AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

8        ONRECHTMATIGHEID

 

8.4    Schending wettelijke plicht

 

831   Buitenwettelijke normen

 

Ook buiten het wettelijke kader kent de samenleving vele normen, zoals gedragsregels van beroepsbeoefenaren, technische normen en sport- en spelregels. Afhankelijk van de strekking en de mate van concreetheid van de regel, kan de schending ervan een belangrijke indicatie voor onrechtmatigheid zijn.

 

Niet alleen de wet vormt een bron van normen. Ook daarbuiten kent het maatschappelijk verkeer op diverse terreinen normen en gedragsregels die op schrift zijn gesteld. Het gaat dan bijvoorbeeld om beroepsregels (waaronder medische protocols, zie hieronder), technische normen en sport- en spelregels.

 

Evenals bij de schending van een wettelijke regel, is schending van een buitenwettelij­ke regel niet steeds zonder meer onrechtmatig. De schending van een buitenwettelijke regel kan slechts onrechtmatig zijn, indien daarmee tevens is gehan­deld in strijd met het ongeschre­ven recht.

 

Wanneer kan de schending van een niet-wettelijke regel onrechtmatig worden genoemd? Voor het antwoord op die vraag gelden dezelfde overwegingen als ten aanzien van de wettelijke regels (nr. 826-827; nr. 828 Toetsing aan het ongeschreven recht: concretiseren; nr. 829-830). Dit betekent dat de regel voldoende concreet moet zijn en dat zij moet strekken tot bescherming van de belangen van de benadeelde.

 

Net als bij de wettelijke regels het geval is, loopt ook de abstractie van de niet-wettelijke regels sterk uiteen. De meeste technische normen, zoals op het gebied van de bouw en de energievoorziening, hebben een vrij concreet karakter. In dit verband kan worden gewezen op het geval, waarin de Hoge Raad besliste dat een gemeente in strijd had gehandeld met de richtlijnen voor grondslag en ondersteuning van gasbuizen.[178] De schending van technische normen is derhalve door de concrete inhoud ervan een sterke indicatie voor onrechtmatigheid. Aan het relativiteitsvereiste zal in elk geval zijn voldaan in­dien de technische norm ten doel heeft om de veiligheid te bevorderen en door het niet naleven van de norm personenschade wordt veroorzaakt.[179]

 

De schending van een gedragsregel door een beroepsbeoefenaar levert niet zonder meer onrechtmatigheid op. Zo oordeelde de Hoge Raad in 1986 dat, indien een advocaat een gedragsregel schendt daaruit, gegeven de aard van dit soort regels, niet noodzakelijk volgt dat hij jegens de benadeelde onrechtmatig heeft gehandeld.[181] Ook kan de door een tuchtcollege verweten nalatigheid onder de gegeven omstandigheden on­voldoende zwaarwegend zijn voor het aannemen van een onrechtmati­ge daad: binnen de beroepsorganisatie ligt de lat dan hoger dan maatschappelijk is vereist.[182]

 

De schending van een gedragsregel kan wel een gewichtige aanwijzing zijn voor onrechtmatigheid. In het Kroymans-arrest besliste de Hoge Raad, dat uitspraken van de Raad van Toezicht voor het Schadeverzekeringsbedrijf (een tuchtrechtelijke instantie) een belangrijke indicatie vormen voor het bepalen van de in Nederland levende rechtsovertuigingen (art. 3:12) en daarmee voor de betekenis van redelijk­heid en billijkheid (art. 6:248).[180] Ge­zien de nauwe samenhang tussen de rede­lijk­heid en billijkheid en de maatschappelijke zorg­vuldigheidsnorm, impliceert deze beslissing dat uitspraken van een tuchtrechter ook een belang­rijke indicatie zijn voor de onrechtmatig­heid van de gedraging.

 

De Hoge Raad heeft in dit kader voorts bijzondere eisen gesteld aan de motiveringsplicht van de rechter. Indien deze hij bij de beoordeling van medisch handelen van een arts tot een oordeel komt dat afwijkt van het oordeel van de tuchtrechter naar aanleiding van een klacht met betrekking tot datzelfde medisch handelen, moet hij zijn oordeel zodanig motiveren dat dit ook in het licht van de beoordeling door de tuchtrechter voldoende begrijpelijk is. Zie HR 12 juli 2002 (A./E.), J@ 2002-269, NJ 2003, 151, nt. F.C.B. van Wijmen.

