AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

9        TOEREKENING

 

9.1    Inleiding

 

902   Geen gedragstoetsing bij toerekening

 

Indien de onrechtmatigheid wordt ge­baseerd op de schending van een wettelijke plicht of op een rechtsinbreuk, moet een eventuele nadere gedragstoetsing plaatsvinden in het kader van de onrecht­matig­heid. Ten onrechte geschiedt dit soms in het kader van de toerekening.

 

Onrechtmatigheid ziet op de gedraging, toerekening op de persoon van de veroorzaker. Dit onderscheid, dat in de leden 2 en 3 van art. 6:162 lid 2 is neergelegd, is in de Toelichting nodeloos vertroebeld. Deze gaat er namelijk vanuit dat, wanneer de onrecht­matigheid is aangenomen op grond van de schending van een wettelijke plicht, een nade­re gedrags­toetsing kan plaatsvinden bij de toerekening: 'Uit de rechtspraak blijkt dat in de gevallen waarin de eiser de onrechtmatigheid van gedaagdes gedraging baseert op overtreding van een wettelijke plicht, de rechter meermalen geneigd is om aan te nemen dat de eiser niet kan volstaan met het feit van die overtreding te stellen en te bewijzen, maar tevens moet aantonen feiten waaruit voortvloeit onachtzaamheid van de gedaagde met betrekking tot die wetsovertreding en dat die neiging sterker wordt naarmate de wet­telijke norm abstracter geformuleerd is. Vandaar dat het onderhavige artikel een formule­ring vermijdt waaruit een algemene regel zou volgen met betrekking tot de verdeling van de bewijslast op het punt van toerekenbaarheid van de onrechtmatige daad aan de da­der.'[5]

 

Uit deze passage volgt, dat wanneer de rechter de onrecht­matigheid aanneemt op grond van de schending van een abstracte wettelijke plicht de aanvullende ge­dragstoetsing bij de toereke­ning aan de orde kan komen. Het is aanneme­lijk, dat deze gedachtengang ook geldt indien de onrechtmatigheid wordt vastgesteld op basis van een rechtsin­breuk.

 

Ook in de literatuur wordt aan het begrip toerekening ten onrechte de betekenis van een gedragstoetsing toegekend. Zo schrijft Jansen: 'Bij zaakbeschadiging ligt de weg van "strijd met het ongeschreven recht" vaak meer voor de hand dan de weg van de rechtsin­breuk, met name daar waar tussen het gewraak­te gedrag en de zaakbeschadiging vele en/of belangrijke tussenschakels zitten, omdat in dergelijke gevallen beslissend is of aan de dader iets valt te verwijten, hetgeen slechts aan de hand van ongeschre­ven normen kan worden vastgesteld. Zou men in dergelijke gevallen niettemin de weg van de rechts­inbreuk volgen, dan zou die beslis­sende vraag moeten worden beantwoord in het kader van de toerekenbaarheid (art. 162 lid 3), in welk kader het antwoord op bedoelde vraag uiteraard niet zou afwijken van het antwoord op diezelfde vraag in de sfeer van het ongeschre­ven recht.'[6]

 

Deze constructie is verwarrend, omdat aldus een gedragstoetsing plaatsvindt in het kader van de toerekening, terwijl dit vereiste juist ziet op de persoon van de veroorzaker. Op die manier vertroebelen de onrechtmatigheidscategorieën rechtsinbreuk en strijd met een wet­telijke plicht het toerekeningsbegrip en krijgt dit ten onrechte een januskop (gedragstoetsing en persoonstoetsing) aangemeten. Een dergelijke vertroebeling is onno­dig en onjuist. Een nadere gedragstoetsing van een rechtsinbreuk of de schending van een wettelijke plicht behoort bij de onrechtmatigheid aan de orde komen in het kader van het ongeschreven recht (nr. 703-704).[7] Zie voor de kronkelredenering van de ontwer­pers in verband met stelplicht en bewijslast bij toerekening nr. 923.

 

5. Parl. Gesch. Boek 6, p. 618.

6. Onrechtmatige daad, art. 162 lid 2 (Jansen), aant. 51.

7. Aldus ook Van Maanen, Onrechtmatige daad (1986), p. 228 en Roelvink, Omgestoten wijngla­zen en andere ongelukjes (1994), p. 330.

 

Naar boven    Inhoud      Home