AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

8        ONRECHTMATIGHEID

 

8.3.2 Voorzorgsmaatregelen

 

820   Onderzoeksplichten

 

Indien niet bekend is dat, dan wel twijfel bestaat of er een risico aan een bepaalde situatie of gedraging is verbonden, kan iemand gehouden zijn daarnaar onderzoek te verrichten. Deze onderzoeksplicht hangt samen met het kenbaarheidselement van het toerekeningsvereiste van art. 6:162 lid 3 (nr. 904).

 

Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend indien hij het risico kende of behoorde te kennen (art. 6:162 lid 3). In het algemeen behoort iemand te beschikken over kennis van de risico's van de activiteit die hij verricht (nr. 912). Dit impliceert in veel gevallen een onderzoeks­plicht. Hier lopen onrechtmatig­heid en toerekening in elkaar over (nr. 703-704).

 

Een onderzoeksplicht rust ook op iemand die bouwwerkzaamheden verricht of laat verrichten. Deze verplichting geldt niet alleen voorafgaand aan maar ook gedurende die werkzaamheden. Zij impliceert dat de gevolgen voor derden, in het bijzonder naburige percelen, nauwlettend in de gaten dienen te worden gehouden en dat op basis daarvan tijdig en adequaat dient te worden gereageerd: nr. 1219: Bouwwerkzaamheden. In het Oude Molen-arrest ging het om een waterschap dat in de bedding van een riviertje rioolwerkzaamheden uitvoerde waarbij, als gevolg van de verhoogde waterafvoer elders, een kademuur verzakte en de mergelstenen gevel van de historische Oude Molen in Valkenburg scheurde. De Hoge Raad overwoog dat het waterschap (WZL) ‘…voor de aanvang van en tijdens de duur van de werkzaamheden had behoren te onderzoeken of en in hoeverre de verhoogde waterafvoer (…) mogelijkerwijs gevolgen had die zouden kunnen leiden tot het ontstaan van schade voor Plantaz en dat WZL bij de bediening van de sluis rekening moest houden met die gevolgen en de daaraan verbonden gevaren of risico’s’ (r.o. 3.4): HR 21 april 2000 (Oude Molen), J@ 2000-35, NJ 2000, 564, nt. ARB.

 

De omvang van de onderzoeksplicht wordt bepaald door de omvang van het risico enerzijds en de bezwaarlijkheid van het verrichten van onderzoek anderzijds. Hoe groter het risico, des te meer onderzoek kan worden gevergd.[110] Bij minder ernstige risico's zul­len de kosten, tijd en moeite van het onderzoek eerder voldoende gewicht in de schaal kunnen leggen.[111]

 

Gaat het om onderzoek naar het risico van ernstige gezondheids­schade, dan speelt de bezwaarlijkheid daarvan een ondergeschikte rol. Zo brengt de zorgplicht van de werkge­ver voor de veiligheid van de werkplek mee, dat hij bij aantas­ting van de gezondheid van een of meer van zijn werknemers door een door hem te ver­wer­ken of te produceren stof, onder meer moet aangeven, '... in hoeverre hij zich tijdig omtrent het aan die stof verbonden gevaar en de met het oog daarop te treffen voorzieningen heeft laten voorlich­ten, bijv. door deskundigen, onder­scheidenlijk waarom een der­gelijk onderzoek of dergelijke voorzieningen redelijkerwijs niet van hem konden worden gevergd.'[112]

 

In geval van twijfel is in beginsel onderzoek vereist. Zo oordeel­de de Hoge Raad in het kader van een gronduitgifte, dat de gemeente jegens latere bewoners onrechtmatig han­delde door onderzoek naar de geschiktheid van de grond voor woningbouw achterwe­ge te laten toen zij de grond uitgaf en zij reden had aan die geschiktheid te twijfelen.[113] In hetzelfde kader oordeelde de Hoge Raad dat er zelfs reden kan zijn voor eigen onder­zoek indien deskundigen nog niet inzien welke risico's bestaan.[114] Indien het gaat om persoon­lijke verwijtbaarheid, zoals bij de aansprake­lijk­heid van de be­stuur­der van een rechtspersoon, kan een verkeerde voorstelling van zaken minder ver­wijtbaar zijn dan het bij twijfel niet verrichten van onderzoek.[115] Bij twijfel is de onmogelijkheid van onderzoek geen beletsel om aan te nemen dat de betrokkene het risico had behoren te kennen (vgl. art. 3:11). Is onderzoek niet mogelijk, dan moet in het algemeen terughoudendheid worden betracht. Het Bundesgerichtshof oordeel­de in het geval waarin sprake was van een onduidelijke voor­rangssituatie (uitrit of zijweg): '... spricht die Vorfahrtre­gelung nicht eindeutig zugunsten eines Verkehrsteil­nehmers, so muß er von der Rechtsbedeutung ausgehen, die ihm ungünstiger ist und eine höhere Sorgfalt abverlangt'.[116]

