________________________________________
8 ONRECHTMATIGHEID
8.2.2 Waarschijnlijkheid
809 Causaliteit en voorzienbaarheid
In het kader van de onrechtmatigheid en causaliteit
wordt vaak over 'voorzienbaarheid' in plaats van 'waarschijnlijkheid' gesproken.
Dit is echter een term die wegens haar veelduidige betekenis (zij kan ook kenbaarheid
betekenen) beter kan worden vermeden.
In
plaats van waarschijnlijkheid wordt ook wel gesproken over ‘voorzienbaarheid’,
‘prévisibilité’, ‘Vorhersehbarkeit’ en ‘foreseeability’. Het problematische
van deze term is, dat zij zowel waarschijnlijkheid als kenbaarheid kan betekenen.
In het laatste geval kan het dan weer gaan om de kenbaarheid van de schade en
om de kenbaarheid van de waarschijnlijkheid van de schade, waarbij dan zowel
een subjectieve als een objectieve toetsing kunnen worden bedoeld (nr.
908-909).
Een
zo veelduidig begrip als voorzienbaarheid kan daarom beter worden vermeden
maar dat is helaas niet zo eenvoudig. Zo is in Engeland ‘foreseeability’
bepalend voor zowel de ‘duty of care’, de ‘breach of duty’ als de causaliteit
(nr. 506-507 en 513).[36] Bovendien is de rol van de adequatietheorie nog lang
niet uitgespeeld. Deze theorie houdt in, dat de veroorzaker alleen
aansprakelijk is voor de redelijkerwijs voorzienbare gevolgen van zijn
handelen.
Nadat
in Nederland sinds 1927 de adequatietheorie als causaliteitsleer dienst had
gedaan,[37] stapte de Hoge Raad Nederland in 1970 over op de leer van de
toerekening naar redelijkheid. Aan deze koerswijziging lag de bekende rede van
Köster ten grondslag. Hij constateerde dat het voorzienbaarheidscriterium een
toverformule was geworden en bepleitte om in plaats daarvan in het kader van
een toerekening naar redelijkheid een multi-factor-benadering te hanteren.[38]
De Hoge Raad maakte deze gedachte tot de zijne en daarmee verloor de
voorzienbaarheid van de schade als causaliteitscriterium haar
monopoliepositie.[39]
Van
groot belang is in dit verband het Versluis-arrest. De 21-jarige Mia Versluis
was na een operatie ten gevolge van een decerebratie niet meer uit de narcose
ontwaakt en lag tot haar dood, vijf jaar later, in coma. Haar vader stelde dat
het ziekenhuis hem na de mislukte operatie aan zijn lot had overgelaten en dat
ook de informatie door het ziekenhuis onvoldoende was geweest. Ten gevolge
hiervan was hij geestelijk ingestort en arbeidsongeschikt geraakt. Voor zijn
schade stelde hij de anaesthesist en het ziekenhuis aansprakelijk. De Hoge Raad
maakte bij zijn beslissing in cassatie een onderscheid tussen '... deze
aansprakelijkheidsgrond en bijv. die waarvan sprake is bij overtreding van
verkeers- resp. veiligheidsnormen. Bij overtreding van laatstbedoelde normen,
die in de regel strekken ter voorkoming van verkeers- of arbeidsongevallen,
moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid van ernstige gevolgen, hoe
deze zich ook in het concrete geval mogen voordoen. Zulks kan niet worden
aangenomen ten aanzien van de niet-naleving van de zorgvuldigheidsnormen, in
strijd waarmee Ziekenzorg en Y in 's Hofs veronderstelling jegens Versluis
hebben gehandeld.'[40]
Uit
dit arrest volgt, dat voorzienbaarheid - in de zin van waarschijnlijkheid - van
de schade geen vereiste meer is voor het aannemen van causaal verband bij de
schending van een verkeers- of veiligheidsnorm. Ook de meest onwaarschijnlijke
gevolgen komen voor rekening van degene die onrechtmatig handelde. Zie nr. 806
