AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

8        ONRECHTMATIGHEID

 

8.6    Stelplicht en bewijslast

 

839   Algemeen

 

Uit de door eiser te stellen en in beginsel te bewijzen feiten moet kunnen worde afgeleid dat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld, met andere woorden: te veel risico heeft genomen. Bij rechtstreeks veroorzaakte personen- of zaakschade kan de rechter veelal onrechtmatigheid aannemen behoudens de mogelijkheid van tegenbewijs door gedaagde.

 

Iemand gedraagt zich onrechtmatig indien hij, gezien aard en nut van de gedraging, te weinig voorzorgsmaatregelen nee­mt ten opzichte van het risico. Uiteinde­lijk moeten er dus feiten komen vast te staan waaruit kan worden afgeleid dat gedaagde jegens eiser teveel risico heeft geno­men, c.q. te veel risico heeft laten bestaan (nr. 801: Vier onrechtmatigheidsfactoren).

 

Deze open norm impliceert, dat niet bij voorbaat vast staat welke mate van zorg in concreto vereist is; dat moet op basis van de vaststaande feiten worden be­oordeeld. Welke voorzorgsmaatregelen behoren te worden genomen is een rechtsvraag. Bij stelplicht en bewijslast gaat het om de vraag welke voorzorgsmaatre­gelen zijn genomen. Tus­sen recht en feiten bestaat hier niettemin een sterke wisselwerking, indachtig het adagium ‘ius in causa positum’ (zie ook nr. 803).

 

Vaststaat dat het veroorza­ken van personenschade zwaar weegt; slechts bij uitzonde­ring kan de veroor­zaker zich erop beroepen dat het nemen van voorzorgsmaatre­gelen te bezwaarlijk was (nr. 804). In dit soort gevallen ligt het voor de hand dat de rechter de onrecht­ma­tigheid behoudens tegenbewijs door de veroorzaker aanneemt, in elk geval in­dien er sprake is van het direct veroorzaken van personen- of zaakschade.

 

Volgens de meeste auteurs heeft de benadeel­de in het geval van een rechts­in­breuk een sterkere bewijspositie dan bij een beroep op de schending van het ongeschreven recht en leidt een rechtsinbreuk in beginsel tot een omkering van de bewijslast.[226] Hier speelt de rechtsin­breuk als on­rechtmatigheidscategorie geen zelf­standige rol (nr. 834) maar heeft zij in feitelijke zin betekenis voor de bewijslastver­de­ling. In wezen is dit groten­deels een toepas­sing van het ‘res ipsa loquitur’-beginsel.[227]

 

Deze regel gaat echter niet zonder meer op, indien het gedrag van de degene op wiens recht inbreuk werd gemaakt niet vlekkeloos was, althans indien gedaagde ten aanzien hiervan voldoende gemotiveerd verweer heeft gevoerd. De op een provinciale weg rijdende automobilist Maat zag een eend van de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer naar zijn weghelft lopen, liet het gas los (‘om te zien wat de eend zou gaan doen’) en remde. Daarop reed de achterkomende automobilist De Ruijter op hem in, als gevolg waarvan Maat letsel opliep, waarvoor hij de WAM-verzekeraar van De Ruijter (Stad Rotterdam) aansprakelijk stelde. Het Hof besliste: ‘Vaststaat dat De Ruijter zijn auto niet tijdig tot stilstand heeft gebracht. Een redelijke bewijslastverdeling brengt mee, dat Stad Rotterdam (…) de door haar gestelde toedracht van het gebeurde bewijst.’ Het gaat met name om de vraag of De Ruijter voldoende afstand had gehouden, de verkeersnoodzaak voor Maat om te remmen en de abruptheid waarmee Maat zijn auto tot stilstand heeft gebracht. HR 13 april 2001 (Overstekende eend), J@ 2001-119, NJ 2001, 572, nt. MMM, VR 2001, 120, casseerde het arrest van het Hof en overwoog, dat in een geval als het onderhavige de hoofdregel van art. 177 Rv (‘wie stelt bewijst’) het uitgangspunt is. Voor een uitzondering op deze hoofdregel is volgens de Hoge Raad in dit geval geen plaats op grond van de enkele omstandigheid dat De Ruijter zijn auto niet tijdig tot stilstand heeft weten te brengen. Hij overwoog voorts: ‘Mocht het Hof aan het feit dat De Ruijter met zijn auto tegen de achterzijde van de auto van Maat is gebotst, de conclusie hebben verbonden dat de door Maat gestelde toedracht van het ongeval voorshands vaststaat, dan is dit oordeel, zonder nadere redengeving, die evenwel ontbreekt, onbegrijpelijk.’ Met andere woorden: de in de praktijk gehanteerde regel dat de achterligger de schade aan de voorligger betaalt (dit is geen rechtsregel maar een afspraak tussen WAM)-verzekeraars: zie art. IX Overeenkomst vereenvoudigde schaderegeling) behoeft in een rechterlijke procedure dus niet op te gaan indien de achterligger voldoende twijfel kan zaaien omtrent de juiste wijze van rijden van de voorligger. Indien de rechter in een dergelijk geval aan de achterligger een bewijsopdracht geeft, zal hij deze beslissing voldoende moeten motiveren.

