AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

8                    ONRECHTMATIGHEID

 

8.2.2             Waarschijnlijkheid

 

810               Bewijslast causaliteit

 

Wanneer door een onrechtmatige daad een risico in het leven is geroepen of is verhoogd, en dit risico verwezenlijkt zich, is daarmee het causaal verband tussen de gedraging en de schade in beginsel gegeven, behoudens de mogelijkheid tot tegenbewijs voor de aansprakelijk gestelde persoon.

 

Wanneer vaststaat dat iemand onrechtmatig heeft gehandeld doordat hij de kans op een ongeval heeft vergroot en dit risico zich in de vorm van een ongeval heeft verwezenlijkt, is daarmee het vereiste causaal verband (conditio sine qua non) tussen het gedrag en het ongeval in beginsel gegeven. Het is dan aan de aansprakelijk gestelde persoon om te stel­len en aan te tonen dat het ongeval waarschijnlijk ook zou hebben plaatsgevonden indien hij zich niet onrechtmatig zou hebben gedragen.[46]

 

Deze regel ten aanzien van het primaire causaal verband is allereerst toegepast bij de schending van een ver­keers- of veiligheids­norm. Een voorbeeld daarvan is te vinden in het Cijsouw I-ar­rest, waarin de Hoge Raad overwoog: 'Indien (...) De Schelde in de periode 1949-1967 te kort is ge­schoten in haar verplichtingen om al die veiligheidsmaat­regelen te nemen welke waren vereist met het oog op de haar bekende gevaren van het werken met asbest en dit ver­zuim de kans dat Cijsouw een tot een mesothelioom leidend asbestkristal zou binnenkrijgen, in aanmer­kelijke mate heeft verhoogd, is De Schelde ingevolge art. 1638x voor de daaruit voortvloeiende schade aansprakelijk, ook al heeft die nalatigheid geleid tot de verwezenlijking van een haar toen niet bekend gevaar (meso­thelioom). Zulks is slechts anders, indien De Schelde aannemelijk maakt dat het nemen van de destijds vereiste veiligheidsmaatregelen de verwezenlijking van het gevaar van mesothelioom waarschijnlijk niet had kunnen voorkomen.'[47]

 

De Hoge Raad heeft deze bewijsregel ook toegepast op het terrein van de beroepsaan­sprakelijkheid. Dat gebeurde in het Dicky Trading I-arrest: 'Wanneer hetgeen zich hier heeft verwezenlijkt - te weten dat het aan Dicky Trading overgemaakte bedrag niet aan Franken is doorbetaald en ook niet door deze kan worden verhaald - behoort tot de risico's met het oog waarop H. zijn voormelde verplichting als notaris had moeten nakomen, zal de daaruit voortvloeiende schade in beginsel aan hem als een gevolg van de niet-nakoming van die verplichting kunnen worden toegerekend.'[48]

 

In Dicky Trading II gaf de Hoge Raad aan deze regel een algemene betekenis door te overwegen dat '... indien door een onrechtmatige daad of wanprestatie aan te merken ge­draging een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en dit risico zich vervolgens verwezenlijkt, daarmee het causaal verband tussen die gedraging en de aldus ontstane schade in beginsel is gegeven, en dat het aan degene die op grond van die gedraging wordt aangesproken is om te stellen en te bewijzen dat die schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan.'[49]

 

Deze regel is in algemene bewoordingen bevestigd in HR 16 juni 2000 (Sint Willibrord), J@ 2000-97, NJ 2000, 584, nt. CJHB, VR 2000, 189, nt. dBK. In deze zaak oordeelde het Hof – in cassatie onbestreden -, dat de verpleging van psychiatrisch ziekenhuis Sint Willibrord niet had gehandeld met de zorgvuldigheid die van redelijk handelend verpleegkundigen in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht door een vrijwillig opgenomen patiënt voortijdig te laten vertrekken zonder daarover de dienstdoende psychiater te raadplegen; zie nr. 1409: Psychiatrische patiënten. Ten aanzien van de causaliteit oordeelde de Hoge Raad, met verwijzing naar HR 26 januari 1996 (Dicky Trading II), NJ 1996, 607, nt. WMK, dat, indien door een als onrechtmatige daad of wanprestatie aan te merken gedraging een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en dit risico zich vervolgens ver­wezenlijkt, daarmee het causaal verband tussen die gedra­ging en de aldus ont­stane schade in beginsel is gegeven en dat het aan degene die op grond van die ge­draging wordt aangespro­ken, is om te stellen en te bewijzen dat die schade ook zonder die ge­draging zou zijn ontstaan. Volgens de Hoge Raad geeft geen blijk van een onjuiste rechts­opvatting het oordeel van het hof dat de verpleegkun­digen van Sint Willibrord, door de patiënt te laten gaan, een verhoogd gevaar voor enigerlei schade aan derden in het leven hebben ge­roepen. Zie ook nr. 1410 (Gevangenen).

