________________________________________
8 ONRECHTMATIGHEID
8.6 Stelplicht
en bewijslast
Uit de door eiser
te stellen en in beginsel te bewijzen feiten moet kunnen worde afgeleid dat
gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld, met andere woorden: te veel risico heeft
genomen. Bij rechtstreeks veroorzaakte personen- of zaakschade kan de rechter
veelal onrechtmatigheid aannemen behoudens de mogelijkheid van tegenbewijs door
gedaagde.
Iemand
gedraagt zich onrechtmatig indien hij, gezien aard en nut van de gedraging, te
weinig voorzorgsmaatregelen neemt ten opzichte van het risico. Uiteindelijk
moeten er dus feiten komen vast te staan waaruit kan worden afgeleid dat
gedaagde jegens eiser teveel risico heeft genomen, c.q. te veel risico heeft
laten bestaan (nr. 801: Vier
onrechtmatigheidsfactoren).
Deze
open norm impliceert, dat niet bij voorbaat vast staat welke mate van zorg in
concreto vereist is; dat moet op basis van de vaststaande feiten worden beoordeeld.
Welke voorzorgsmaatregelen behoren te worden genomen is een rechtsvraag.
Bij stelplicht en bewijslast gaat het om de vraag welke voorzorgsmaatregelen zijn
genomen. Tussen recht en feiten bestaat hier niettemin een sterke
wisselwerking, indachtig het adagium ‘ius in causa positum’ (zie ook nr. 803).
Vaststaat
dat het veroorzaken van personenschade zwaar weegt; slechts bij uitzondering
kan de veroorzaker zich erop beroepen dat het nemen van voorzorgsmaatregelen
te bezwaarlijk was (nr. 804). In dit soort gevallen ligt het voor de hand dat
de rechter de onrechtmatigheid behoudens tegenbewijs door de veroorzaker
aanneemt, in elk geval indien er sprake is van het direct veroorzaken van
personen- of zaakschade.
Volgens
de meeste auteurs heeft de benadeelde in het geval van een rechtsinbreuk een
sterkere bewijspositie dan bij een beroep op de schending van het ongeschreven
recht en leidt een rechtsinbreuk in beginsel tot een omkering van de
bewijslast.[226] Hier speelt de rechtsinbreuk als onrechtmatigheidscategorie
geen zelfstandige rol (nr. 834) maar heeft zij in feitelijke zin betekenis
voor de bewijslastverdeling. In wezen is dit grotendeels een toepassing van
het ‘res ipsa loquitur’-beginsel.[227]
Deze
regel gaat echter niet zonder meer op, indien het gedrag van de degene op wiens
recht inbreuk werd gemaakt niet vlekkeloos was, althans indien gedaagde ten
aanzien hiervan voldoende gemotiveerd verweer heeft gevoerd. De op een
provinciale weg rijdende automobilist Maat zag een eend van de weghelft voor
het tegemoetkomende verkeer naar zijn weghelft lopen, liet het gas los (‘om te
zien wat de eend zou gaan doen’) en remde. Daarop reed de achterkomende
automobilist De Ruijter op hem in, als gevolg waarvan Maat letsel opliep,
waarvoor hij de WAM-verzekeraar van De Ruijter (Stad Rotterdam) aansprakelijk
stelde. Het Hof besliste: ‘Vaststaat dat De Ruijter zijn auto niet tijdig tot
stilstand heeft gebracht. Een redelijke bewijslastverdeling brengt mee, dat
Stad Rotterdam (…) de door haar gestelde toedracht van het gebeurde bewijst.’
Het gaat met name om de vraag of De Ruijter voldoende afstand had gehouden, de
verkeersnoodzaak voor Maat om te remmen en de abruptheid waarmee Maat zijn auto
tot stilstand heeft gebracht. HR 13
april 2001 (Overstekende eend),
J@ 2001-119, NJ 2001, 572, nt. MMM, VR 2001, 120, casseerde het arrest van het
Hof en overwoog, dat in een geval als het onderhavige de hoofdregel van art.