 

Ook de strekking van de norm speelt een belangrijke rol: hoe groter het risico is dat iemand creëert en hoe kwetsbaarder de benadeelde is, des te meer bewijs­risico op de ver­oorzaker rust. Meer in het algemeen behoeft de benadeel­de bij de schen­ding van een ver­keers- of veiligheids­norm '... niet meer te stellen en te bewijzen dan dat de norm is overtreden en dat het gevaar zich heeft verwezenlijkt. Hoe het onge­val zich precies heeft afgespeeld, kan hij in het midden laten. Het is dan aan de aangesprokene te stellen en te bewijzen dat het ongeval eveneens zou zijn ontstaan als hij de norm niet had geschonden.'[228]

 

Bij rechtstreeks veroorzaakte personen- of zaakschade is het van belang dat eiser zich op de juiste feiten richt. De auto van Dröge slipte door plotse­linge gladheid en botste frontaal op een tegenlig­ger. De passagier van deze auto, Ber­nhard, raakte gewond en stel­de Dröge aan­sprakelijk. Daartoe voerde hij aan, dat er op de radio was gewaar­schuwd voor plaat­se­lijk optredende glad­heid, dat gedaagde te snel had gere­den en dat hij een reactie­fout had ge­maakt die hij met een slipcursus had kunnen vermij­den. Door deze ijver van eiser ver­zandde de pro­cedure, nadat gedaagde de gestelde feiten had ontkend, volledig in het vast­stellen van wat in feite toerekenings­feiten (ken­nen en kunnen) wa­ren.[229] In dit soort geval­len kan eiser zich beter beperken tot de stellin­g dat er sprake was van onaan­gepast of, in de woorden van Bou­man, averechts ge­drag.[230] Indien de fei­ten het toela­ten ver­dient het daarom aanbeve­ling om als eiser te koersen op de schen­ding van een zo concreet mogelijke plicht (rechtshouden, voorrang verlenen, niet door rood rijden). Aldus komt de rechter het snelst tot een rechterlijke vermoeden of een omkering van de bewijs­last. Staat de on­rechtmatigheid vast, dan moet ge­daagde de afwezig­heid van toereke­ningsfeiten aantonen (nr. 923).

 

Een bijzondere situatie deed zich voor in het Centraal Ziekenfonds/Van der Velden-arrest. Van der Velden raakte met haar auto van de weg en reed tegen een boom, waar­bij haar passa­gier Van der Pasch (de latere echt­genoot van Van der Velden) gewond raakte. Uit deze fei­ten werd niet het vermoe­den afgeleid, dat Van der Velden de auto on­voldoende onder controle had gehad en in beginsel onrechtmatig had gehandeld.[231] Van der Velden had namelijk gesteld dat Van der Pasch aan de handrem had getrokken en deze stelling was niet onaannemelijk, omdat agenten haar ter plaatse hadden horen zeg­gen dat 'hij' aan de handrem had getrok­ken en hadden gezien dat de handrem was aange­trokken. Op grond hiervan was onvoldoende uit te sluiten dat eiser zelf de veroorzaker van het ongeval was. Daarom hoefde niet Van der Velden te bewijzen dat Van der Pasch de handrem had aangetrokken maar moest Van der Pasch aantonen dat Van der Velden dat had gedaan, of althans hijzelf niet.