 

Zie in gelijke zin in verband met een ongeluk tussen twee fietsers: HR 24 december 1999 (Gouda/Lutz), NJ 2000, 428, nt. HJS, VR 2000, 57: het op een fietspad rijden in de verboden rijrichting is een onrechtmatige gedraging die in het algemeen het gevaar voor verkeersongevallen vergroot. Indien dit gevaar zich in de vorm van een ongeval verwezenlijkt, is daarmee het causaal verband tussen de gedraging en het ongeval in beginsel gegeven; het is dan aan de over­treder te stellen en te bewijzen dat het ongeval ook zonder dat verkeersgedrag zou zijn voorgevallen’. De Hoge Raad verwijst hier naar HR 16 november 1990 (Rebecca Visser), NJ 1991, 55. Zie voorts HR 17 november 2000 (Unilever/Dikmans), J@ 2000-214, RvdW 2000, 230, VR 2001, 78, waarover ook nr. 1508: Veilige werkplek.

 

In zijn arresten van november 2002 heeft de Hoge Raad uiteengezet dat voor de toepassing van de omkeringsregel is vereist, dat is komen vast te staan dat sprake is geweest (a) van een gedraging in strijd met een norm die ertoe strekt een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade bij een ander te voorkomen en (b) dat dit gevaar door de normschending in het algemeen in aanmerkelijke mate wordt vergroot. Voorts dient degene die zich op de schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft kunnen maken dat in het concrete geval het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt. Het in de omkeringsregel bedoelde vermoeden strekt zich niet zonder meer uit tot de omvang van de schade; de benadeelde moet deze in beginsel aantonen of aannemelijk maken. Aldus HR 29 november 2002 (TFS/NS), J@ 2002-436, RvdW 2002, 190 en HR 29 november 2002 (Kastelijn/Achtkarspelen), J@ 2002-442, RvdW 2002, 191. Het is weinig aannemelijk dat met dit arrest de problemen met de omkeringsregel zijn opgelost. De voorwaarden die de Hoge Raad stelt, kunnen in de praktijk nog steeds tot vele meningsverschillen aanleiding geven. Zie onder meer M.A.I.M.V. Michiels van Kessenich, NbBW 2003, p. p. 5 e.v.; G.E. van Maanen, NTBR 2003, p. 111 e.v.; Chr.H. van Dijk, TVP 2003, p. 7 e.v.; T. Hartlief, AA 2003, p. 298 e.v.

 

Volgens de Hoge Raad is in ten minste drie algemene gevallen geen plaats voor toepassing van de omkeringsregel:

(1) indien de toedracht van het ongeval niet is komen vast te staan; aldus HR 29 november 2002 (TFS/NS), J@ 2002-436, RvdW 2002, 190;

(2) indien niet aannemelijk is (gemaakt) dat de gestelde schade het gevolg is van de onrechtmatige daad; aldus HR 29 november 2002 (Kastelijn/Achtkarspelen), J@ 2002-442, RvdW 2002, 191; zie in gelijke zin HR 18 april 2003 (ACE Insurance/Fino Bewaking), J@ 2003-185, RvdW 2003, 81, over het causaal verband tussen een tekortschietende uitvoering van een beveiligingsovereenkomst en inbraken in een loods waarbij eens per uur gesurveilleerd diende te worden.

(3) indien een arts zijn informatieplicht schendt: deze plicht, die inhoudt dat de arts zijn patiënt vóór een medische behandeling inlicht over de risico's van de voorgestelde behandeling, strekt er niet toe om de patiënt te be­schermen tegen deze risico's maar om de patiënt in staat te stellen goed geïnformeerd te beslissen of hij toestemming voor deze behandeling zal geven; het optreden van schade doordat bedoelde risico's optreden, kan dan ook niet worden aangemerkt als verwezenlijking van het risico dat door het tekortschieten door de arts in de nakoming van zijn informatieplicht in het leven is geroepen; aldus HR 23 november 2001 (I./De Wever) , J@ 2001-317, NJ 2002, 386, nt. JBMV, VR 2002, 176 en HR 23 november 2001 (N./P.), J@ 2001-319, NJ 2002, 387, nt. JBMV.

