AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

9        TOEREKENING

 

9.1    Inleiding

 

901   Verwijtbaarheid

 

In dit hoofdstuk gaat het om toerekening van de daad aan de dader in de zin van art. 6:162 lid 3. In dit kader wordt regelmatig de term 'verwijt­baarheid' gebezigd. Dit begrip bevat echter geen norm maar een conclu­sie, omdat het niet duidelijk maakt op welke grond aan iemand iets wordt verweten.

 

In dit hoofdstuk gaat het om de toerekening van de daad aan de dader (art. 6:162 lid 3) en dus niet om de toerekening van de schade aan de gebeurtenis waarop de aansprakelijk­heid berust (art. 6:98); zie over dit causaal verband nr. 809: Causaliteit en voorzienbaarheid en nr. 810 Bewijslast causaliteit.

 

Art. 6:162 lid 3 kent drie toerekeningsgronden: een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend op grond van schuld, de wet en de verkeersopvattingen. De toerekeningsgronden wet en verkeersopvattingen geven een wettelijke basis aan de aan­sprakelijkheid voor onrechtmatige daden buiten schuld. Dit wordt ook wel toerekenen op grond van risico genoemd. Zie over deze betekenis van de term risico nr. 1001-1002.

 

De toerekening op grond van de wet verwijst uitsluitend naar art. 6:165. Hierin is bepaald dat een geestelijke of lichamelijke tekortkoming geen beletsel is om een on­rechtmatige daad aan de dader toe te rekenen, althans bij als een doen te beschouwen ge­dragingen. Zie hierover en over het daarmee samenhangende probleem van de toereke­ningsvatbaarheid § 9.4 (nr. 920-922).

 

Toerekening op grond van de verkeersopvattingen kan plaatsvinden in gevallen waarin er geen sprake is van schuld maar de onrechtmatige daad niettemin voor rekening van de dader moet komen. De vraag welke betekenis in dit verband moet worden toegekend aan het begrip verkeersopvattingen en hoe dit zich verhoudt tot het schuldbegrip, wordt behandeld in § 9.3 (nr. 917-919).

 

In § 9.2 komt de toerekening op grond van schuld aan de orde. Daarin staan in § 9.2.1 eerst de begrippen 'kennen' (kenbaarheid) en 'kunnen' (vermijdbaarheid) centraal (nr. 903-907). Vervolgens wordt in § 9.2.2 ingegaan op de wenselijkheid van een ob­jectieve toetsing als uit­gangs­punt bij het bepalen van de vereiste kennis en kunde (nr. 908-910; nr. 911: Subjectieve toetsing: opzet en bewuste roekeloosheid). Tenslotte wordt in § 9.2.3 in het kader van de objectieve toetsing aandacht besteed aan een aantal vergelijkingstypen (nr. 912-913; nr. 914: Verschillende professionele opvattingen; nr. 915-916).

 

Als gaat om schuld en toerekening is een verwarrende rol weggelegd voor het begrip verwijtbaarheid. Goed beschouwd bevat deze term geen norm maar een conclusie. Zij staat daarmee op een lijn met de begrippen 'ongelukkige samenloop van omstan­dighe­den', 'risico-aanvaarding' en 'risico' (nr. 808: Ongelukkige samenloop van omstandigheden en nr. 816; nr. 1001-1002). De grond waarop de rechter het etiket verwijtbaarheid kan uitdelen is met de term zelf niet zonder meer gegeven. Hetzelfde geldt voor het begrip laakbaarheid.[1]

 

In subjectieve zin is er sprake van verwijtbaarheid, indien iemand met inachtneming van zijn capaciteiten beter had kunnen weten en anders had kunnen handelen. In die zin ontbreekt volgens Larenz verwijtbaarheid '... wenn der Verpflichtete auch bei angespann­ter Aufmerksamkeit und größter ihm möglicher Sorgfalt den ihm zur Last gelegten Fehler oder das Versäumnis nicht hat vermeiden können, weil gerade seine Kenntnisse, Fähig­keiten, körperliche Geschicklichkeit oder Leistungsfähigkeit nicht dazu ausreichten.'[2]

 

De terminologie komt echter ook in een ruimere, meer objectieve betekenis voor. Zo gebruikt de rechtspraak bijvoorbeeld regelmatig de constructies 'iemand redelijkerwijs een verwijt kunnen maken' of 'iemand rechtens een verwijt kunnen maken'.[3]

 

Verwijt en verwijtbaarheid worden dus zowel in een subjectieve als een objectieve betekenis gebruikt. Dit schept niet alleen onduidelijkheid, het is ook onjuist. In de woor­den van Weyers: 'Man versteigt sich kaum in gewagte sprachpsychologische Spekulatio­nen mit dem Verdacht, daß trotz des formalen Bekenntnisses zum objektiven Fahrlässig­keitsbegriff die Sorgfaltspflichtverletzung weiterhin mit moralischer Mißbilligung des zugrundeliegenden Verhaltens assoziiert wird.'[4] Het gebruik van de termen verwijt en verwijtbaarheid dient daarom te worden vermeden. Als dit niet mogelijk is, dient in elk geval duidelijk te worden gemaakt op welke grond deze kwalificatie worden toegekend.

 

1.  G.H.A. Schut, Schuld en risico, WPNR 5045 (1969), p. 271-272.

2. Larenz, Lehrbuch des Schuldrechts I (1987), § 20 III, p. 284, die benadrukt dat het huidige Duitse recht geen ruimte biedt voor toepassing van deze opvatting.

3. HR 4 februari 1983 (Aret/Amsterdam), NJ 1983, 546, VR 1984, 14: redelijker­wijs een verwijt kunnen maken; HR 11 november 1983 (Meppelse ree), NJ 1984, 331, VR 1984, 56: rechtens een verwijt kunnen maken.

4. Weyers, Unfallschäden (1971), p. 387.

 

Naar boven    Inhoud      Home