zijn uitgesloten in gevallen van onbewuste roekeloosheid (nr. 1309). Een subjec­tie­ve toetsing is daarmee niet meer noodzakelijk.[58]

 

Vragen omtrent opzet doen zich ook voor in het kader van de aansprakelijkheid voor criminele gedragingen. Indien een slachtoffer de dader aansprakelijk stelt voor de geleden schade, is hij voor het verkrijgen van schadevergoe­ding afhan­kelijk van diens vermogens­positie (afgezien van de mogelijkheden die het Schade­fonds Geweldsmisdrijven biedt). Heeft de dader een aanspra­kelijkheids­ver­ze­ke­ring, dan zal de verzekeraar vaak dek­king weige­ren met een beroep op de opzet­clau­sule. Een beperkte uitleg van deze clausule is derhalve mede in het belang van het slachtoffer.[59]

 

In het algemeen is de reikwijdte van de opzetclausule beperkt tot schade, die voor de verzekerde het be­oogde of zekere gevolg is van zijn handelen of nalaten was: oogmerk en zeker­heidsbewustzijn (de dader heeft zekere schade op de koop toegenomen) zijn dus niet gedekt en voorwaardelijk opzet (de dader heeft mogelijke schade op de koop toege­nomen) wel. In een arrest uit 1996 gaf de Hoge Raad aan de opzetclausu­le een beperkte strekking in gevallen waarin iemand aansprakelijk is voor opzettelijk toege­bracht letsel­, zoals mishandeling.[60] Bij de WAM-verzekering ligt een beperkte uitleg minder voor de hand, om­dat het belang van het slacht­of­fer hier niet bij betrokken is. Deze heeft immers een eigen recht jegens de WAM-verzeke­raar (art. 6 en 11 WAM). In het algemeen geldt dat een geestelijke tekortkoming een beletsel is voor het aannemen van opzet.[61]

 

Bij het bewijs van opzet gaat het om een subjectieve, interne aangelegenheid. Het bewijs daarvoor mag echter worden afgeleid uit de objectieve, uiterlij­ke gedraging van de ver­oorza­ker.[62] Dat is veelal goed te doen indien het gaat om de vraag of iemand opzette­lijk heeft gehan­deld, zoals wanneer iemand een ander met de vuist neer­slaat. Ingewikkel­der is het beantwoorden van de vraag waarop het opzet was gericht: op het ver­oorzaken van pijn, van licht letsel of van ernstig letsel? Voor het beantwoorden van die vraag vormt het veroor­zaakte gevolg een belang­rijke indicatie maar dit is anders indien het gevolg ernsti­ger is door de bijzondere kwets­baar­heid van het slacht­offer.[63]

 

Inmiddels is het Verbond van Verzekeraars in het kader van het Standaardpolismodel AVP 2000 gekomen met een nieuwe opzetclausule, teneinde de reikwijdte die de Hoge Raad aan de oude clausule heeft gegeven in te perken. Zie over deze clausule onder meer N. Frenk, NbBW 2000, p. 86-93. Zie ook Column: Schade door zinloos geweld toch gedekt op de AVP-polis.

 

54. Terré-Simler-Lequette, Les obligations (1996), nr. 696. Zie ook Chabas, Responsabilité civile et responsabilité pénale (1975), p. 55; Cornelis, Het Belgische buitencontractuele aansprakelijkheids­recht (1989), nr. 96.

55. HR 27 maart 1992 (Morsink/Nebem), NJ 1992, 496, nt. PAS, VR 1993, 9.

56. HR 20 september 1996 (Pollemans/Hoondert), NJ 1997, 198, nt. PAS, VR 1997, 57. Zie ook HR 11 septem­ber 1998 (Van der Wiel/Philips Lighting), NJ 1998, 870, VR 1999, 30.

57. Kamerstukken II, 1997-1998, 25 759, nr. 1-3.

58. Zie over schuldgraden: G. Viney, Sur la distinction entre fautes intentionnelles, inexcusables et lourdes, D. 1975, p. 263; Carbonnier, Les obligations (1998), § 222, p. 377-378; Cornelis, Het Belgische buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht (1989), nr. 98.

59. Aldus ook H.A. Bouman, Noot onder Rb. Amsterdam 17 juli 1985, VR 1987, p. 278.

60. HR 18 oktober 1996 (Nationale Nederlanden/Veerman), NJ 1997, 326, nt. MMM, VR 1997, 56, nt. CCvD. Zie reeds RvT 3 december 1990, VR 1991, 112. Zie voor het Franse recht art. l. 113-1, al. 2, Code des assurances en de verwijzingen bij Terré-Simler-Lequette, Les obligations (1996), nr. 695, noot 4.

61. HR 27 maart 1987 (X/Levob), NJ 1987, 659; HR 27 maart 1987 (X/Interpolis), NJ 1987, 658. Zie over de verhouding tussen verminderde toerekeningsvatbaarheid en opzet ook J.C. van Eijk-Grave­land, VR 1993, p. 297-300.

62. Zie ook Wansink, De algemene aansprakelijkheidsverzekering (1994), p. 262.

63. Zie uitvoeriger M.M. Mendel, VR 1994, p. 1-5 en C.C. van Dam, noot onder HR 18 oktober 1996 (Nationale Nederlanden/Veerman), VR 1997, 56.

 

Naar boven    Inhoud      Home