________________________________________
8 ONRECHTMATIGHEID
8.5 Rechtsinbreuk
838 Hoge
Raad: toepassing rechtsinbreuk in andere gevallen
De Hoge Raad gebruikt de rechtsinbreuk wel als
onrechtmatigheidscategorie in gevallen waarin iemand iets doet waartoe
uitsluitend de rechthebbende bevoegd is. De Hoge Raad betracht hierbij terughoudendheid
indien er belangen van de veroorzaker of van derden moeten worden meegewogen.
Hoewel de rechtsinbreuk in gevallen van personen- en zaakschade
door de Hoge Raad wordt gemeden, blijft deze onrechtmatigheidscategorie
daarbuiten niet zonder toepassing. Dat geschiedt met name indien aan de zijde
van de veroorzaker geen belang behoeft of behoort te worden meegewogen. Dat kan
bijvoorbeeld het geval zijn indien er behoefte is aan het creëren van een
verkapte aansprakelijkheid uit rechtmatige daad of een risico-aansprakelijkheid.
Een voorbeeld daarvan vormt de rechtspraak op het gebied van het
beslagrecht. Wie, naar achteraf blijkt, ten onrechte beslag legt op
vermogensbestanddelen van een ander, is volgens vaste rechtspraak van de Hoge
Raad aansprakelijk voor de door de beslagene geleden schade. De beslaglegger
handelt op eigen risico en is ook dan aansprakelijk als hij op verdedigbare
gronden overtuigd was van het bestaan van zijn vorderingsrecht en bij het
leggen van het beslag niet lichtvaardig heeft gehandeld.[217] De meningen over
de grondslag van deze aansprakelijkheid lopen uiteen.[218] In sommige arresten
hanteerde de Hoge Raad de rechtsinbreuk-terminologie. Zo oordeelde hij in 1995
dat, ook indien een beslag van waarde wordt verklaard, dit niet de mogelijkheid
uitsluit ‘... dat de vrouw, zo uiteindelijk mocht blijken dat zij niets van de
man te vorderen heeft, uit onrechtmatige daad jegens hem aansprakelijk is omdat
zij door het leggen van het beslag inbreuk op zijn recht heeft gemaakt’.[219]
Het is echter nogal gekunsteld om het leggen van beslag te zien als
een inbreuk op een recht, omdat pas achteraf blijkt of daarvan sprake is.
Bovendien heeft deze constructie voor de debiteur weinig zin, omdat hij zich
toch niet kan verzetten tegen een op rechtmatige wijze gelegd beslag. De
gedraging moet worden geduld totdat - achteraf - blijkt dat het beslag ten
onrechte is gelegd. Het gebruik van de term van rechtsinbreuk geschiedt hier
dan ook ‘pour besoin de la cause’: het gaat in feite om een verkapte aansprakelijkheid
uit rechtmatige daad waarvoor elders geen wettelijke grondslag is te vinden en
die dus op art. 6:162 moet worden gefundeerd.[220] Soortgelijke problemen doen
zich voor bij rechterlijke uitspraken die in hoger beroep worden vernietigd of
in een bodemprocedure terzijde worden gesteld en bij politie-optreden dat
achteraf ten onrechte blijkt te zijn geweest (nr 813).
