AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

__________________________________

 

8           ONRECHTMATIGHEID

 

8.3.2    Voorzorgsmaatregelen

 

825a    Reflexwerking

 

Reflexwerking houdt in, dat degene op wie een risico-aansprakelijkheid rust, in de spiegelbeeldige situatie waarin hij zelf schade lijdt, deze bijzondere hoedanigheid per definitie tegen zich moet laten gelden in de vorm van een extra percentage eigen schuld. In de jurisprudentie gaat het met name om de reflexwerking van art. 185 WVW, indien een voetganger of fietser schade veroorzaakt aan een motorrijtuig.

 

De gedachte van de reflexwerking is reeds in 1963 verwoord door J. Drion: ‘Naar mijn mening kan nòg een algemene regel worden genoemd. Indien de wetgever in gevallen waar in het algemeen beide partijen tegelijk schade lijden - ik denk met name aan botsingen tussen schepen, voertuigen en vliegtuigen - , de een aansprakelijk stelt voor de door de ander geleden schade ook bij bepaalde andere oorzaken van de botsing dan fouten van hemzelf of van een ondergeschikte, impliceert dit dat diezelfde oorzaken a fortiori aan hem als ‘eigen schade’ kunnen worden toegerekend als hij zelf van de ander schadevergoeding vordert terzake van diezelfde botsing.’ [J. Drion, WPNR 4786 (1963), p. 452-453. Omdat Drion ook lid was van het Nieuw BW-Driemanschap verbaast het niet dat deze gedachte een plaats kreeg in het nooit ingevoerde art. 6.3.14, dat bestemd was om art. 31 WVW te vervangen: ‘Bij toepassing van artikel 6.1.9.6 gelden omstandigheden waarvoor de bezitter of kentekenhouder aansprakelijk is jegens de schuldenaar, als omstandigheden die ook aan de eigenaar van het motorrijtuig of van de zich daarin bevindende zaken kunnen worden toegerekend’.]

 

Naar mijn mening berust de gedachte van de reflexwerking op een te ver doorgevoerde dogmatiek. Het is een academische tournure, die de kern van het aansprakelijkheidsrecht miskent en daardoor tot onjuiste uitkomsten leidt. In het buitenland is de regel niet bekend.[Zie ook Engelhard en Van Maanen, Aansprakelijkheid voor verkeersongevallen, 1998, p. 55.] Voorop moet worden gesteld, dat een regel van risico-aansprakelijkheid ertoe strekt om sneller aansprakelijkheid te koppelen aan de verwezenlijking van een bepaald risico, teneinde de benadeelden in meer gevallen recht op schadevergoeding te bieden. Dit impliceert, dat op (bijvoorbeeld) degene die met een motorrijtuig aan het verkeer deelneemt, een grotere verantwoordelijkheid jegens ongemotoriseerden rust. Maar net als a contrario-redeneringen risico’s in zich dragen, geldt dit ook voor spiegelbeeld-redeneringen. Art. 185 WVW heeft immers niet tot strekking dat een voetganger of fietser geen of minder verantwoordelijk draagt jegens personen die gemotoriseerd aan het verkeer deelnemen. De bepaling strekt er evenmin toe dat een fietser of voetganger ten opzichte van motorrijtuigen minder zorg hoeft te betrachten dan ten opzichte van ongemotoriseerde weggebruikers. Dat laatste is immers de feitelijke consequentie van reflexwerking. Daar kan nog aan worden toegevoegd, dat het bij art. 185 WVW gaat om een aansprakelijkheid die rust op de eigenaar of houder van het motorrijtuig; strikt genomen zou dat moeten impliceren dat reflexwerking niet geldt jegens een bestuurder die niet tevens eigenaar of houder is.

 

Mijns inziens moet bij de schadeverdeling ex art. 6:101 worden geabstraheerd van regels van risico-aansprakelijkheid. Als zodanig hebben deze geen reflexwerking. Dit sluit niet uit dat in het kader van de causale verdeling van art. 6:101 acht wordt geslagen op het feitelijke risico dat zich in het concrete geval heeft gemanifesteerd. Maar het per definitie abstract toerekenen van het gevaar van het motorrijtuig in reflex-gevallen is onjuist.[Aldus ook Hartlief en Tjittes, Verzekering en aansprakelijkheid, 1999, p. 156. Zie voorts Kamerstukken II, 1997-1998, 25 759, nr. 3 (Memorie van Toelichting), Algemeen, nr 14, waar wordt opgemerkt dat bij kennelijk onaanvaardbare gevolgen voor een onverzekerde ongemotoriseerde weggebruiker art. 6:109 (matigingsbevoegdheid) kan worden toegepast.]

