________________________________________
8 ONRECHTMATIGHEID
8.4 Schending
wettelijke plicht
Ook buiten
het wettelijke kader kent de samenleving vele normen, zoals gedragsregels van
beroepsbeoefenaren, technische normen en sport- en spelregels. Afhankelijk van
de strekking en de mate van concreetheid van de regel, kan de schending ervan
een belangrijke indicatie voor onrechtmatigheid zijn.
Niet alleen
de wet vormt een bron van normen. Ook daarbuiten kent het maatschappelijk
verkeer op diverse terreinen normen en gedragsregels die op schrift zijn
gesteld. Het gaat dan bijvoorbeeld om beroepsregels (waaronder medische
protocols, zie hieronder), technische normen en sport- en spelregels.
Evenals bij de schending van een
wettelijke regel, is schending van een buitenwettelijke regel niet steeds
zonder meer onrechtmatig. De schending van een buitenwettelijke regel kan
slechts onrechtmatig zijn, indien daarmee tevens is gehandeld in strijd met
het ongeschreven recht.
Wanneer
kan de schending van een niet-wettelijke regel onrechtmatig worden genoemd?
Voor het antwoord op die vraag gelden dezelfde overwegingen als ten aanzien van
de wettelijke regels (nr. 826-827; nr. 828 Toetsing aan
het ongeschreven recht: concretiseren;
nr. 829-830). Dit betekent dat de regel voldoende concreet moet zijn en dat zij
moet strekken tot bescherming van de belangen van de benadeelde.
Net
als bij de wettelijke regels het geval is, loopt ook de abstractie van de
niet-wettelijke regels sterk uiteen. De meeste technische normen, zoals op het
gebied van de bouw en de energievoorziening, hebben een vrij concreet karakter.
In dit verband kan worden gewezen op het geval, waarin de Hoge Raad besliste
dat een gemeente in strijd had gehandeld met de richtlijnen voor grondslag en
ondersteuning van gasbuizen.[178] De schending van technische normen is
derhalve door de concrete inhoud ervan een sterke indicatie voor
onrechtmatigheid. Aan het relativiteitsvereiste zal in elk geval zijn voldaan
indien de technische norm ten doel heeft om de veiligheid te bevorderen en
door het niet naleven van de norm personenschade wordt veroorzaakt.[179]
De
schending van een gedragsregel door een beroepsbeoefenaar levert niet zonder
meer onrechtmatigheid op. Zo oordeelde de Hoge Raad in 1986 dat, indien een
advocaat een gedragsregel schendt daaruit, gegeven de aard van dit soort
regels, niet noodzakelijk volgt dat hij jegens de benadeelde onrechtmatig heeft
gehandeld.[181] Ook kan de door een tuchtcollege verweten nalatigheid onder de
gegeven omstandigheden onvoldoende zwaarwegend zijn voor het aannemen van een
onrechtmatige daad: binnen de beroepsorganisatie ligt de lat dan hoger dan
maatschappelijk is vereist.[182]
De
schending van een gedragsregel kan wel een gewichtige aanwijzing zijn voor
onrechtmatigheid. In het Kroymans-arrest besliste de Hoge Raad, dat uitspraken
van de Raad van Toezicht voor het Schadeverzekeringsbedrijf (een
tuchtrechtelijke instantie) een belangrijke indicatie vormen voor het bepalen
van de in Nederland levende rechtsovertuigingen (art. 3:12) en daarmee voor de
betekenis van redelijkheid en billijkheid (art. 6:248).[180] Gezien de nauwe
samenhang tussen de redelijkheid en billijkheid en de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm,
impliceert deze beslissing dat uitspraken van een tuchtrechter ook een belangrijke
indicatie zijn voor de onrechtmatigheid van de gedraging.
De Hoge Raad heeft in
dit kader voorts bijzondere eisen gesteld aan de motiveringsplicht van de
rechter. Indien deze hij bij de beoordeling van medisch handelen van een arts
tot een oordeel komt dat afwijkt van het oordeel van de tuchtrechter naar
aanleiding van een klacht met betrekking tot datzelfde medisch handelen, moet
hij zijn oordeel zodanig motiveren dat dit ook in het licht van de beoordeling
door de tuchtrechter voldoende begrijpelijk is. Zie HR 12 juli 2002
(A./E.), J@ 2002-269, NJ 2003, 151, nt. F.C.B. van Wijmen.