In sommige gevallen wordt de rechtsinbreuk gemeden, omdat deze onvoldoende ruimte laat voor het meewegen van andere belangen. Nijs vorderde als eigenaar van een gekraakt pand van de gemeente stopzetting van de levering van gas, elektriciteit en water, omdat de gemeente daarmee inbreuk zou plegen op Nijs’ eigendomsrecht op de leidingen in het pand. De Hoge Raad overwoog echter: ‘Niet elk gebruik (..) dat een ander tegen de wil van de eigenaar van diens zaak maakt, kan als een inbreuk op diens eigendomsrecht worden beschouwd. Of het onderhavige gebruik van de voormelde leidingen door de gemeente een zodanige inbreuk opleverde, kan niet worden beoordeeld los van de vraag of de gemeente door de voortzetting van de voormelde levering jegens Nijs onzorgvuldig handelde.’[221] Enerzijds kan hieruit worden afgeleid, zoals Brunner deed in zijn noot onder het arrest, dat de inbreuk niet onrechtmatig was, omdat het gebruik van de leidingen de eigenaar in casu niet beperkte in zijn eigen gebruiksmogelijkheden, al was dat indirect wel het geval. Anderzijds kan worden betoogd dat het aannemen van een rechtsinbreuk hier aan de rechter onvoldoende ruimte zou hebben gelaten voor het meewegen van de belangen van de inbreukmaker (de gemeente) en die van betrokken derden (de krakers). Meer in het algemeen bood de rechtsinbreuk onvoldoende ruimte om mee te wegen of het wenselijk was om langs deze weg tot ontruiming van gekraakte panden over te kunnen gaan.[222]
Een ander probleem met betrekking tot de rechtsinbreuk deed zich
voor in het Trechsel/Laméris-arrest. Het ging hierin om een door een zware
storm omgewaaide boom die daardoor in een naburige tuin was terechtgekomen. Het
feitelijke uitgangspunt daarbij was, dat de eigenaar van de boom geen verwijt
viel te maken met betrekking tot het onderhoud van de boom en dat het in de
procedure uitsluitend ging om vergoeding van de schade die bestond uit de
kosten van het verwijderen van de boom. De Hoge Raad besliste: ‘De
zorgvuldigheid die Trechsel in het maatschappelijk verkeer jegens de goederen
van Laméris in acht behoorde te nemen, bracht (...) mee dat hij terstond, nadat
hij van de situatie op de hoogte was, maatregelen behoorde te nemen om aan deze
situatie die een inbreuk op de eigendom van Laméris insloot, een einde te maken
door de hem toebehorende boom te verwijderen. (...). Indien daarvan wordt
uitgegaan, doet niet ter zake dat deze situatie was ontstaan door de storm, waardoor
de boom was omgewaaid.’[223]
In deze procedure ging het om een op onrechtmatige daad gebaseerde
vordering tot schadevergoeding. De onrechtmatigheid lag hier niet in een
rechtsinbreuk, omdat er geen sprake was van een inbreukmakende gedraging van
Trechsel; slechts de situatie vormde een inbreuk. Daarom kon slechts de
zorgvuldigheidsnorm om de inbreukmakende situatie te beëindigen als
onrechtmatigheidscategorie dienst doen. Voor een vordering tot het verkrijgen
van een bevel of verbod is een onrechtmatige daad echter niet noodzakelijk. Het
is dan voldoende als eiser stelt dat hij een exclusief recht heeft en dat
gedaagde de inbreuk die daarop wordt gemaakt behoort op te heffen.[224] Het
recht om verwijdering van de boom te vorderen, en dus niet vergoeding voor de
kosten daarvan, vloeit rechtstreeks voort uit het eigendomsrecht van degene in
wiens tuin de boom is terechtgekomen.[225]
Op grond van dit arrest en van de in noot 223 genoemde arresten
vorderde de Staat in HR 8 maart
2002 (Staat/KMT), J@ 2002-102, RvdW 2002, 55, vergoeding van bergingskosten
van de reder van een schip (m.s. Danah) dat ten noorden van Ameland acht aan
dek geladen containers had verloren. De Hoge Raad overwoog echter dat in ‘… genoemde
arresten is aanvaard dat de eigenaar van een voorwerp dat terechtkomt op het perceel
van een ander of op de bodem van een vaarwater, ook al valt hem daarvan geen
verwijt te maken, terstond nadat hij van de situatie op de hoogte is gekomen,
jegens die ander onderscheidenlijk de beheerder van dat vaarwater gehouden is dat
voorwerp te verwijderen en door dat na te laten jegens die ander
onderscheidenlijk die beheerder onrechtmatig handelt; met dien verstande dat,
indien het gaat om een op de bodem van een vaarwater terechtgekomen voorwerp,
voor toepassing van deze regel in beginsel vereist is dat de gevaren verbonden
aan het niet verwijderen zo groot zijn dat zij de beheerder redelijkerwijs tot
verwijdering noopten. De in genoemde arresten aangenomen aansprakelijkheid van
de eigenaar van de “inbreukmakende” zaak berust op de opvatting dat deze door na
te laten die zaak te verwijderen handelt in strijd met de door hem in die hoedanigheid
in het maatschappelijk verkeer jegens eens anders goederen in acht te nemen zorgvuldigheid.
