AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

8        ONRECHTMATIGHEID

 

8.3.1 Aard en nut van de gedraging

 

814   Zwaarwegende maatschappelijke belangen en rechtmatige daad

 

Art. 6:168 lid 1 bepaalt, dat de rechter een vordering, strekkende tot verbod van een onrechtmatige gedraging kan afwijzen indien deze gedraging op grond van zwaarwegende maatschappelijke belangen behoort te worden geduld. Het gaat hierbij veelal om op zichzelf rechtmatige gedragingen waardoor anderen onevenredig worden benadeeld.

 

Een veel verdergaande maatregel dan een verplichting tot schadevergoeding is het verbod van een bepaalde activiteit. Tegen het verminderen of staken van een activiteit bestaat immers geen verzekering.[78] Dat is uiteraard geen probleem indien de activiteit onge­wenst is maar het ligt anders indien het gaat om een maatschappelijk nuttige activiteit. Daarom biedt art. 6:168 de rechter de mogelijkheid om, met be­houd van de ver­plichting tot schadevergoeding, een verbod op grond van zwaarwegende maat­schappe­lijke belangen af te wijzen.

 

Een voorbeeld is het Van Gastel/Van den Heuvel-arrest, waarin het ging om een bouwschutting die afbreuk deed aan de zichtbaarheid van de winkel van Van den Heuvel. Deze vorderde een verbod op de bouwactiviteiten maar de Hoge Raad wees dit af. Hij overwoog: 'Weliswaar kan het zich voordoen dat parti­culiere bouwactiviteiten enerzijds plaatsvinden op zodanige wijze of leiden tot een zoda­nige omzetschade voor naburige winkelbedrijven dat zij een onrechtmatige daad opleveren die tot vergoe­ding van die schade verplicht, terwijl zij anderzijds wegens het zwaar­wegende maat­schappelijke belang dat normale bouwactiviteiten niet onnodig worden belemmerd, niet door de rechter kunnen worden verboden, zolang degene voor wiens rekening die activi­teiten worden ondernomen, die schade voor zijn rekening neemt.'[79]

 

Een ander voorbeeld is het Leffers-arrest. Na het uitbreken van de zeer besmette­lijke Afrikaanse varkenspest verbood de Minister van Landbouw en Visserij met onmiddellijke ingang het gebruik van swill (voedsel- en slachtafval, ook wel kliek genoemd), als voedsel voor varkens. Door dit verbod moest Leffers een ander voedersys­teem gaan ge­bruiken. De daaraan verbonden kosten de­den zijn bedrijf uiteindelijk de das om en hij belandde in de bijstand. Hij vorderde in de eerste plaats buitenwerkingstelling van de nieuwe rege­ling maar de Hoge Raad wees deze eis af op grond van de zwaarwegende maatschappe­lijke belangen die met de regeling waren ge­moeid, '... nu Afrikaanse varkenspest een zeer besmettelijke ziekte is, waarte­gen nog geen geneesmiddelen bestaan en waarvan uitbreken tot grote schade kan leiden, zowel in verband met de kosten van de maatrege­len ter beteugeling van die ziekte, als ook door het wegvallen van exportmogelijkhe­den.'[80]

 

Met betrekking tot de onrechtmatigheid overwoog de Hoge Raad dat de Regeling de gehele bedrijfstak (fokkerij, handel en export van varkens) beoogde te beschermen maar dat zij de relatief kleine groep van varkensmesters die swill gebruikten onevenredig in haar belangen trof. Bovendien behoorde een dergelijk plotseling en drastisch verbod niet tot de normale bedrijfsrisico's. In deze omstandigheden handelde de minister jegens Lef­fers onrechtmatig door de Regeling uit te vaardigen en uit te voeren zonder tevens voor varkensmesters als Leffers een regeling te treffen '... die het hun financieel mogelijk maakte hun bedrijf aan te passen of, zo zulks onmogelijk zou blijken, hun te dier zake op andere wijze in hun economische belangen tegemoet kwam.'[81]