 

Wie met betrekking tot een inspanningsplicht feiten in de sfeer van 'voldoende', 'tijdig' of 'eerder' moet bewijzen heeft het veelal moeilijker. Schmohl sloeg met zijn Opel op een provinciale weg linksaf. Daarbij ontstond een botsing met de Alfa van Stiegelis, die op dat moment de Opel passeerde; ter plaatse gold geen inhaalverbod. Schmohl stelde Stiegelis aansprakelijk maar de Hoge Raad overwoog, dat niet was gebleken '... dat Schmohl zijn voornemen om naar links van richting te veranderen tijdig aan achter hem naderende weggebruikers zou hebben kenbaar gemaakt.'[232] Wel stond vast dat Schmohl richting naar links had aangegeven maar niet op welk moment hij dit had gedaan.[233]

 

Wanneer er sprake is van een plotseling optredend gebrek van een zaak is het in beginsel aan eiser om te stellen en te bewijzen dat het gebrek veroor­zaakt is door ver­keerd of onvol­doende onderhoud door gedaagde. Niet zelden ontleent de rechter aan het gebrek een vermoeden van onvoldoende onderhoud en geeft hij gedaagde gelegenheid tot het leveren van tegenbewijs. Dat ligt ook voor de hand, omdat hij over de gege­vens met betrekking tot het onderhoud be­schikt. Hij kan ook proberen aan te tonen dat het gebrek voor hem niet kenbaar was (toerekening). Zie ook nr. 1203: Gebrekkige opstal, nr. 1206, nr. 1306: Risico-aansprakelijkheid (artikelen 6:185 e.v. BW) en nr. 1315.

 

Ook in het kader van de medische aansprakelijkheid, waar de arts en het ziekenhuis over cruciale informatie beschikken met betrekking tot de feitelijke gang van zaken, rust op gedaagde een mededelingsplicht met betrekking tot deze feiten (nr. 1510-1511).

 

226. P.H. Smits, Aantasting en uitoefening van subjectieve rechten in hare beteekenis voor de onrecht­matige daad, WPNR 3689 (1940), p. 389; Wolfsbergen, Onrechtmatige daad (1946), p. 51-52; Hartlief en Van Maanen, Hoe werkt de onrechtmatige daad (1995), p. 43; Schut, Onrechtmatige daad (1997), p. 50-52; Asser-Hartkamp III (1998), nr 39; Onrechtmatige daad, art. 162 lid 2 (Jansen), aant. 4-5, 63-65 en 108.

227. I. Giessen, Res ipsa loquitur, een bijzonder vermoeden in het aansprakelijkheidsrecht, WPNR 6265 (1997), p. 241-246.

228. Onrechtmatige daad III.1 (Bouman), aant. 250.

229. HR 10 augustus 1984 (Bernhard/Dröge), NJ 1985, 23, VR 1985, 56, nt. Bouman.

230. Onrechtmatige daad III.1 (Bouman), aant. 21.

231. HR 23 oktober 1992 (Centraal Ziekenfonds/Van der Velden), NJ 1992, 813, VR 1993, 93, AA 1993, p. 653, nt. G.R. Rutgers.

232. HR 8 februari 1986, (Schmohl/Stiegelis), VR 1986, 82.

233. Zie ook HR 25 juni 1993 (ABP/Sun Alliance-Liaros), NJ 1993, 630, VR 1994, 9; HR 6 december 1996 (Toering/Verenigde Autobus Diensten), NJ 1997, 207, VR 1997, 124.

 

Naar boven    Inhoud      Home