Een soortgelijke zorgvuldigheidsplicht rust echter niet op degene die, zoals KMT,
de “inbreukmakende” zaak toen deze overboord sloeg slechts als reder/vervoerder
onder zich had.’ Uiteraard kan de reder wel voor de kosten aansprakelijk zijn indien
het schip heeft gevaren in strijd met de eisen van goed zeemanschap.
217. HR 15 april 1965, NJ 1965, 331, nt. DJV (Snel-Laan/Ter Steege).
218. W.H. Heemskerk,
noot onder HR 8 oktober 1976, NJ 1977, 485, vindt dit een zuivere
risico-aansprakelijkheid. A.A. van Rossum, Aansprakelijkheid voor de
tenuitvoerlegging van vernietigde of terzijde gestelde rechterlijke
beslissingen (1990), p. 44 en 60, zoekt de onrechtmatigheid in het feit dat de
executant achteraf gezien ‘zonder recht’ handelde.
219. HR 7 april 1995, NJ 1996, 486, nt. WMK (Vossen/Swinkels). Zie ook HR 21 februari 1992, NJ 1992, 321
(Van Gastel q.q./Elink-Schuurman q.q.); HR 13 januari 1995, NJ 1997, 366, nt. CJHB
(Ontvanger/Bos).
220. Aldus ook Bolt
en Spier, De uitdijende reikwijdte van de aansprakelijkheid uit onrechtmatige
daad (1996), p. 290, noot 552 en daar genoemde schrijvers, waaraan toe te
voegen Streefkerk, De onrechtmatigheid van de rechtsinbreuk (1996), p. 84.
221. HR 25 september
1981, NJ 1982, 315 nt. CJHB (Breda/Nijs).
222. Zie ook Mon.
Nieuw BW B-45 (Jansen), nr 19.
223. HR 7 mei 1982,
NJ 1983, 478, nt. CJHB (Trechsel/Laméris); zie ook HR 4 november 1988, NJ 1989,
854, nt. CJHB (Schols/Pelzers-Heijnen) en HR 14 oktober 1994, NJ 1995, 720, nt.
MS (Staat/De Meijer). Zie over toepasselijkheid van deze jurisprudentie op de
aansprakelijkheid voor grensoverschrijdende bodemverontreiniging: Spier,
Bezittersaansprakelijkheid: een nieuw wapen bij milieu-verontreiniging? (1992),
p. 395-406.
224. De gewone
rechter dient een dergelijke vordering in beginsel zonder meer toe te wijzen;
voor de kortgedingrechter is nog een extra belangenafweging ten aanzien van de
gevraagde voorziening mogelijk: HR 15 december 1995, NJ 1996, 509, nt. DWFV
(Procter & Gamble/Kimberley-Clark); Asser-Hartkamp III (1998), nr 118h.
225. Van Nispen, Het
rechterlijk verbod en bevel (1978), nr 44-46; Meijers, Zakelijke
rechtsvorderingen en rechtsvorderingen uit onrechtmatige daad (1955), p. 69-70;
Streefkerk, De onrechtmatigheid van de rechtsinbreuk (1996), p.78-79.