________________________________________
8 ONRECHTMATIGHEID
8.4 Schending
wettelijke plicht
Indien de
wettelijke regel abstract is geformuleerd, kan niet zonder meer worden
vastgesteld of voldaan is aan de daarin gestelde eisen. De rechter dient de
norm dan te concretiseren, dat wil zeggen aan de hand van het ongeschreven
recht toe te passen (scherp te stellen) op het concrete geval dat hem wordt
voorgelegd.
Wettelijke
regels bevatten noodzakelijkerwijs abstracte formuleringen, omdat de afweging
die de wetgever maakt tussen vrijheid en bescherming doorgaans op een algemener
niveau plaatsvindt dan bij de rechter. Een wetgever denkt noodzakelijkerwijs
in collectieven, terwijl de rechter veelal individuen voor ogen heeft.[157]
‘Der Richter hat über die Fahrlässigkeit eines konkreten Verhaltens zu
entscheiden, während die vorgegebenen Verhaltensnormen notwendig
generalisieren.'[158] Hoe abstracter de wettelijke norm, hoe meer noodzaak er
voor de rechter is om haar te concretiseren; Grosheide spreekt in dit verband
treffend over '... het scherp stellen van de norm'.[159]
Een
voorbeeld van een abstracte wettelijke norm is art. 5 WVW 1994: 'Het is een
ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt
of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan
worden gehinderd.' Deze norm doet in abstractie nauwelijks onder voor de
algemene zorgvuldigheidsnorm. De enige concretisering is gelegen in de
toespitsing op verkeersdeelnemers en 'de weg'. Het is aan de rechter om de
abstracte termen 'zich zodanig gedragen', 'gevaar op de weg' en 'hinderen' in
het aan hem voorgelegde geval te concretiseren en daarmee scherp te stellen.
Dit soort algemene zorgplichten zijn veelal bedoeld om als vangnetnorm te
dienen voor het geval de andere, meer concrete normen tekortschieten.
Een
concretere norm is art. 18 lid 2 RVV 1990, dat de links afslaande bestuurder
verplicht om het tegemoetkomende verkeer niet te hinderen. In deze norm is
slechts het woord 'hinderen' een abstract begrip, dat de rechter moet
concretiseren. Ontstaat er een botsing tussen een links afslaande bestuurder en
een tegenligger, dan zal er in beginsel sprake zijn van 'hinderen' en daarmee
van de schending van een wettelijke plicht. Dit kan echter anders zijn indien
de snelheid van het tegemoetkomende voertuig zeer hoog was of indien dit
voertuig voor de links afslaande bestuurder niet goed zichtbaar wegens dichte
mist. De rechter kan dan concluderen dat de links afslaande bestuurder het
tegemoetkomende verkeer niet 'hinderde' in de zin van art. 18 lid 2 RVV 1990.
Met hetzelfderesultaat kan zijn redenering echter ook zijn, dat de links
afslaande bestuurder weliswaar een wettelijke plicht schond door te 'hinderen'
maar dat hij in de concrete omstandigheden van het geval niet onzorgvuldig
handelde en dat er derhalve geen sprake was van onrechtmatigheid.[160]
De
meest concrete wettelijke normen zijn doorgaans te vinden in
vergunningvoorschriften, waarbij onder meer kan worden gedacht aan
immissiewaarden in milieuvergunningen. Bij het vaststellen van deze
voorschriften vindt de belangenafweging door het bestuur op een concreet niveau
plaats. De schending van een dergelijk concreet voorschrift is vrijwel steeds
zonder meer onrechtmatig. Dit volgt ook uit het arrest Van Dam/Beukeboom:
'Wanneer door overtreding van een voorwaarde in een hinderwetvergunning iemand
wordt getroffen in een door die voorwaarde beschermd belang en ter zake schade
lijdt, zal de overtreder door wiens schuld die schade is veroorzaakt dan ook -
behoudens het zich hier niet voordoende geval van een rechtvaardigingsgrond -
op grond van art. 1401 aansprakelijk zijn voor de door de overtreding
veroorzaakte schade.'[161]
Indien
iemand zonder vergunning een gedraging verricht terwijl de wet wel een
vergunning eist, handelt hij in beginsel in strijd met een wettelijk voorschrift.