 

Deze bewijsregel gaat evenmin op, indien de gedaagde het creëren van het risico of de verwezenlijking daarvan voldoende betwist. Dit blijkt uit HR 19 januari 2001 (Ter Hofte/Oude Monnink), J@ 2001-22, NJ 2001, 524, nt. JBMV, VR 2001, 118. Ter Hofte slipte met zijn motorfiets, kwam ten val en leed schade. Kort daarvoor had Oude Monnink de oliekoeler van de motorfiets gerepareerd. Deze reparatie was niet goed verricht, want de koeler lekte na de reparatie olie. Ter Hofte stelde dat met de schending van de zorgvuldigheidsnorm en de verwezenlijking van het risico het causaal verband in beginsel gegeven was. De Hoge Raad overwoog echter dat de omkeringsregel hier niet opging, omdat in deze zaak ‘… niet alleen in geschil was of de aan Oude Monnink verweten wanprestatie een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven heeft geroepen, maar ook of, in het bevestigende geval, dit risico zich vervolgens heeft verwezenlijkt. Oude Monnink betwistte immers dat als gevolg van de gebrekkige reparatie uit de koeler een zodanige hoeveelheid olie met het loopvlak van de achterband in aanraking is gekomen dat daardoor het risico in het leven is geroepen dat Ter Hofte met zijn motor zou slippen, en tevens dat hij bij het ongeval inderdaad is geslipt en het risico zich dus heeft verwezenlijkt.’ Hier speelde dus een belangrijke rol dat niet vaststond, dat de onjuiste reparatie van de oliekoeler zonder meer het risico van slippen in het leven had geroepen. Zie ook HR 11 januari 2002 (Zürich/X), J@ 2002-4, VR  2002, 158.

 

HR 8 juni 2001 (Zwolsche Algemeene/De Greef), J@ 2001-166, NJ 2001, 433, laat zien dat de omkeringsregel nauw samenhangt met het bewijs van schade. Een automobilist werd, toen hij voor een rood verkeerslicht stond te wachten, van achteren aangereden door een ongeveer 50 km per uur rijdende auto. De WAM-verzekeraar erkende aansprakelijkheid maar betwistte de hoogte van de schade en met name de blijvende arbeidsongeschiktheid. Het Hof overwoog dat het in casu ging om een syndroom (post-whiplash), ‘… waarvan algemeen bekend is dat dit moeilijk of slechts in beperkte mate tot concreet waarneembare medische stoornissen valt te herleiden’. De eisen die aan het bewijs kunnen worden gesteld, dienen dan niet al te hoog te zijn. ‘Het komt dan - tot op zekere hoogte - voor risico van de veroorzaker van het ongeval dat het oorzakelijke verband tussen ongeval en klachten zich niet rechtstreeks laat aantonen en dat de klachten evenmin te herleiden zijn tot medisch vaststelbare afwijkingen.’ Een in cassatie hiertegen gerichte motiveringsklacht faalt. De Hoge Raad overwoog: ‘Met die overweging heeft het Hof immers (…) tot uitdrukking gebracht dat het ontbreken van een specifieke, medisch aantoonbare verklaring voor de klachten in die zin voor risico van de veroorzaker van het ongeval komt, dat dit niet in de weg staat aan het oordeel dat het bewijs van het oorzakelijk verband geleverd is.’ AG-Bakels merkte terecht op dat het onderhavige geval ook via de omkeringsregel had kunnen worden beslist (Conclusie, noot 5). Wie met 50 km per uur achterop een stilstaande auto botst, roept niet alleen het algemene risico van schade in het leven maar ook het specifieke risico van een post-whiplash-syndroom. Volgens de omkeringsregel is het dan aan de WAM-verzekeraar om aan te tonen dat de benadeelde zijn gezondheidsklachten ook zonder die aanrijding zou hebben gehad.