 

In HR 14 april 2000 (Kooren-Maritiem/Staat), J@ 2000-27, NJ 2000, 713, nt. ARB, besliste de Hoge Raad dat deze mogelijkheid niet bestaat bij een wet in formele zin. In deze zaak was het Hof er volgens de Hoge Raad terecht van uitgegaan, ‘… dat het oordeel dat het uitvaardigen, handhaven en uitvoeren van een wet in formele zin jegens een persoon onrechtmatig is wegens strijd met algemene rechtsbeginselen, neerkomt op toetsing van die wet aan zulke beginselen en het heeft evenzeer met juistheid geoordeeld, dat het in art. 120 neergelegde toetsingsverbod mede betrekking heeft op toetsing aan algemene rechtsbeginselen’. Zie HR 14 april 1989 (Harmonisatiewet), NJ 1989, 469, nt. MS. Wel kan er sprake zijn van schending van art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM: voor zover sprake is van ontneming van eigendom in de zin van art. 1 lid 1 het in lid 2 bedoelde recht van de Staat ‘… om het gebruik van de eigendom te reguleren onverlet laat dat zulk een niet met een vergoeding gepaard gaande ontneming een schending van het in art. 1 aan (rechts)personen gewaarborgde recht op het ongestoord genot van hun eigendom oplevert wanneer een redelijk evenwicht ontbreekt tussen de aantasting van dat recht en het doel dat met de ontnemingsmaatregel is beoogd (vgl. onder meer de paragrafen 70 en 71 in EHRM 9 december 1994, Serie A nr. 301-A, Holy Monasteries/Griekenland, NJ 1996, 374).’

 

De Hoge Raad gaf een belangrijke toepassing van het gelijkheidsbeginsel in HR 30 maart 2001 (Staat/Lavrijsen), J@ 2001-91, RvdW 2001, 71, VR 2002, 12. Lavrijsen exploiteerde een varkensmesterij in van X gehuurde stallen. Zij leed schade toen de politie (na toestemming van de rechter-commissaris) in de stallen huiszoeking deed. De huiszoeking vond plaats, omdat X werd verdacht van overtreding van de Opiumwet. Rechtbank en Hof wezen de vordering tot schadevergoeding van Lavrijsen toe. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en overwoog met verwijzing naar het Leffers-arrest (zie boven), dat het toebrengen van onevenredige schade bij een op zichzelf rechtmatige overheidshandeling als de onderhavige huiszoeking jegens de getroffene onrechtmatig is. Onevenredige schade wil hier zeggen: de op een beperkte groep burgers of instellingen drukkende nadelige gevolgen die buiten het normale maatschappelijke risico of het normale bedrijfsrisico vallen. Deze regel komt niet aan de orde indien er sprake is van een andere soort onevenredigheid, namelijk indien de politie in verhouding tot het te bereiken doel disproportionele schade toebrengt, ook wel ‘nodeloze’ schade genoemd. In dat geval is de onrechtmatigheid (ook jegens verdachten) met de disproportionaliteit of nodeloosheid gegeven.

 

In HR 21 maart 2003 (S./Staat) J@ 2003-141, RvdW 2003, 53, ging het om een zaak waarin de Keuringsdienst van Waren rechtmatig een aantal partijen ingeblikt fruit in beslag had genomen en deze vervolgens had vernietigd. De BV (Xenos) die de blikken onder zich had, werd strafrechtelijk veroordeeld wegens overtreding van de Warenwet maar de eigenaar werd daarvan in hoger beroep vrijgesproken. Laatstgenoemde vorderde vervolgens van de Staat schadevergoeding voor de vernietigde blikken. De Hoge Raad overwoog dat het toebrengen van onevenredige schade bij een op zichzelf rechtmatige overheidshandeling als de onderhavige inbeslagneming, gevolgd door vernietiging van de in beslag genomen voorwerpen jegens de daardoor getroffene (in dit geval de eigenaar) onrechtmatig is. Dit betekent dat na verwijzing alsnog moet worden beslist over de vraag of de eigenaar onevenredige schade lijdt.