 

Het standaard-arrest over reflexwerking was HR 6 februari 1987 (Saskia Mulder), NJ 1988, 57, nt. CJHB, VR 1987, 35, nt. vWvC. Dit betrof een geval waarin een fietser (wier schuld vaststond) schade toebracht aan een motorrijtuig. De AVP-verzekeraar van de fietser erkende voor 50% aansprakelijkheid en de automobilist vorderde 100%. Volgens de Kantonrechter was art. 31 WVW in dit geval niet van belang. De Hoge Raad casseerde dit vonnis (in het belang der wet) na onder meer te hebben overwogen dat met de strekking van art. 31 WVW niet strookt, ‘… dat niet met het motorrijtuig vervoerde personen onverkort naar de regels van het gemene recht zouden kunnen worden aangesproken voor schade aan het motorrijtuig zelf (…) met als gevolg dat zij in dit geval bescherming tegen de gevolgen van het zich verwezenlijken van dezelfde gevaren als boven weergegeven zouden ontberen.’ Dit laatste miskent dat het hier niet steeds om dezelfde gevaren behoeft te gaan: bij art. 185 WVW gaat het om het gevaar van motorrijtuigen voor niet-gemotoriseerden, bij reflexwerking gaat het om het gevaar van niet-gemotoriseerden voor gemotoriseerden.

 

De regel die de Hoge Raad in het Saskia Mulder arrrest formuleerde komt er op neer, dat de fietser de schade volledig moet vergoeden als de aanrijding te wijten is aan overmacht voor de bestuurder. Is er geen overmacht, dan blijft de schade in beginsel steeds voor een gedeelte voor rekening van de eigenaar van het motorrijtuig. Hoe groot dit gedeelte is, hangt af van de mate waarin de fout van de fietser enerzijds en de in het licht van art. 31 WVW aan het motorrijtuig toe te rekenen omstandigheden anderzijds tot de schade hebben bijgedragen. Bloembergen had zich in zijn toelichting op het cassatiemiddel overigens tegen reflexwerking uitgesproken indien de fout van de fietser vaststaat, de aansprakelijkheid door verzekering is gedekt, de automobilist letselschade oploopt en deze schade niet door verzekering is gedekt. Over deze nuancering liet de Hoge Raad zich in het arrest niet uit.

 

Het was onduidelijk in hoeverre ook aan de na Saskia Mulder gewezen arresten reflexwerking moest worden toegekend. Het ging dan met name om de toepassing van de 50%-regel, zoals verwoord HR 24 december 1993 (Anja Kellenaers), NJ 1995, 236, nt. CJHB, VR 1994, 52, nt. vWvC; zie nr. 1308: Overmacht en eigen schuld.[Zie hierover onder meer H.A. Bouman, Reflex-billijkheid-verzekering, in: In volle verzekerdheid (Van Wassenaer van Catwijck-bundel), 1993, p. 199-211; A.J.O. baron van Wassenaer van Catwijck, Vijf vrou­wen in het verkeer, in: CJHB (Brunner-bundel), 1995, p. 429-440; T. Hartlief, in: Verbintenissen uit de wet en schadevergoeding, 2000, nr. 162. Zie ook Circulaire nr AAA 95/3 Verbond van Verzekeraars, d.d. 16 januari 1995, VR 1995, p. 198.]

 

De perikelen rond het inmiddels ingetrokken Wetsvoorstel Verkeersongevallen (nr. 1309: Toekomstverwachtingen) gaven geen verheldering van de materie. In het oorspronkelijke voorstel aan de Raad van State, was een regeling van de reflexwerking opgenomen. Daarin was de aansprakelijkheid van een ongemotoriseerde voor schade aan een motorrijtuig of aan daardoor vervoerde personen of zaken beperkt tot 50% van de schade die de benadeelde niet uit anderen hoofde vergoed zou krijgen. Op deze beperking van de aan­sprakelijkheid kon de ongemotoriseerde zich niet beroepen indien zijn aansprakelijkheid door verzekering zou zijn gedekt. Na kri­tiek van de Raad van State op deze regeling heeft de minister haar alsnog geschrapt.[Kamerstukken II, 1997-1998, 25 759, nr. 3 (Memorie van Toelichting), Algemeen, nr. 14.] Daarbij werd van belang geacht, dat de rege­ling voor het grote publiek niet erg begrijpelijk was en bovendien dat de in het voorstel geformuleerde uitzondering (de ongemotori­seerde is voor meer dan 50% van de niet uit anderen hoofde vergoe­de schade aansprakelijk indien hij tegen aansprakelijkheid verze­kerd is) juist de regel vormde, omdat 85% van de huishoudens tegen wettelijke aansprakelijkheid is verzekerd.

