AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

8        ONRECHTMATIGHEID

 

8.3.1 Aard en nut van de gedraging

 

815   Rechtvaardigingsgronden

 

Het nut van de gedraging kan een doorslaggevende rol spelen, indien er sprake is van een rechtvaardigingsgrond. Onder bijzondere omstandigheden kan ook een vermeende rechtvaardigingsgrond een beletsel zijn voor het aannemen van aansprakelijkheid.

 

Van een geschreven rechtvaardigingsgrond is sprake bij de uitvoering van een wettelijk voorschrift, een wettelijke bevoegdheid of een ambtelijk bevel en voorts bij noodweer en overmacht, waaronder ook de noodsituatie valt. Deze gevallen zullen zich slechts bij uit­zon­dering voor­doen.

 

Een noodsituatie is een plotselinge en onverwachte gebeurtenis of combina­tie van om­standigheden die om een onmiddellijke reactie vraagt. In een dergelij­ke situatie is er geen tijd om rustig na te denken en alternatieven af te wegen. Het gaat dan bijvoorbeeld om brandweer en politie die te hard rijden, of om het redden van een leven door het be­schadigen van eigendommen of het verwonden van anderen. Zo oor­deelde de Engelse rechter in 1946, dat er geen sprake was van ‘negligence’ van de be­stuur­der van een ambulance, die in een noodsituatie in oor­logstijd bij het rechtsaf slaan verzuimde om richting aan te geven.[85]

 

In de Engelse zaak Watt v. Hertfordshire County Council ging het om een vrouw die onder een zwaar voertuig terecht was gekomen. De krik waarmee het voertuig moest worden opgetild, werd gebracht door een brandweerman met een auto die daar niet voor geschikt was; hij raakte gewond door een beweging van de krik. De rechter achtte de brandweerautoritei­ten hiervoor niet aansprakelijk: hij vond het risico dat de man liep gerin­ger dan het belang om het leven van de vrouw te redden. Lord Denning overwoog: 'It is well settled that in measuring due care one must balance the risk against the measu­res necessary to eliminate the risk. To that proposition there ought to be added this: one must balance the risk against the end to be achieved. If this accident had occurred in a commercial enterprise without any emergency, there could be no doubt that the servant would succeed. But the commercial end to make profit is very different from the human end to save life or limb. The saving of life or limb justifies taking considerable risk'.[86]

 

Op deze uitspraak valt wel wat af te dingen, omdat hulpdiensten over deugdelijke apparatuur, vervoermiddelen en noodscenario's dienen te beschikken; het was dus maar de vraag of hier sprake was van een echte noodsituatie. Dit laat onverlet dat in een der­gelijk geval een vordering uit zaakwaarneming van de brandweerman jegens de geredde vrouw denkbaar is.[87] Voor het Franse recht geldt dat een rechtvaardigingsgrond '... n'exclut pas nécessairement, notamment par le biais de la théorie de l'enrichissement sans cause, une sorte de dedommagement de celui qui a pu souffrir de l'acte dicté par l'état de nécessité.'[88]

 

Ook als het gaat om een spoedrapportage in het kader van een intern onderzoek naar onregelmatigheden bij een bedrijf, kan er reden zijn om een minder grote mate van zorg­vuldigheid te eisen. De Hoge Raad overwoog dat '... bij een vertrouwelijke spoedrappor­tage andere, naar gelang van de omstandigheden lichtere eisen met betrekking tot de zorg­vuldigheid gelden dan wanneer het gaat om het openlijk ter discussie stellen van iemands reputatie.'[89]

 

Zie voor noodtoestand als rechtvaardigingsgrond HR 10 december 1999 (IJzeren staaf), NJ 2000, 9, VR 2000, 115, nt. CCvD.