 

De omkeringsregel is een in cassatie toetsbare bewijsregel in de zin van art. 150 (177 oud) Rv. Het reeds eerder op deze plaats ingenomen standpunt dat de gedaagde bij de omkeringsregel geen sluitend bewijs van het ontbreken van causaal verband behoeft te leveren maar dat hij dit ontbreken slechts aannemelijk behoeft te maken, is bevestigd in HR 29 november 2002 (TFS/NS), J@ 2002-436, RvdW 2002, 190 en HR 29 november 2002 (Kastelijn/Achtkarspelen), J@ 2002-442, RvdW 2002, 191. Dit sluit ook aan bij de zinsnede in het Cijsouw I-arrest (zie boven: dat de vereiste veiligheidsmaatregelen de verwezenlijking van het gevaar van mesothelioom waarschijnlijk niet had kunnen voorkomen), die later overigens niet meer is herhaald.

 

Bij het door de gedaagde te leveren tegenbewijs kan het ook gaan om feiten die het causaal verband verbreken. Bij graafwerkzaamheden beschadigde een werknemer van Nacap een gasleiding en zat Shellfish zonder gas, waardoor het productieproces kwam stil te liggen. De Hoge Raad overwoog: ‘Uitgaande van zijn kennelijk oordeel dat de onderbreking van de gastoevoer naar Shellfish niet zou zijn opgetreden als de onderhavige gasleiding niet zou zijn doorgesneden, zodat in ieder geval een “condicio sine qua non” verband tussen de beschadiging en die onderbreking vaststaat, heeft het Hof terecht Nacap belast met het bewijs van de juistheid van de tot haar verweer aangevoerde stelling dat de door Shellfish gestelde schade in een zodanig verwijderd verband tot de beschadiging van de getroffen leiding staat, dat het causale verband daardoor is verbroken.’[51] Het gaat hier dus om het bewijs van het ontbreken van een feitelijk verband en niet het juridische toerekeningsverband (zie onder). Dit bewijs kan inhouden dat wordt aangetoond  dat er een of meer andere oorzaken bestonden voor het stoppen van het productieproces bij Shellfish.

 

Met de omkeringsregel komt de mogelijkheid van proportionele aansprakelijkheid pas aan de orde, indien de aansprakelijk gestelde persoon voldoende twijfel zaait over hetzij de creatie van het risico, hetzij de verwezenlijking daarvan. Te denken valt aan situaties waarin het letsel door verschillende oorzaken kan zijn ontstaan (longkanker door asbest of door roken) en aan gevallen van verlies van een kans (een arts stelt te laat een diagnose, waardoor een kans op genezing of althans een tijdelijke effectieve behandeling verloren gaat). Slaagt de aansprakelijk gestelde persoon er niet in om voldoende twijfel in bovengenoemde zin te zaaien, dan treedt de omkeringsregel in werking en is het causaal verband in beginsel gegeven. Slaagt de laedens er wel in om voldoende twijfel te zaaien, dan kan de rechter tot proportionele aansprakelijkheid besluiten.[50]

 

De omkeringsregel ziet op het vaststellen van de feiten die in causaal verband staan met de schending van de norm. De Hoge Raad spreekt immers over ‘het causaal verband tussen de verweten gedraging en de opgelopen schade’. Dat geldt dus ook voor verder in de keten gelegen of onwaarschijnlijke schadelijke gevolgen: ook deze dienen in feitelijk verband te staan met de onrechtmatige daad of tekortkoming. Het vaststellen van de gevolgen is een kwestie van feiten en bewijs op grond van de omkeringsregel. De vraag in hoeverre deze gevolgen aan de gedaagde kunnen worden toegerekend is niet een kwestie van feiten maar van recht. In HR 2 maart 2001 (Medisch Centrum Leeuwarden/In ’t Hout), J@ 2001-75, RvdW 2001, 62, ging het om de vraag of er causaal verband bestond tussen het niet navolgen van een medisch protocol en het later optreden van trombose (zie nr. 831: Buitenwettelijke normen). De Hoge Raad overwoog dat het Hof geen blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat, ‘… - nu het risico op het ontstaan van de schade in het leven is geroepen door het niet toepassen van het voorschrift standaard anti-stollingsmiddelen toe te dienen en nu dit risico (het optreden van trombose) zich heeft verwezenlijkt - het causaal verband tussen de verweten gedraging en de opgelopen schade in beginsel is gegeven’. Volgens de Hoge Raad kon in het midden blijven of een protocol een veiligheidsnorm is. Dit kan hierdoor worden verklaard, dat deze vraag slechts van belang is voor de toerekening van verderliggende of onwaarschijnlijke gevolgen. Van dit laatste was in casu geen sprake: het protocol was immers juist bedoeld om het risico op het post-operatief optreden van trombose tegen te gaan, althans te verkleinen.

