AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

9        TOEREKENING

 

9.2    Toerekening op grond van schuld

 

903   Inleiding

 

Voor toerekening op grond van schuld zijn kenbaarheid en vermijd­baarheid van het risico vereist. Kenbaarheid wil zeggen dat het risico minimaal menselijkerwijs bekend moet zijn: op onbekende risico's kan niemand zijn gedrag af­stemmen. Als beoordelingstijdstip geldt het moment vlak voor de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust.

 

Bij de toerekening op grond van schuld zijn twee elementen van belang, namelijk ken­baarheid en vermijdbaarheid van het risico, met andere woorden: kennen en kunnen.[8] Het gaat dan om de verstandelijke en de fysieke mogelijkheden van de mens. Zie over vermijdbaarheid nr. 906; zie over de subjectieve of objectieve toetsing van kenbaarheid en vermijdbaarheid nr. 908-909.

 

De functie van de toerekeningselementen wijkt af van de in Hoofdstuk 8 behandelde onrechtmatigheidselementen. Waar de onrechtmatigheidselementen factoren zijn die onderling tegen elkaar moeten worden afgewogen, vormen kennen en kunnen elementen die voorwaarden zijn voor toerekening op grond van schuld.

 

Kennis kan met Prosser and Keeton worden omschreven als: '... belief in the existen­ce of a fact, which coincides with the truth. It rests upon perception of the actor's surroundings, memory of what has gone before, and a power to correlate the two with previous experience.'[9]

 

Een onrechtmatige gedraging kan slechts op grond van schuld aan de veroorzaker worden toegerekend wanneer het risico minimaal menselijkerwijs bekend is (zie over het begrip risico in dit verband nr. 801: Vier onrechtmatigheidsfactoren en § 8.2). Rekening houden met onbekende risico's is in het kader van schuld een slag in de lucht: op een onbekend risico kan iemand immers zijn gedrag niet afstem­men. Dit sluit niet uit, dat in bijzondere gevallen, ook indien het risico niet bekend is, de onrechtmatige gedraging kan worden toegerekend op grond van de ver­keersopvat­tingen (nr. 917-919).

 

Waar aan de ene kant van het spectrum de onbekende risico's staan, staan aan de an­dere kant de algemeen bekende feiten. Van dergelijke feiten dient iedere volwassen deelnemer aan het maatschappelijk verkeer kennis te dragen. Het is echter niet altijd duidelijk welke feiten algemeen bekend zijn. Geldt dat bijvoorbeeld voor het feit dat taxus giftig is voor paarden? Taxus staat immers ook bekend als venijnboom? In de Taxus-zaak kon hieruit volgens het Hof hooguit worden afgeleid dat er over de giftigheid van taxus enige kennis bij een deel van het publiek bestaat maar zeker niet dat dat een algemeen bekend feit was.[10] In Engeland zou dit eerder kunnen worden aangenomen, om­dat taxus daar wordt aangeduid met de term ‘horsedead’.[11]

 

Dit 'algemeen bekende feit' mag niet worden verward met het 'feit van algemene be­kendheid' uit art. 176 lid 2 Rv. In deze bepaling gaat het om feiten en omstandigheden van algemene bekendheid die de rechter aan zijn beslissing ten grondslag mag leggen, ongeacht of zij door partijen zijn gesteld. Hieronder vallen feiten en omstandigheden die kunnen worden ontleend aan voor ieder toegankelijke bronnen. Bij algemeen bekende fei­ten in de zin van art. 6:162 lid 3 gaat het om feiten en omstandigheden die ook zonder raadpleging van voor ieder toegankelijke bronnen bekend zijn, in de orde van: benzine is brandbaar en arsenicum is vergiftig.

 

In de literatuur is algemeen aanvaard dat de rechter zich bij het vaststellen van ken­baarheid en vermijdbaarheid moet verplaatsen naar de situatie waarin de veroorzaker zich bevond vlak voor de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust. De op dat tijdstip bij de veroorzaker aanwezige en vereiste kennis en de kunde zijn beslissend voor toere­kening op grond van schuld. Dat neemt niet weg dat de rechter in de praktijk niet zelden in de verleiding lijkt te komen om een onrechtmatige gedraging met wijsheid achteraf aan de dader toe te rekenen. 'Daß der Schaden überhaupt eingetreten ist, ist unter diesen Umständen der beste "Beweis" dafür, daß ihn ein sorgfältiger Mensch auch hätte vorhersehen müssen, und wenn man weiß, welche Ursachenkette zu dem Schaden geführt hat, läßt sich nachträglich auch besonders leicht eine Sicherungsmaßnahme ermitteln, die - wäre sie ergriffen worden - den Schaden verhindert hätte.'[12] In de woorden van Bran­well B. uit 1859: 'Nothing is so easy as to be wise after the event'.[13] Dat de indruk van het 'achteraf'-redeneren nog wel eens wordt gewekt, wordt door diverse factoren in de hand gewerkt, niet in de laatste plaats door het feit dat de schade en het causale verloop slechts in zeer algemene termen kenbaar behoeven te zijn (nr. 904).

 

8. HR 9 december 1966 (Joke Stapper), NJ 1967, 69, nt. GJS, VR 1967, 45, nt. P, AA 1969, p. 38, nt. HKK.

9. Prosser and Keeton on the Law of Torts (1984), p. 182.

10. HR 22 april 1994 (Taxus), NJ 1994, 624, nt. CJHB, VR 1995, 82, waarover ook nr. 821 en nr. 1304.

11. In Crowhurst v. Amersham Burial Board (1878) 4 Ex D 5, aangehaald bij Braams, Buitencontrac­tuele aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen (1989), p. 176, was de taxusplanter aansprakelijk op grond van de Rule in Rylands v. Fletcher (1868) LR 3 HL 330, waarover nr. 521.

12. Kötz, Deliktsrecht (1998), N 261. Zie ook Winfield and Jolowicz on Tort (1984), p. 98; Bier, Aansprakelijkheid voor bedrijfsongevallen en beroepsziekten (1988), p. 192-193; Prosser and Keeton on the Law of Torts, p. 170.

13. Branwell B. in Cornman v. Eastern Counties R. Co. (1859) 157 ER 1050.

 

Naar boven    Inhoud      Home