 

Wanneer het om stringent geformuleerde interne veiligheidsvoorschriften gaat, levert de schending daarvan in beginsel wel onrechtmatigheid op, zo besliste de Hoge Raad in het tweede Lekkende kruik-arrest. In casu ging het om de uitdrukkelijke instructie van een kraam­centrum uitsluitend gebruik te maken van de eigen Jordense veiligheidskruiken van het Kraamcentrum (geheel afgesloten, met olie gevulde, in water op te warmen kruiken). De Hoge Raad overweegt: 'Het betreft hier een uitdrukkelijk en stringent geformuleerd, in de kraamverpleging gebruikelijk veiligheidsvoorschrift dat klaarblijkelijk strekt ter bescherming van uitermate hulpelozen - pas geboren baby's - tegen het gevaar van zéér ernstig letsel dat juist voor hen is te duchten van het gebruik van met heet water gevulde kruiken die, van welke sluiting ook voorzien, soms langs de sluiting lekken. Wanneer, zoals in dit geval, het veiligheidsvoorschrift wordt overtreden en het gevaar waartegen het de betrokken baby beoogde te beschermen, zich heeft verwezenlijkt, moet worden aangenomen dat daarmede in beginsel aansprakelijkheid voor de schadelijke gevolgen is gegeven en dat de kraamverzorgster - of, wordt haar werkgever aangesproken: deze - daaraan enkel kan ontkomen door te stellen en bij voldoende gemotiveerde tegenspraak te bewijzen dat voor dit niet in acht nemen voldoende klemmende redenen bestonden, alsmede dat daarbij al die voorzorgsmaatregelen zijn genomen die, naar toenmalig in­zicht, waren vereist om te voorkomen dat het aan het gebruik van met heet water gevulde kruiken verbonden ernstige gevaar zich zou verwezenlijken.'[183]

 

In dit geval ging het dus om een concreet geformuleerd voorschrift met een duidelijk beschermingsbereik. Met de schending van een dergelijk buitenwettelijk voorschrift is de onrechtmatigheid in beginsel gegeven. Hierbij kan ook van belang zijn geweest dat het ging om veiligheids­regulering (bescherming tegen personenschade) en niet om een norm waar­van schen­ding 'slechts'  tot economische schade leidt.

 

Ook de inhoud van een medisch protocol kan van belang zijn voor het vaststellen van de zorgvuldigheidsnorm. Bij een patiënt trad na een operatie trombose op. Op grond van een binnen het ziekenhuis geldend protocol diende in een dergelijk geval een anti-stollingsmiddel te worden toegediend maar dit werd vergeten en de patiënt raakte arbeidsongeschikt. HR 2 maart 2001 (MC Leeuwarden/In ’t Hout), J@ 2001-75, NJ 2001, 649, nt. F.C.B. van Wijmen en JBMV, VR 2001, 119, oordeelde, dat Hof Leeuwarden 2 december 1998, NJ 2000, 41, geen blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de gegeven omstandigheden te oordelen, dat het niet naleven van het protocol als een toerekenbare tekortkoming had te gelden. Het protocol heeft, in de woorden van het Hof, niet alleen een intern karakter maar het geeft ook aan wat de patiënt in zijn verhouding tot het ziekenhuis en de arts mag verwachten op het punt van de zorg van een goed hulpverlener. De Hoge Raad laat ruimte voor een ander oordeel, indien afwijking van het protocol in het belang van een goede patiëntenzorg wenselijk is of indien binnen de beroepsgroep als geheel verschil van inzicht bestaat omtrent de in het protocol voorgeschreven behandeling. Zie ook nr. 810: Bewijslast causaliteit.

 

Zie over de betekenis van de schending van sport- en spelregels voor de onrechtmatigheid nr. 1518.

 

178. HR 27 februari 1976 (Maastricht/CWRB), NJ 1976, 423.

179. Zie ook Stuurman, Technische normen en het recht (1995), p. 249-296.

180. HR 12 januari 1996 (Kroymans/Sun Alliance), NJ 1996, 683, nt. MMM, VR 1996, 85. Zie ook R.P.J.L. Tjittes, Samenloop van tuchtrecht, strafrecht en privaatrecht bij beroeps­aansprakelijkheid, AA 1995, p. 106-107.

181. HR 7 februari 1986 (Van Liere/Spruijt), NJ 1986, 378, waarin het ging om Gedragsregel 42: 'De advocaat behoort het maken van onnodige kosten te vermijden. Dit geldt eveneens tegenover de tegenpartij van de cliënt.' Zie ook HR 28 juni 1991 (Bouw/Hakvoort), NJ 1992, 420, nt. JBMV, VR 1992, 48.

182. HR 15 november 1996 (Nederlandsch Trustkantoor/Paardekooper & Hoffman), NJ 1997, 151.

183. HR 1 oktober 1993 (Lekkende kruik II), NJ 1995, 182, nt. CJHB, VR 1994, 73.

 

Naar boven    Inhoud      Home