AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

9        TOEREKENING

 

9.2    Toerekening op grond van schuld

 

908   Subjectieve toetsing

 

Op wiens kennis en kunde moet de rechter zich richten bij het op grond van schuld toereke­nen van de onrechtmatige daad aan de dader? Met andere woorden: moet de rechter voor het bepalen van de ver­eiste kennis en kunde kiezen voor een subjectieve of een objec­tieve methode? Aan de subjec­tieve metho­de kleven diverse bezwaren.

 

Kiest de rechter voor de subjectieve toetsing, dan gaat hij uit van de persoonlijke eigen­schappen van de veroorzaker zoals deze aanwezig zijn op het moment van de schadever­oorzaking. Op grond hiervan beoordeelt hij of de veroorzaker het risico persoonlijk ken­de en in staat was de verwezenlijking ervan persoonlijk te vermijden. Wanneer de ver­oorzaker beter wist en in staat was om anders te handelen, is er sprake van subjectieve schuld. Volgens Blanc-Jouvan is voor de subjectieve toetsing vereist dat '... l'individu soit en mesure de prévoir et d'éviter l'atteinte portée au droit d'autrui, c'est-à-dire doué d'intelligence et susceptible d'agir librement, pour pouvoir se rendre coupable d'un délit ou d'un quasi-délit, car c'est à ces seules conditions que sa conduite mérite, sur le plan moral, "une appréciation défavorable"'.[33] Meijers stelde dat er sprake moest zijn van '... een zekere geestesgesteldheid van de dader, waardoor de handeling onder de gegeven omstandigheden in verband met het abstracte verbod of gebod laakbaar wordt'.[34] Schut noemde dit klassieke schuldbegrip concreet, subjectief, psychologisch, moreel gekleurd; het sluit nauw aan bij de strafrechtelijke schuld.[35]

 

In Asser-Hartkamp wordt nog altijd gesteld, dat het schuldvereiste van art. 6:162 lid 3 in subjectieve zin moet worden opgevat: 'Al is het waar dat in het algemeen voor een onderzoek van de schuld slechts behoeft te worden nagegaan, wat van iemand die in ge­lijke omstandigheden verkeert als de dader kan worden verwacht, dit neemt niet weg dat uiteindelijke beslissend is, of aan de dader in kwestie zijn daad kan worden verwe­ten.'[36] Deze benadering is niet goed in verband te brengen met de huidige rechtspraak, waarin de per­soonlijke verwijtbaarheid slechts bij uitzon­dering beslissend is en dan veelal nog in een enigszins geobjectiveerde vorm (nr. 909).

 

Aan de subjectieve toetsing kleeft een drietal bezwa­ren. In de eerste plaats leidt zij tot praktische moeilijkheden, omdat de rechter moet nagaan of de ver­oorzaker het risico per­soonlijk kende. Hij moet bovendien vaststellen of de veroorza­ker op grond van zijn fysie­ke capaci­teiten in staat was de schade te vermijden. Voor een serieus antwoord op deze vragen moet de rechter de veroorzaker als het ware binnen­ste buiten keren. Dat is, ook met de mogelijk­heden van psychologisch onderzoek, geen eenvoudig begaanbare weg.[37]

 

Een tweede bezwaar is, dat in de subjectieve toetsing straf­ en aansprakelijkheid teveel met elkaar worden verward. In het strafrecht staat de dader en diens strafwaardigheid centraal. In het aansprakelijkheidsrecht gaat het niet primair om straf maar om schade­ver­goeding: '... les dommages-intérêts constituent non une peine, mais une répara­ti­on.'[38] Het per­soonlijke karakter van het strafrecht blijkt ook uit het feit dat een straf­ver­volging eindigt bij het overlijden van de dader, terwijl een schadevergoedingsactie ook tegen de erven van de veroorzaker kan worden ingesteld. Voorts is in het strafrecht de aanwezigheid van schade, anders dan bij de civiele aansprakelijkheid, geen noodzakelijk vereis­te. Dit laat onverlet dat de verplichting tot het betalen van schadevergoeding wel een punitief ele­ment kan hebben.[39]