 

Voor de goede orde zij herhaald, dat het in de omkeringsregel bedoelde vermoeden zich niet zonder meer uitstrekt tot de omvang (vermoedelijk doelt de Hoge Raad hier de begroting) van de schade. Deze moet in beginsel door de benadeelde worden aangetoond of aannemelijk gemaakt. Aldus HR 29 november 2002 (TFS/NS), J@ 2002-436, RvdW 2002, 190 en HR 29 november 2002 (Kastelijn/Achtkarspelen), J@ 2002-442, RvdW 2002, 191.

 

Zie over de omkeringsregel in extenso A.J. Akkermans, De ‘omkeringsregel’ bij het bewijs van causaal verband, Den Haag 2002. Hij geeft aan dat de rechtvaardiging van de omkeringsregel is gelegen in het nauwe verband tussen de beschermende strekking van de geschonden norm en het risico dat zich heeft verwezenlijkt (p. 130 e.v.).

 

Uitgaande van de (mede op grond van deze bewijsregels) in rechte vaststaande feiten, is het de vraag in hoeverre alle gevolgen aan de gedraging (en daarmee aan de veroorzaker) kunnen worden toegerekend. Hier wordt het terrein van feiten en bewijs verlaten. Indien sprake is van de schending van een verkeers- of veiligheidsnorm worden ook onwaarschijnlijke en ver verwijderde gebeurtenissen toegerekend; bij de schending van andere normen ligt dit anders: zie nr. 809: Causaliteit en voorzienbaarheid.

 

In geval van opzet wordt zowel het primaire als secundaire causaal verband tussen daad, ongeval en schade snel aangenomen.[52] Zie ook nr. 911: Subjectieve toetsing: opzet en bewuste roekeloosheid.

 

46. HR 21 juni 1974 (Windmill/Roelofsen), NJ 1974, 453, nt. GJS; HR 16 november 1990 (Rebecca Visser), NJ 1991, 55, VR 1991, 50; HR 17 november 1989 (De Kok/Jansen’s BV), NJ 1990, 572, nt. PAS, VR 1990, 148; HR 1 oktober 1993 (Lekkende kruik II), NJ 1995, 182, nt. CJHB, VR 1994, 73; HR 21 oktober 1994 (IZA/Waarborgfonds), NJ 1995, 95, VR 1995, 117.

47. HR 25 juni 1993 (Cijsouw I), NJ 1993, 686, nt. PAS, VR 1993, 171.

48. HR 18 december 1992 (Dicky Trading I), NJ 1994, 91, nt. EAAL.

49. HR 26 januari 1996 (Dicky Trading II), NJ 1996, 607, nt. WMK. Zie ook HR 1 juli 1993 (Nuts/Hofman), NJ 1993, 667, nt. PAS; HR 21 februari 1997 (Wrongful birth), NJ 1999, 145, nt. CJHB, VR 1998, 182; HR 27 februari 1998 (Seksueel misbruik), NJ 1998, 417.

50. Zie hierover met name Akkermans, Proportionele aansprakelijkheid bij onzeker causaal verband (1997) en voorts Faure, (G)een schijn van kans (1993); Van, Onzekerheid over daderschap en causaliteit (1995); N. Frenk, Toerekening naar kansbepaling, NJB 1995, p. 482-491 en Bier, Aansprakelijkheid voor bedrijfsongevallen en beroepsziekten (1988), p. 45 e.v.

51. HR 2 oktober 1998 (Nacap Nederland/International Shellfish), NJ 1998, 831.

52. Van Schellen, Toerekening naar redelijkheid (1985), p. 47-49 en indirect HR 25 maart 1983 (Steengaassteller), NJ 1984, 629, nt. CJHB, VR 1985, 79. Zie ook HR 8 februari 1985 (Henderson/Gibbs), NJ 1986, 137, nt. CJHB, VR 1985, 107 en voor het Franse recht: Carbonnier, Les obligations (1998), § 222, p. 377.

 

Naar boven    Inhoud      Home