177 Rv (‘wie stelt bewijst’) het uitgangspunt is. Voor een uitzondering op deze
hoofdregel is volgens de Hoge Raad in dit geval geen plaats op grond van de
enkele omstandigheid dat De Ruijter zijn auto niet tijdig tot stilstand heeft
weten te brengen. Hij overwoog voorts: ‘Mocht het Hof aan het feit dat De
Ruijter met zijn auto tegen de achterzijde van de auto van Maat is gebotst, de
conclusie hebben verbonden dat de door Maat gestelde toedracht van het ongeval
voorshands vaststaat, dan is dit oordeel, zonder nadere redengeving, die
evenwel ontbreekt, onbegrijpelijk.’ Met andere woorden: de in de praktijk
gehanteerde regel dat de achterligger de schade aan de voorligger betaalt (dit
is geen rechtsregel maar een afspraak tussen WAM)-verzekeraars: zie art. IX
Overeenkomst vereenvoudigde schaderegeling) behoeft in een rechterlijke
procedure dus niet op te gaan indien de achterligger voldoende twijfel kan
zaaien omtrent de juiste wijze van rijden van de voorligger. Indien de rechter
in een dergelijk geval aan de achterligger een bewijsopdracht geeft, zal hij
deze beslissing voldoende moeten motiveren.
Ook
de strekking van de norm speelt een belangrijke rol: hoe groter het risico is
dat iemand creëert en hoe kwetsbaarder de benadeelde is, des te meer bewijsrisico
op de veroorzaker rust. Meer in het algemeen behoeft de benadeelde bij de
schending van een verkeers- of veiligheidsnorm '... niet meer te stellen en
te bewijzen dan dat de norm is overtreden en dat het gevaar zich heeft verwezenlijkt.
Hoe het ongeval zich precies heeft afgespeeld, kan hij in het midden laten.
Het is dan aan de aangesprokene te stellen en te bewijzen dat het ongeval
eveneens zou zijn ontstaan als hij de norm niet had geschonden.'[228]
Bij
rechtstreeks veroorzaakte personen- of zaakschade is het van belang dat eiser
zich op de juiste feiten richt. De auto van Dröge slipte door plotselinge
gladheid en botste frontaal op een tegenligger. De passagier van deze auto,
Bernhard, raakte gewond en stelde Dröge aansprakelijk. Daartoe voerde hij
aan, dat er op de radio was gewaarschuwd voor plaatselijk optredende gladheid,
dat gedaagde te snel had gereden en dat hij een reactiefout had gemaakt die
hij met een slipcursus had kunnen vermijden. Door deze ijver van eiser verzandde
de procedure, nadat gedaagde de gestelde feiten had ontkend, volledig in het
vaststellen van wat in feite toerekeningsfeiten (kennen en kunnen) waren.[229]
In dit soort gevallen kan eiser zich beter beperken tot de stelling dat er
sprake was van onaangepast of, in de woorden van Bouman, averechts gedrag.[230]
Indien de feiten het toelaten verdient het daarom aanbeveling om als eiser
te koersen op de schending van een zo concreet mogelijke plicht (rechtshouden,
voorrang verlenen, niet door rood rijden). Aldus komt de rechter het snelst tot
een rechterlijke vermoeden of een omkering van de bewijslast. Staat de onrechtmatigheid
vast, dan moet gedaagde de afwezigheid van toerekeningsfeiten aantonen (nr.
923).
Een
bijzondere situatie deed zich voor in het Centraal Ziekenfonds/Van der
Velden-arrest. Van der Velden raakte met haar auto van de weg en reed tegen een
boom, waarbij haar passagier Van der Pasch (de latere echtgenoot van Van der
Velden) gewond raakte. Uit deze feiten werd niet het vermoeden afgeleid, dat
Van der Velden de auto onvoldoende onder controle had gehad en in beginsel
onrechtmatig had gehandeld.[231] Van der Velden had namelijk gesteld dat Van
der Pasch aan de handrem had getrokken en deze stelling was niet onaannemelijk,
omdat agenten haar ter plaatse hadden horen zeggen dat 'hij' aan de handrem
had getrokken en hadden gezien dat de handrem was aangetrokken. Op grond
hiervan was onvoldoende uit te sluiten dat eiser zelf de veroorzaker van het ongeval
was. Daarom hoefde niet Van der Velden te bewijzen dat Van der Pasch de handrem
had aangetrokken maar moest Van der Pasch aantonen dat Van der Velden dat had
gedaan, of althans hijzelf niet.
