________________________________________
8 ONRECHTMATIGHEID
8.3.1 Aard
en nut van de gedraging
Het nut van
de gedraging kan een doorslaggevende rol spelen, indien er sprake is van een
rechtvaardigingsgrond. Onder bijzondere omstandigheden kan ook een vermeende
rechtvaardigingsgrond een beletsel zijn voor het aannemen van
aansprakelijkheid.
Van
een geschreven rechtvaardigingsgrond is sprake bij de uitvoering van een wettelijk
voorschrift, een wettelijke bevoegdheid of een ambtelijk bevel en voorts bij
noodweer en overmacht, waaronder ook de noodsituatie valt. Deze gevallen zullen
zich slechts bij uitzondering voordoen.
Een
noodsituatie is een plotselinge en onverwachte gebeurtenis of combinatie van
omstandigheden die om een onmiddellijke reactie vraagt. In een dergelijke
situatie is er geen tijd om rustig na te denken en alternatieven af te wegen.
Het gaat dan bijvoorbeeld om brandweer en politie die te hard rijden, of om het
redden van een leven door het beschadigen van eigendommen of het verwonden van
anderen. Zo oordeelde de Engelse rechter in 1946, dat er geen sprake was van
‘negligence’ van de bestuurder van een ambulance, die in een noodsituatie in
oorlogstijd bij het rechtsaf slaan verzuimde om richting aan te geven.[85]
In
de Engelse zaak Watt v. Hertfordshire County Council ging het om een vrouw die
onder een zwaar voertuig terecht was gekomen. De krik waarmee het voertuig
moest worden opgetild, werd gebracht door een brandweerman met een auto die
daar niet voor geschikt was; hij raakte gewond door een beweging van de krik.
De rechter achtte de brandweerautoriteiten hiervoor niet aansprakelijk: hij
vond het risico dat de man liep geringer dan het belang om het leven van de
vrouw te redden. Lord Denning overwoog: 'It is well settled that in measuring due care
one must balance the risk against the measures necessary to eliminate the
risk. To that proposition there ought to be added this: one must balance the
risk against the end to be achieved. If this accident had occurred in a
commercial enterprise without any emergency, there could be no doubt that the
servant would succeed. But the commercial end to make profit is very different
from the human end to save life or limb. The saving of life or limb justifies
taking considerable risk'.[86]
Op
deze uitspraak valt wel wat af te dingen, omdat hulpdiensten over deugdelijke
apparatuur, vervoermiddelen en noodscenario's dienen te beschikken; het was dus
maar de vraag of hier sprake was van een echte noodsituatie. Dit laat onverlet
dat in een dergelijk geval een vordering uit zaakwaarneming van de
brandweerman jegens de geredde vrouw denkbaar is.[87] Voor het Franse recht
geldt dat een rechtvaardigingsgrond '... n'exclut pas nécessairement, notamment
par le biais de la théorie de l'enrichissement sans cause, une sorte de
dedommagement de celui qui a pu souffrir de l'acte dicté par l'état de
nécessité.'[88]
Ook
als het gaat om een spoedrapportage in het kader van een intern onderzoek naar
onregelmatigheden bij een bedrijf, kan er reden zijn om een minder grote mate
van zorgvuldigheid te eisen. De Hoge Raad overwoog dat '... bij een
vertrouwelijke spoedrapportage andere, naar gelang van de omstandigheden lichtere
eisen met betrekking tot de zorgvuldigheid gelden dan wanneer het gaat om het
openlijk ter discussie stellen van iemands reputatie.'[89]
Zie
voor noodtoestand als rechtvaardigingsgrond HR
10 december 1999 (IJzeren staaf),
NJ 2000, 9, VR 2000, 115, nt. CCvD.