Bevat de wet zelf echter geen normen waaraan een vergunningplichtige moet
voldoen, dan levert een een dergelijke gedraging niet zonder meer
onrechtmatigheid op. Deze moet dan worden gezocht in het niet voldoen aan de
voorschriften die (later) bij de verlening van de vergunning worden opgelegd. HR 3
november 2000 (EBS/Groenewegen),
J@ 2000-189, NJ 2001, 108, nt. ARB, formuleert deze gedachte in het kader van
de Wet luchtverontreiniging aldus, ‘… dat niet het handelen zonder de vereiste
vergunning als zodanig onrechtmatig is, maar dat voor onrechtmatigheid
bovendien vereist is dat sprake is van zodanig handelen dat niet is voldaan aan
de eisen voor het verkrijgen van een vergunning zoals die later is verleend’.
De Hoge Raad verwijst naar zijn overeenkomstige overweging in HR 19 juni 1987
(IDN/SWU), NJ 1988, 91, nt. G. AG-Spier, nr. 3.9, merkt in dit verband op dat,
‘… zeker in gevallen waarin de inzichten omtrent de vergunningplichtigheid
veranderen, van een reeds bestaande onderneming niet kan worden gevergd dat zij
hangende de behandeling van de vergunning en van een eventueel bezwaar en
beroep haar activiteiten staakt. Wanneer de onderneming in de betrokken periode
handelt op de wijze als in de vergunning zoals deze later komt te luiden wordt
gevergd, zou het van nodeloos formalisme getuigen een onderscheid te maken
tussen de periode voorafgaande aan en na de verlening.’ Indien het gaat om een
vordering tot schadevergoeding kan men ook zeggen dat er weliswaar onrechtmatig
is gehandeld maar dat causaal verband met de schade ontbreekt; vgl. HvJ 24
september 1998 (Brinkmann Tabakfabriken GmbH/Skatte-ministeriet), ov. 39,
waarover nr. 607:
Francovich-jurisprudentie: voorwaarden.
Indien blijkt dat de vergunningplichtige niet voldeed aan de (later)
vastgestelde vergunningvoorschriften (of indien zij niet voldeed aan de in de
wet zelf vastgelegde inhoudelijke voorschriften) is daarmee de onrechtmatigheid
jegens belanghebbenden gegeven: zie HR 17 september 1982
(Zegwaard/Knijnenburg), NJ 1983, 278, nt. MS.
De
rol van de rechter in het concretiseren (scherp stellen) van wettelijke regels
is dus groter naarmate de regel abstracter is geformuleerd, c.q. naarmate de
regel meer abstracte (open) begrippen bevat. Waar de regel het vereiste gedrag
in (min of meer) algemene bewoordingen aangeeft, is het aan de rechter om het
vereiste gedrag voor het concrete geval te bepalen.
Een wettelijke regel kan voorts, ook als zij
voldoende concreet is, te algemeen zijn geformuleerd. De wettelijk
voorgeschreven gedraging verdient dan weliswaar in het almeen de voorkeur maar
in het concrete geval kan een andere gedraging beter zijn. Een voorbeeld
daarvan biedt het Twee Gezusters-arrest, waarin het ging om een aanvaring tussen
twee binnenschepen en er sprake was van de gedraging in strijd met art. 35 lid
4 Binnenaanvaringsreglement. De Hoge Raad overwoog: '... dat toch het feit,
dat een wettelijk voorschrift zekere manoeuvre verbiedt, omdat het daarvan in
het algemeen gevaar voor aanvaring ducht, niet uitsluit, dat in een concreet
geval de omstandigheden zoo kunnen liggen, dat, naar ervaringsregelen,
redelijkerwijs mocht worden aangenomen, dat die manoeuvre kon worden
ondernomen en uitgevoerd zonder gevaar voor aanvaring, ook al is een aanvaring
toch gevolgd'.[162] Dit is een voorbeeld van een situatie waarin sprake is van
meer omstandigheden dan in de concrete wettelijke norm waren verdisconteerd
(nr. 827).
157. Zie ook Van Dam, Politieke infiltratie in het privaatrecht
(1994), p. 7.
158. Münchener Kommentar-Hanau (1994), § 276 N 94.
159. F.W. Grosheide, Beantwoording rechtsvraag privaatrecht, AA
1982, p. 95.
160. Zie HR 5 oktober 1979 (Breuer/Gutman), NJ 1980, 68, VR 1980,
28, nt. Bouman.
161. HR 9 januari 1981 (Van Dam/Beukeboom), NJ 1981, 227 nt. CJHB.
Zie ook S.C.J.J. Kortmann, Vergunning voor onrechtmatig handelen, in: Goed en
trouw (Van der Grinten-bundel), Zwolle 1984, p. 463 e.v. en B.J. Engelen, De
rol van de wettelijke gedragsnorm bij het onrechtmatigheidsoordeel op grond van
artikel 1401 BW, RM Themis 1986, p. 211-214.
162. HR 5 juni 1931 (Twee Gezusters), NJ 1932, 113, nt. PS.