 

HR 4 mei 2001 (Chan-a-Hung/Maalsté), J@ 2001-141, RvdW 2001, 99, geeft meer duidelijkheid over de toepassing van de reflexwerking. Het gaat om een geval waarin een fietster tegen de rijrichting in op een (brom)fietspad rijdt en daar tegen een bromfietser botst, die daaraan blijvend letsel overhoudt. De AVP-verzekeraar van de fietster weigert met een beroep op de reflexwerking meer dan 50% van de schade te vergoeden. In cassatie bevestigt de Hoge Raad het uitgangspunt van het Saskia Mulder-arrest, dat aan art. 31 (oud) WVW reflexwerking toekomt, ook - en dat is een verduidelijking - in geval van letselschade van de bestuurder van het motorrijtuig. De Hoge Raad voegt daaraan toe, dat ‘… noch in het geval van schade aan het motorrijtuig noch in het geval van letselschade aan de zijde van de bestuurder van het motorrijtuig plaats [is] voor overeenkomstige toepassing van de 100%-regel en van de 50%-regel en kunnen in het kader van de billijkheidscorrectie van art. 6:101 lid 1 BW de gevolgen van de reflexwerking worden verzacht.’

 

In principiële zin overweegt de Hoge Raad (r.o. 3.7.2): ‘De 100%- en de 50%-regel zijn door de Hoge Raad (…) ontwikkeld in het kader van de billijkheidscorrectie van art. 6:101 lid 1 BW, een maatstaf waarbij rekening moet worden gehouden met de persoonlijke en maatschappelijke belangen die bij het gegeven geval zijn betrokken, zoals in die arresten nader omschreven. In die gevallen gaat het om bescherming van kwetsbare groepen van verkeersdeelnemers (voetgangers en fietsers). Met name de afweging van de persoonlijke en maatschappelijke belangen die zijn betrokken bij het geval dat aan de bestuurder letselschade is toegebracht, zal veelal tot een geheel andere uitkomst kunnen leiden dan waartoe de 100%- en de 50%-regel nopen. Overeenkomstige toepassing van deze regels in zodanige gevallen lijkt niet op een breed maatschappelijk draagvlak te kunnen rekenen, zeker als het gaat om letselschade van de bestuurder van het motorrijtuig waartegen deze niet is verzekerd, terwijl de aansprakelijkheidsverzekering van de voetganger/fietser die schade wel dekt. Derhalve zal steeds van geval tot geval eerst de door art. 6:101 lid 1 geëiste causaliteitsafweging moeten worden gemaakt, waarna de in dat artikel opgenomen billijkheidscorrectie aan de orde kan komen. Bij de beantwoording van de vraag of de billijkheid - gelet op de persoonlijke en maatschappelijke belangen die bij het gegeven geval zijn betrokken - een andere verdeling eist, moet rekening worden gehouden met de ernst en de mate van verwijtbaarheid van de over en weer gemaakte fouten en met alle andere omstandigheden van het geval, waaronder het al dan niet verzekerd zijn, van de eigenaar/bestuurder en de aansprakelijk gestelde fietser/voetganger.’

Het komt er op neer, dat de bestuurder bij overmacht zijn volledige schade krijgt vergoed. Is er geen overmacht, dan wordt de vergoedingsplicht vastgesteld op grond van art. 6:101. Bij de causaliteitsafweging kan dan rekening worden gehouden met het door het door het motorrijtuig in het leven geroepen gevaar. Dit is mijns inziens principieel onjuist, omdat dit een ander soort gevaar is als waartegen art. 185 WVW beschermt. Deze derhalve veelal onjuiste uitkomst, kan door de rechter vrijelijk worden gecorrigeerd op grond van de billijkheidscorrectie. Er is dus veel werk aan de winkel voor de billijkheidscorrectie en dat is geen goed teken. Zij dient namelijk niet om onjuiste regels maar slechts om ongerechtvaardigde uitkomsten van de toepassing van een regel te corrigeren.

 

In de zaak zelf had het Hof aan art. 31 WVW geen reflexwerking toegekend. Het had de causale bijdrage van de fietster op 90% en de bromfietser op 10% bepaald en de fietster uiteindelijk op grond van de billijkheidscorrectie voor 100% aansprakelijk gehouden. Nu het Hof met toepassing van de criteria van de Hoge Raad tot hetzelfde resultaat zou zijn gekomen, werd het ingestelde cassatieberoep verworpen.

 

Naar boven          Inhoud             Home