AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

8        ONRECHTMATIGHEID

 

8.4    Schending wettelijke plicht

 

828   Toetsing aan het ongeschreven recht: concretiseren

 

Indien de wettelijke regel abstract is geformuleerd, kan niet zonder meer worden vastgesteld of voldaan is aan de daarin gestelde eisen. De rechter dient de norm dan te concretiseren, dat wil zeggen aan de hand van het ongeschreven recht toe te passen (scherp te stellen) op het concrete geval dat hem wordt voorgelegd.

 

Wettelijke regels bevatten noodzakelijkerwijs abstracte formuleringen, omdat de afwe­ging die de wetgever maakt tussen vrijheid en bescherming doorgaans op een al­gemener ni­veau plaatsvindt dan bij de rechter. Een wetgever denkt noodzakelijkerwijs in collectie­ven, terwijl de rechter veelal individuen voor ogen heeft.[157] ‘Der Richter hat über die Fahrlässigkeit eines konkreten Verhaltens zu entscheiden, während die vorgegebenen Verhaltensnormen notwendig generalisieren.'[158] Hoe abstracter de wettelijke norm, hoe meer noodzaak er voor de rechter is om haar te concretiseren; Grosheide spreekt in dit verband treffend over '... het scherp stellen van de norm'.[159]

 

Een voorbeeld van een abstracte wettelijke norm is art. 5 WVW 1994: 'Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehin­derd.' Deze norm doet in abstractie nauwelijks onder voor de algemene zorgvuldigheids­norm. De enige concretisering is gelegen in de toespitsing op verkeers­deelnemers en 'de weg'. Het is aan de rechter om de abstracte termen 'zich zodanig gedragen', 'gevaar op de weg' en 'hinderen' in het aan hem voorgelegde geval te concretiseren en daarmee scherp te stellen. Dit soort algemene zorgplichten zijn veelal bedoeld om als vangnet­norm te dienen voor het geval de andere, meer concre­te normen tekortschie­ten.

 

Een concretere norm is art. 18 lid 2 RVV 1990, dat de links afslaande bestuurder verplicht om het tegemoetkomende verkeer niet te hinderen. In deze norm is slechts het woord 'hinderen' een abstract begrip, dat de rechter moet concretiseren. Ontstaat er een botsing tussen een links afslaande bestuurder en een tegenligger, dan zal er in beginsel sprake zijn van 'hinderen' en daarmee van de schending van een wettelijke plicht. Dit kan echter anders zijn indien de snelheid van het tegemoetkomende voertuig zeer hoog was of indien dit voertuig voor de links afslaande bestuurder niet goed zichtbaar wegens dichte mist. De rechter kan dan concluderen dat de links afslaande bestuurder het tegemoetkomende verkeer niet 'hinderde' in de zin van art. 18 lid 2 RVV 1990. Met hetzelf­deresultaat kan zijn redenering echter ook zijn, dat de links afslaande bestuurder welis­waar een wettelijke plicht schond door te 'hinderen' maar dat hij in de concrete omstandigheden van het geval niet onzorgvuldig handelde en dat er derhalve geen sprake was van onrechtmatigheid.[160]

 

De meest concrete wettelijke normen zijn doorgaans te vinden in vergunningvoorschriften, waarbij onder meer kan worden gedacht aan immissiewaarden in milieuvergun­ningen. Bij het vaststellen van deze voorschriften vindt de belangenafweging door het bestuur op een concreet niveau plaats. De schending van een dergelijk concreet voor­schrift is vrijwel steeds zonder meer onrechtmatig. Dit volgt ook uit het arrest Van Dam/Beuke­boom: 'Wanneer door overtreding van een voorwaarde in een hinderwetver­gunning iemand wordt getrof­fen in een door die voorwaarde beschermd belang en ter zake schade lijdt, zal de overtreder door wiens schuld die schade is veroorzaakt dan ook - behoudens het zich hier niet voordoende geval van een rechtvaardigingsgrond - op grond van art. 1401 aansprakelijk zijn voor de door de overtreding veroorzaakte schade.'[161]

 