 

Dit betekent dat indien twijfel bestaat over het risico van een bepaalde gedra­ging en minder riskant gedrag mogelijk is, beter voor het laatste kan worden geko­zen. Dat ondervond de advocaat die conform de heersende leer, maar zonder dat daar­over in de rechtspraak duidelijkheid bestond, een alleen door hemzelf en niet door zijn cliënt onder­tekend verzoekschrift ex art. 89 Sv indiende. Later besliste de Hoge Raad dat in elk geval de cliënt moet ondertekenen. De raadsman was in casu aansprakelijk jegens de cliënt, omdat hij door niet te kiezen voor de zekere weg van de medeondertekening '... een situatie in het leven heeft geroepen waarin, naar hij had moeten begrijpen, het risico van niet-ontvankelijkheid van het verzoek bestond'.[117]

 

Het belang van de minst riskante weg, kwam ook in twee latere arresten aan de orde. In HR 4 september 1998, NJ 1998, 828 (Waarbroek/H.) ging het om een beroepsbeoefenaar, die een aanvraagformulier niet, althans niet aangetekend, had verzonden. De Hoge Raad oordeelde dat een professioneel dienstverlener aan zijn zorgplicht heeft voldaan, ‘… indien hij, bij ontbreken van een opdracht omtrent de wijze van verzenden, een methode van verzending kiest, waarbij hij een deugdelijk en gedateerd verzendbewijs en/of een deugdelijk en gedateerd bewijs van ontvangst door de geadresseerde verkrijgt, zoals aangetekende verzending of verzending per expresse-post.’ In HR 9 juni 2000 (S/V), J@ 2000-85, NJ 2000, 460, ging het om de beroepsaansprakelijkheid van een advocaat die een griffierecht niet tijdig had betaald (hij had de bank vijf dagen van te voren opdracht had gegeven). Hier overwoog de Hoge Raad: ‘Het Hof heeft klaarblijkelijk op grond van een door hem aangenomen algemene ervaringsregel geoordeeld dat destijds onder normale omstandigheden niet meer dan vier dagen gelegen waren tussen de dag waarop het te betalen bedrag werd bijgeschreven op de rekening van degene voor wie de betaling was bestemd. Door bij zijn oordeel dat V. mocht aannemen dat het griffierecht tijdig door de Raad van State zou worden ontvangen, uit te gaan van deze ervaringsregel is het Hof niet met enige rechtsregel in strijd gekomen.’ Uit deze arresten lijkt te kunnen worden afgeleid dat de rechter meer vertrouwen heeft in de betrouwbaarheid van de bank dan in die van de posterijen. De uitkomst van de laatstgenoemde zaak werd echter bepaald door de ervaringsregel die het Hof uit de lucht had geplukt en waarvan de juistheid ernstig kon worden betwijfeld. Daarover kon echter in cassatie, wegens het feitelijk karakter ervan, niet worden geklaagd. Wat hiervan ook zij, het verdient voor de beroepsbeoefenaar ook bij betalingen waar hij voor verantwoordelijk is, aanbeveling om de minst riskante weg te bewandelen en zonodig te kiezen voor een telefonische overboeking.

 

110. Zie ook L.T. Visscher en H.O. Kerkmeester, Kenbaarheidsvereiste en gewoonte als verweren tegen een aansprakelijkheidsactie: een rechtseconomische benadering, TMA 1996, p. 48-56.

111. Zie bijvoorbeeld HR 9 oktober 1981 (Bargerbeek/Juurlink), NJ 1982, 332, nt. CJHB.

112. HR 6 april 1990 (Janssen/Nefabas), NJ 1990, 573, nt. PAS, VR 1991, 88, waarover ook nr 803. Zie thans art. 6:175, waarover nr. 1303: Risico-aansprakelijkheid (artikel 6:175 BW).

113. HR 9 oktober 1992 (Maassluis/Van Bergen e.a.), NJ 1994, 286, nt. CJHB. Zie ook BGH 11 juni 1981, NJW 1982, 36.

114. HR 9 oktober 1992 (Pakwoningen/Van Bergen e.a.), NJ 1993, 289, nt. CJHB. Zie ook HR 13 november 1987 (Haagse gasfabriek), NJ 1988, 139 en HR 19 februari 1993 (Groningen/Erven Zuidema), NJ 1994, 290, nt. CJHB.

115. HR 6 oktober 1995 (Baas/Hanford Feeds Ltd e.a.), NJ 1996, 106, waarover nr. 916.

116. BGH 5 oktober 1976, VersR 1977, 58. Zie ook Münchener Kommentar-Hanau (1994), § 276 N 124.

117. HR 29 november 1991 (P/A), NJ 1992, 808, nt. CJHB. Zie ook HR 2 april 1982 (Smael/Moskowicz), NJ 1983, 367 en Münchener Kommentar-Hanau (1994), N 118.

 

Naar boven    Inhoud    Home