 

Het gaat hier om gedragingen die als zodanig niet onrechtmatig zijn. Het Nederlandse recht kent echter geen algemene actie tot schadevergoeding uit rechtmatige daad. De onrechtmatigheid wordt in dit soort gevallen daarom gezocht in het feit dat anderen onevenredig worden benadeeld. Dit wordt ook wel aldus geformuleerd dat degene die de activiteit verricht zich onvoldoende de belangen van de ander heeft aangetrokken. Deze tournure komt niet alleen voor bij gevallen zoals hierboven zijn vermeld maar ook op het gebied van de hinder[82] en in het vennootschapsrecht. Zo oordeelde de Hoge Raad in het Osby-arrest over een moedervennootschap die zekerheden had verworven over vrijwel alle activa van een dochtervennootschap, zodat de dochter geen verhaal meer bood voor nieuwe crediteuren. De Hoge Raad besliste, dat de moeder jegens die crediteuren onrechtmatig handelde, omdat zij door haar inzicht in en zeggenschap over de dochter wist of behoorde te voorzien dat nieuwe crediteuren werden benadeeld en zij niettemin naliet zorg te dragen dat die schuldeisers werden voldaan. De onrechtmatigheid lag hier dus niet in het verwerven van de zekerheden maar in het zich onvoldoende aantrekken van de belangen van de crediteuren van de dochter.[83]

 

Ook in andere gevallen functioneert de onrechtmatige daad als grondslag voor wat in feite een aansprakelijkheid voor rechtmatige daad of een risico-aansprakelijkheid is. Dat geldt bijvoorbeeld bij de executie van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis dat in hoger beroep wordt vernietigd. Zo oordeelde de Hoge Raad in 1999, dat aangenomen moet worden dat degene die door dreiging met executie van dwangsommen de veroor­deelde heeft gedwongen tot uitvoering, in beginsel onrechtmatig heeft gehandeld, zonder nader aan te duiden waarin die onrechtmatigheid bestond.[84]

 

78. Zie ook J. Spier, noot onder HR 26 november 1993 (Zaadnoordijk/Staat), NJ 1995, 322, NTBR 1994, p. 162.

79. HR 3 april 1987 (Van Gastel/Van den Heuvel), NJ 1987, 703, nt. G.

80. HR 18 januari 1991 (Leffers/Staat), NJ 1992, 638, nt. CJHB. Zie reeds HR 16 mei 1986 (Landbouwvliegers), NJ 1987, 251: bij de toetsing van een wet in materiële zin aan het willekeur-criterium kan mede van belang zijn of '... aan de daardoor in het gedrang komende belangen is tegemoet gekomen door aan eventuele benadeelden enigerlei vorm van vergoeding toe te kennen.'

81. Deze maatstaf wordt uitgewerkt in HR 3 april 1998 (Meiland/Staat), NJ 1998, 726, nt. TK.

82. HR 15 februari 1991 (Aalscholvers), NJ 1992, 639, nt. CJHB, waarover nr. 1218. Zie ook HR 29 januari 1993 (Vermobo-Schraeyen/Van Rijswijk), NJ 1994, 172, nt. PvS.

83. HR 25 september 1981 (Osby), NJ 1982, 443. Zie ook HR 19 februari 1988 (Albada Jelgersma II), NJ 1988, 487; HR 18 november 1994 (NBM/Securicor), NJ 1995, 170, nt. Ma.

84. HR 19 februari 1999 (A/B), NJ 1999, 367; zie ook nr. 838.

 

Naar boven    Inhoud      Home