 

Ten derde wordt in de subjec­tieve stroming ten onrechte betoogd dat de moraal de basis is van de ci­viele aan­sprake­lijkheid. In die visie impliceert aansprakelijkheid een moreel oordeel over het gedrag van de ver­oorza­ker: '...le juge civil doit faire l'analyse de l'état d'âme de l'agent, sonder la con­science de ce dernier'.[40] De rechter is echter geen biechtvader en de veroorzaker hoeft het boetekleed niet aan te trekken. Het gaat in het aan­sprakelijk­heids­recht niet om mo­rele maar om maatschappe­lijke zorgvuldigheid: 'The law finds "fault" in a failure to live up to an ideal standard of conduct which may be beyond the knowledge or capacity of the individual, and in acts which are normal and usual in the community, and without moral reproach in its ey­es.'[41] Dit betekent niet, dat in het aansprakelijkheidsrecht morele opvattingen geen rol spelen maar wel dat de morele opvattin­gen van een bepaalde maatschappe­lijke stro­ming niet doorslag­ge­vend zijn.[42] Een soort­ge­lijk probleem doet zich voor bij het begrip 'goede zeden' in art. 3:40.[43]

 

De conclusie is, dat bij een subjectieve toetsing de veroorzaker te zeer centraal staat. Daar­door ligt er een sterk accent op de vrijheid van handelen.[44]

 

33. Xavier Blanc-Jou­van, La responsabilité de l'infans, RTC 1957, p. 36.

34. Meijers, Algemene begrippen van het burgerlijk Recht (1948), p. 300. Aldus ook J. Drion, Een nieuwe koers in 's Hoogen Raads jurisprudentie over de onrechtmatige daad, WPNR 3992-3996 (1947), p. 245 en Slagter, De rechtsgrond van de schadever­goeding bij onrechtmatige daad (1952), p. 15.

35. Schut, WPNR 5045 (1969), p. 270.

36. Asser-Hartkamp III (1998), nr. 76.

37. Larenz, Lehrbuch des Schuldrechts I (1987), § 20 III, p. 286.

38. Mazeaud-Tunc, Traité de la responsabilité civile (1965), nr 421. Aldus ook Terré-Simler-Lequette, Les obligations (1996), nr. 653; Larenz, Lehrbuch des Schuldrechts I (1987), § 20 III, p. 286 en Schut, WPNR 5045 (1969), p. 271.

39. Bolt en Lensing, Privaatrechtelijke boete (1993).

40. Bosc, Essai sur les éléments constitutifs du délit civil (1901), p. 31, geciteerd bij Mazeaud-Tunc, Traité de la responsabilité civile (1965), nr. 459. Zie ook Savatier, Traité de la responsabilité civile (1951), nr. 161 en Asser-Rutten (1983), p. 82, volgens wie schuld betekende '... dat iemand moreel en psy­chisch verantwoordelijk wordt gesteld voor de nadelige gevolgen van zijn verkeerd handelen.'

41. Prosser and Keeton on the Law of Torts (1984), p. 22. In deze zin ook Aubry et Rau, Droit civil (1989), nr. 325; Terré-Simler-Lequette, Les obligations (1996), nr. 693.

42. Percy H. Winfield, Ethics in English Case Law, Harv LR 45 (1931), p. 112-135; Terré-Simler-Lequet­te, Les obligati­ons (1996), nr. 653.

43. Van Dam, Rechtshandeling en overeenkomst (1998), nr. 154.

44. Viney-Jourdain, Les conditions de la responsabilité (1998), nr. 444; Mazeaud-Tunc, Traité de la responsabilité civile (1965), nr. 421; Larenz, Lehrbuch des Schuldrechts I (1987), § 20 III, p. 286.

 

Naar boven    Inhoud      Home