Wie
met betrekking tot een inspanningsplicht feiten in de sfeer van 'voldoende',
'tijdig' of 'eerder' moet bewijzen heeft het veelal moeilijker. Schmohl sloeg
met zijn Opel op een provinciale weg linksaf. Daarbij ontstond een botsing met
de Alfa van Stiegelis, die op dat moment de Opel passeerde; ter plaatse gold
geen inhaalverbod. Schmohl stelde Stiegelis aansprakelijk maar de Hoge Raad
overwoog, dat niet was gebleken '... dat Schmohl zijn voornemen om naar links
van richting te veranderen tijdig aan achter hem naderende weggebruikers zou
hebben kenbaar gemaakt.'[232] Wel stond vast dat Schmohl richting naar
links had aangegeven maar niet op welk moment hij dit had gedaan.[233]
Wanneer
er sprake is van een plotseling optredend gebrek van een zaak is het in beginsel
aan eiser om te stellen en te bewijzen dat het gebrek veroorzaakt is door verkeerd
of onvoldoende onderhoud door gedaagde. Niet zelden ontleent de rechter aan
het gebrek een vermoeden van onvoldoende onderhoud en geeft hij gedaagde
gelegenheid tot het leveren van tegenbewijs. Dat ligt ook voor de hand, omdat
hij over de gegevens met betrekking tot het onderhoud beschikt. Hij kan ook
proberen aan te tonen dat het gebrek voor hem niet kenbaar was (toerekening).
Zie ook nr. 1203: Gebrekkige
opstal, nr. 1206, nr. 1306:
Risico-aansprakelijkheid (artikelen 6:185 e.v. BW) en nr. 1315.
Ook
in het kader van de medische aansprakelijkheid, waar de arts en het ziekenhuis
over cruciale informatie beschikken met betrekking tot de feitelijke gang van
zaken, rust op gedaagde een mededelingsplicht met betrekking tot deze feiten
(nr. 1510-1511).
226. P.H. Smits, Aantasting en uitoefening van subjectieve rechten
in hare beteekenis voor de onrechtmatige daad, WPNR 3689 (1940), p. 389;
Wolfsbergen, Onrechtmatige daad (1946), p. 51-52; Hartlief en Van Maanen, Hoe
werkt de onrechtmatige daad (1995), p. 43; Schut, Onrechtmatige daad (1997), p.
50-52; Asser-Hartkamp III (1998), nr 39; Onrechtmatige daad, art. 162 lid 2
(Jansen), aant. 4-5, 63-65 en 108.
227. I. Giessen, Res ipsa loquitur, een bijzonder vermoeden in het
aansprakelijkheidsrecht, WPNR 6265 (1997), p. 241-246.
228. Onrechtmatige daad III.1 (Bouman), aant. 250.
229. HR 10 augustus 1984 (Bernhard/Dröge), NJ 1985, 23, VR 1985,
56, nt. Bouman.
230. Onrechtmatige daad III.1 (Bouman), aant. 21.
231. HR 23 oktober 1992 (Centraal Ziekenfonds/Van der Velden), NJ
1992, 813, VR 1993, 93, AA 1993, p. 653, nt. G.R. Rutgers.
232. HR 8 februari 1986, (Schmohl/Stiegelis), VR 1986, 82.
233. Zie ook HR 25 juni 1993 (ABP/Sun Alliance-Liaros), NJ 1993,
630, VR 1994, 9; HR 6 december 1996 (Toering/Verenigde Autobus Diensten), NJ 1997,
207, VR 1997, 124.