 

Een bijzondere kwestie kwam aan de orde in het Noenmaal-arrest, waarin de Hoge Raad aannam dat er sprake was van een terecht vermeende rechtvaardigingsgrond.[90] Twee artsen bezochten het gerenommeerde restaurant Inter Scaldes, dat net een tweede Michelinster had gekregen. Tijdens de maaltijd keur­den zij diverse gerechten en dranken af, enkele keren na deze al voor een goed deel te hebben geconsumeerd. Niet onaanne­melijk is dat zij er op uit waren om restauranthouder Boudeling te provoceren. Toen de gasten vertrokken, verkeerde Boudeling ten onrechte in de veronderstelling dat zij niet wilden betalen. Bij de deur pakte hij daarom een van de artsen bij zijn jasje en deze maakte daarop een beweging met zijn arm waardoor Boudeling over zijn gezicht werd gekrabd. Boudeling gaf de arts daarop een klap waardoor die tegen de deur viel en blijvend letsel opliep. Het is duidelijk, dat het provocerende gedrag van de gasten op zichzelf voor de klap van Bou­deling geen rechtvaardigings­grond opleverde. Wel kleurde dit gedrag de uitleg die hij aan de arm­beweging van de arts mocht geven: hij mocht die als een bedrei­ging zien en zich daartegen verde­di­gen, ook al was van een bedreiging in feite geen sprake. Deze vermeende rechtvaardi­gingsgrond hief niet de onrechtma­tigheid van de handeling op maar stond in de weg aan de toerekening van die daad aan Boudeling. Hij dwaal­de namelijk ver­schoonbaar omtrent de aanwezigheid van de bedreiging: hij behoef­de daar­omtrent niet beter te weten (nr. 903 en nr. 909).[91]

 

Het arrest biedt een goed voorbeeld van de mate van welwillendheid die de rechter kan betrachten bij het vaststellen van de feiten. In veel gevallen werkt dit in het voordeel van benadeelde, met name bij personenschade, maar hier was dat niet het geval. Het kan ook in vergelijkba­re situa­ties gebeu­ren, bijvoor­beeld indien een sporter door een tegenstander voortdurend in woord en daad wordt geprovoceerd. Zijn provocaties kunnen hem dan niet alleen bij het bepalen van de eigen schuld maar ook bij het vaststel­len van de feiten parten gaan spelen.

 

De beslissing had anders geluid indien was komen vast te staan dat de klap van Boudeling in verhouding tot de bedreiging disproportioneel hard zou zijn ge­weest. Daar­voor is niet het letsel maar de kracht van de klap beslissend. In casu werd het letsel niet toegeschreven aan de kracht van de klap '... maar aan de com­binatie van de klap met het feit dat Taams daardoor ongelukkigerwijs tegen de deur van het restau­rant is gevallen'. Dit stemt overeen met de opzet-jurisprudentie in het verzekeringsrecht (nr. 911: Subjectieve toetsing: opzet en bewuste roekeloosheid).

 

85. Daborn v. Bath Tramways Motor Co. Ltd. (1946) 2 All ER 333.

86. Lord Denning in Watt v. Hertfordshire County Council (1954) 2 All ER 368, 371. Zie voorts Gaynor v. Allan (1959) 2 QB 403 en Prosser and Keeton on the Law of Torts (1984), p. 28.

87. Zie ook H.C.F. Schoordijk, Aansprakelijkheid tegenover brandweerlieden naar Amerikaans, Engels en Nederlands recht, WPNR 5870 (1988), p. 227-231.

88. Terré-Simler-Lequette, Les obligations (1996), nr. 704, met literatuurverwijzingen.

89. HR 19 juni 1992 (Meijer/Gruijters), NJ 1992, 578.

90. HR 31 maart 1995 (Noenmaal), NJ 1997, 592, nt. CJHB, VR 1995, 184, nt. vWvC.

91. Anders dan G.E. Van Maanen, NTBR 1996, p. 64 (Universiteit Maastricht), meen ik dat de onwelwillendheid van de Hoge Raad jegens de artsen niet zozeer moet worden teruggevoerd op overwegingen van soberheid ('Waarom niet gewoon een bruine boterham tussen de middag?') maar op het bij de artsen ontbreken van de juiste Bourgondische instelling.

 

Naar boven    Inhoud      Home