Een
bijzondere kwestie kwam aan de orde in het Noenmaal-arrest, waarin de Hoge Raad
aannam dat er sprake was van een terecht vermeende rechtvaardigingsgrond.[90]
Twee artsen bezochten het gerenommeerde restaurant Inter Scaldes, dat net een
tweede Michelinster had gekregen. Tijdens de maaltijd keurden zij diverse
gerechten en dranken af, enkele keren na deze al voor een goed deel te hebben
geconsumeerd. Niet onaannemelijk is dat zij er op uit waren om
restauranthouder Boudeling te provoceren. Toen de gasten vertrokken, verkeerde
Boudeling ten onrechte in de veronderstelling dat zij niet wilden betalen. Bij
de deur pakte hij daarom een van de artsen bij zijn jasje en deze maakte daarop
een beweging met zijn arm waardoor Boudeling over zijn gezicht werd gekrabd.
Boudeling gaf de arts daarop een klap waardoor die tegen de deur viel en
blijvend letsel opliep. Het is duidelijk, dat het provocerende gedrag van de
gasten op zichzelf voor de klap van Boudeling geen rechtvaardigingsgrond
opleverde. Wel kleurde dit gedrag de uitleg die hij aan de armbeweging van de
arts mocht geven: hij mocht die als een bedreiging zien en zich daartegen
verdedigen, ook al was van een bedreiging in feite geen sprake. Deze
vermeende rechtvaardigingsgrond hief niet de onrechtmatigheid van de
handeling op maar stond in de weg aan de toerekening van die daad aan
Boudeling. Hij dwaalde namelijk verschoonbaar omtrent de aanwezigheid van de
bedreiging: hij behoefde daaromtrent niet beter te weten (nr. 903 en nr.
909).[91]
Het
arrest biedt een goed voorbeeld van de mate van welwillendheid die de rechter
kan betrachten bij het vaststellen van de feiten. In veel gevallen werkt dit in
het voordeel van benadeelde, met name bij personenschade, maar hier was dat
niet het geval. Het kan ook in vergelijkbare situaties gebeuren, bijvoorbeeld
indien een sporter door een tegenstander voortdurend in woord en daad wordt
geprovoceerd. Zijn provocaties kunnen hem dan niet alleen bij het bepalen van
de eigen schuld maar ook bij het vaststellen van de feiten parten gaan spelen.
De
beslissing had anders geluid indien was komen vast te staan dat de klap van
Boudeling in verhouding tot de bedreiging disproportioneel hard zou zijn geweest.
Daarvoor is niet het letsel maar de kracht van de klap beslissend. In casu
werd het letsel niet toegeschreven aan de kracht van de klap '... maar aan de
combinatie van de klap met het feit dat Taams daardoor ongelukkigerwijs tegen
de deur van het restaurant is gevallen'. Dit stemt overeen met de
opzet-jurisprudentie in het verzekeringsrecht (nr. 911:
Subjectieve toetsing: opzet en bewuste roekeloosheid).
85. Daborn v. Bath Tramways Motor Co.
Ltd. (1946) 2 All ER 333.
86. Lord Denning in Watt v.
Hertfordshire County Council (1954) 2 All ER 368, 371. Zie voorts Gaynor v.
Allan (1959) 2 QB 403 en Prosser and Keeton on the Law of Torts (1984), p. 28.
87. Zie ook H.C.F. Schoordijk, Aansprakelijkheid tegenover
brandweerlieden naar Amerikaans, Engels en Nederlands recht, WPNR 5870 (1988),
p. 227-231.
88. Terré-Simler-Lequette, Les obligations
(1996), nr. 704, met literatuurverwijzingen.
89. HR 19 juni 1992 (Meijer/Gruijters), NJ 1992, 578.
90. HR 31 maart 1995 (Noenmaal), NJ 1997, 592, nt. CJHB, VR 1995,
184, nt. vWvC.
91. Anders dan G.E. Van Maanen, NTBR 1996, p. 64 (Universiteit
Maastricht), meen ik dat de onwelwillendheid van de Hoge Raad jegens de artsen
niet zozeer moet worden teruggevoerd op overwegingen van soberheid ('Waarom
niet gewoon een bruine boterham tussen de middag?') maar op het bij de artsen
ontbreken van de juiste Bourgondische instelling.