Wanneer
het om stringent geformuleerde interne veiligheidsvoorschriften gaat, levert de
schending daarvan in beginsel wel onrechtmatigheid op, zo besliste de Hoge Raad
in het tweede Lekkende kruik-arrest. In casu ging het om de uitdrukkelijke
instructie van een kraamcentrum uitsluitend gebruik te maken van de eigen
Jordense veiligheidskruiken van het Kraamcentrum (geheel afgesloten, met olie
gevulde, in water op te warmen kruiken). De Hoge Raad overweegt: 'Het betreft
hier een uitdrukkelijk en stringent geformuleerd, in de kraamverpleging
gebruikelijk veiligheidsvoorschrift dat klaarblijkelijk strekt ter bescherming
van uitermate hulpelozen - pas geboren baby's - tegen het gevaar van zéér
ernstig letsel dat juist voor hen is te duchten van het gebruik van met heet
water gevulde kruiken die, van welke sluiting ook voorzien, soms langs de
sluiting lekken. Wanneer, zoals in dit geval, het veiligheidsvoorschrift wordt
overtreden en het gevaar waartegen het de betrokken baby beoogde te beschermen,
zich heeft verwezenlijkt, moet worden aangenomen dat daarmede in beginsel
aansprakelijkheid voor de schadelijke gevolgen is gegeven en dat de kraamverzorgster
- of, wordt haar werkgever aangesproken: deze - daaraan enkel kan ontkomen door
te stellen en bij voldoende gemotiveerde tegenspraak te bewijzen dat voor dit
niet in acht nemen voldoende klemmende redenen bestonden, alsmede dat daarbij
al die voorzorgsmaatregelen zijn genomen die, naar toenmalig inzicht, waren
vereist om te voorkomen dat het aan het gebruik van met heet water gevulde
kruiken verbonden ernstige gevaar zich zou verwezenlijken.'[183]
In
dit geval ging het dus om een concreet geformuleerd voorschrift met een
duidelijk beschermingsbereik. Met de schending van een dergelijk
buitenwettelijk voorschrift is de onrechtmatigheid in beginsel gegeven. Hierbij
kan ook van belang zijn geweest dat het ging om veiligheidsregulering
(bescherming tegen personenschade) en niet om een norm waarvan schending
'slechts' tot economische schade leidt.
Ook de
inhoud van een medisch protocol kan van belang zijn voor het vaststellen van de
zorgvuldigheidsnorm. Bij een patiënt trad na een operatie trombose op. Op grond
van een binnen het ziekenhuis geldend protocol diende in een dergelijk geval
een anti-stollingsmiddel te worden toegediend maar dit werd vergeten en de
patiënt raakte arbeidsongeschikt. HR 2 maart
2001 (MC Leeuwarden/In ’t Hout), J@ 2001-75, NJ 2001, 649, nt. F.C.B. van
Wijmen en JBMV, VR 2001, 119, oordeelde, dat Hof Leeuwarden 2 december 1998, NJ
2000, 41, geen blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de gegeven
omstandigheden te oordelen, dat het niet naleven van het protocol als een
toerekenbare tekortkoming had te gelden. Het protocol heeft, in de woorden van
het Hof, niet alleen een intern karakter maar het geeft ook aan wat de patiënt
in zijn verhouding tot het ziekenhuis en de arts mag verwachten op het punt van
de zorg van een goed hulpverlener. De Hoge Raad laat ruimte voor een ander
oordeel, indien afwijking van het protocol in het belang van een goede
patiëntenzorg wenselijk is of indien binnen de beroepsgroep als geheel verschil
van inzicht bestaat omtrent de in het protocol voorgeschreven behandeling. Zie
ook nr. 810: Bewijslast
causaliteit.
Zie over de betekenis van de schending van
sport- en spelregels voor de onrechtmatigheid nr. 1518.
178. HR 27 februari 1976 (Maastricht/CWRB), NJ 1976, 423.
179. Zie ook Stuurman, Technische normen en het recht (1995), p.
249-296.
180. HR 12 januari 1996 (Kroymans/Sun Alliance), NJ 1996, 683, nt.
MMM, VR 1996, 85. Zie ook R.P.J.L. Tjittes, Samenloop van tuchtrecht,
strafrecht en privaatrecht bij beroepsaansprakelijkheid, AA 1995, p. 106-107.
181. HR 7 februari 1986 (Van Liere/Spruijt), NJ 1986, 378, waarin
het ging om Gedragsregel 42: 'De advocaat behoort het maken van onnodige kosten
te vermijden. Dit geldt eveneens tegenover de tegenpartij van de cliënt.' Zie
ook HR 28 juni 1991 (Bouw/Hakvoort), NJ 1992, 420, nt. JBMV, VR 1992, 48.
182. HR 15 november 1996 (Nederlandsch Trustkantoor/Paardekooper
& Hoffman), NJ 1997, 151.
183. HR 1 oktober 1993 (Lekkende kruik II), NJ 1995, 182, nt. CJHB,
VR 1994, 73.