Indien iemand zonder vergunning een gedraging verricht terwijl de wet wel een vergunning eist, handelt hij in beginsel in strijd met een wettelijk voorschrift. Bevat de wet zelf echter geen normen waaraan een vergunningplichtige moet voldoen, dan levert een een dergelijke gedraging niet zonder meer onrechtmatigheid op. Deze moet dan worden gezocht in het niet voldoen aan de voorschriften die (later) bij de verlening van de vergunning worden opgelegd. HR 3 november 2000 (EBS/Groenewegen), J@ 2000-189, NJ 2001, 108, nt. ARB, formuleert deze gedachte in het kader van de Wet luchtverontreiniging aldus, ‘… dat niet het handelen zonder de vereiste vergunning als zodanig onrechtmatig is, maar dat voor onrechtmatigheid bovendien vereist is dat sprake is van zodanig handelen dat niet is voldaan aan de eisen voor het verkrijgen van een vergunning zoals die later is verleend’. De Hoge Raad verwijst naar zijn overeenkomstige overweging in HR 19 juni 1987 (IDN/SWU), NJ 1988, 91, nt. G. AG-Spier, nr. 3.9, merkt in dit verband op dat, ‘… zeker in gevallen waarin de inzichten omtrent de vergunningplichtigheid veranderen, van een reeds bestaande onderneming niet kan worden gevergd dat zij hangende de behandeling van de vergunning en van een eventueel bezwaar en beroep haar activiteiten staakt. Wanneer de onderneming in de betrokken periode handelt op de wijze als in de vergunning zoals deze later komt te luiden wordt gevergd, zou het van nodeloos formalisme getuigen een onderscheid te maken tussen de periode voorafgaande aan en na de verlening.’ Indien het gaat om een vordering tot schadevergoeding kan men ook zeggen dat er weliswaar onrechtmatig is gehandeld maar dat causaal verband met de schade ontbreekt; vgl. HvJ 24 september 1998 (Brinkmann Tabakfabriken GmbH/Skatte-ministeriet), ov. 39, waarover nr. 607: Francovich-jurisprudentie: voorwaarden. Indien blijkt dat de vergunningplichtige niet voldeed aan de (later) vastgestelde vergunningvoorschriften (of indien zij niet voldeed aan de in de wet zelf vastgelegde inhoudelijke voorschriften) is daarmee de onrechtmatigheid jegens belanghebbenden gegeven: zie HR 17 september 1982 (Zegwaard/Knijnenburg), NJ 1983, 278, nt. MS.

 

De rol van de rechter in het concretiseren (scherp stellen) van wettelijke regels is dus groter naarmate de regel abstracter is geformuleerd, c.q. naarmate de regel meer abstrac­te (open) begrippen bevat. Waar de regel het vereiste gedrag in (min of meer) alge­mene bewoordingen aangeeft, is het aan de rechter om het vereiste gedrag voor het concrete geval te bepalen.

 

Een wettelijke regel kan voorts, ook als zij voldoende concreet is, te algemeen zijn geformuleerd. De wettelijk voorgeschreven gedraging verdient dan weliswaar in het al­meen de voorkeur maar in het concrete geval kan een andere gedraging beter zijn. Een voorbeeld daarvan biedt het Twee Gezusters-arrest, waarin het ging om een aanvaring tus­sen twee binnenschepen en er sprake was van de gedraging in strijd met art. 35 lid 4 Binnenaanva­ringsre­glement. De Hoge Raad overwoog: '... dat toch het feit, dat een wet­telijk voor­schrift zekere manoeuvre verbiedt, omdat het daarvan in het algemeen gevaar voor aan­varing ducht, niet uitsluit, dat in een concreet geval de omstandigheden zoo kunnen liggen, dat, naar ervaringsregelen, redelijkerwijs mocht worden aangenomen, dat die man­oeuvre kon worden ondernomen en uitgevoerd zonder gevaar voor aanvaring, ook al is een aanvaring toch gevolgd'.[162] Dit is een voorbeeld van een situatie waarin sprake is van meer omstandigheden dan in de concrete wettelijke norm waren verdiscon­teerd (nr. 827).

 

157. Zie ook Van Dam, Politieke infiltratie in het privaatrecht (1994), p. 7.

158. Münchener Kommentar-Hanau (1994), § 276 N 94.

159. F.W. Grosheide, Beantwoording rechtsvraag privaatrecht, AA 1982, p. 95.

160. Zie HR 5 oktober 1979 (Breuer/Gutman), NJ 1980, 68, VR 1980, 28, nt. Bouman.

161. HR 9 januari 1981 (Van Dam/Beukeboom), NJ 1981, 227 nt. CJHB. Zie ook S.C.J.J. Kort­mann, Vergunning voor onrechtmatig handelen, in: Goed en trouw (Van der Grinten-bundel), Zwolle 1984, p. 463 e.v. en B.J. Engelen, De rol van de wettelijke gedragsnorm bij het onrechtmatigheidsoordeel op grond van artikel 1401 BW, RM Themis 1986, p. 211-214.

162. HR 5 juni 1931 (Twee Gezusters), NJ 1932, 113, nt. PS.

 

Naar boven    Inhoud      Home