Waarschijnlijkheid van wat? Dat geldt ook indien een in de normale lijn
der verwachtingen liggende herstel uitblijft als gevolg van de persoonlijkheidsstructuur
of privé-moeilijkheden van het slachtoffer. Wel kan het feit dat het
slachtoffer zich onvoldoende inspant om een bijdrage te leveren aan het
herstelproces op grond van eigen schuld leiden tot een vermindering van de
vergoedingsplicht.[41] Voorts wordt bij duurschade de causale keten doorbroken
indien blijkt dat de gelaedeerde, ook als het ongeval niet had plaatsgevonden,
op enigerlei tijdstip geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt zou zijn
geworden tengevolge van een omstandigheid die voor zijn risico komt.[42]
Ook
het Duitse BGH trekt ruime grenzen als het gaat om de toerekening van
onwaarschijnlijke gevolgen. In beginsel moet de veroorzaker instaan voor alle
gezondheidsschade van de benadeelde, ongeacht of deze schade fysiek of
psychisch van aard is. De veroorzaker kan niet het verweer voeren dat de schade
is veroorzaakt of verergerd doordat de benadeelde fysiek of psychisch bijzonder
kwetsbaar is. De veroorzaker behoeft echter niet in te staan voor een
renteneurose bij de benadeelde, dat wil zeggen wanneer ‘… der Geschädigte den
Schadensfall in dem neurotischen Streben nach Versorgung und Sicherung
lediglich zum Anlab nimmt, den Schwierigkeiten und Belastungen des
Erwerbslebens auszuweichen’. BGH
11 november 1997, NJW 1998, 813,
VersR 1998, 200 met verwijzing naar BGH 30 april 1996, BGHZ 132, 341, NJW 1996,
2425; zie ook reeds BGH 29 februari 1956, BGHZ 20, 137.
Een
tweede uitzondering op toerekening van psychische gevolgen neemt het BGH aan
bij bagatelschade: ‘… wenn das schädigende Ereignis ganz geringfügig ist
(Bagatelle) und nicht gerade eine etwa vorhandene spezielle Schadensanlage des
Verletzten trifft, wenn also die psychische Reaktion des Verletzten im
konkreten Fall wegen ihres groben Mibverhältnisses zum
Anlab schlechterdings nicht mehr verständlich ist.’ BGH
11 november 1997, NJW 1998, 813,
VersR 1998, 200 met verwijzing naar BGH 30 april 1996, BGHZ 132, 341, NJW 1996,
2425.
Het
BGH zoekt hier aansluiting bij het begrip bagatelschade dat geldt bij de
toekenning van smartengeld op grond van § 847 BGB. Dit betekent dat het bij de
primaire schade moet gaan om ‘… vorübergehende, im Alltagsleben typische und
häufig auch aus anderen Gründen als einem besonderen Schadensfall entstehende
Beeinträchtigungen des Körpers oder des seelischen Wohlbefindens handelt. Damit
sind also Beeinträchtigungen gemeint, die sowohl von der Intensität als auch
der Art der Primärverletzung her nur ganz geringfügig sind und üblicherweise
den Verletzten nicht nachhaltig beeindrucken, weil er schon aufgrund des
Zusammenlebens mit anderen Menschen daran gewöhnt ist, vergleichbaren Störungen
seiner Befindlichkeit ausgesetzt zu sein.’ BGH 11 november 1997, NJW 1998, 810,
VersR 1998, 201, met verwijzing naar BGH 14 januari 1992, NJW 1992, 1043, VersR
1992, 504; zie reeds BGH 12 november 1985, VersR 1986, 240. Dit criterium komt
met name aan de orde indien sprake is van onwaarschijnlijke psychische gevolgen
bij onbeduidende aanrijdingen.
De
voorzienbaarheid (waarschijnlijkheid) van de schade speelt wel een rol buiten
het terrein van de verkeers- en veiligheidsnormen. Dit blijkt uit het
Steengaasstellers-arrest, waarin de Hoge Raad oordeelde, dat de rol van de
voorzienbaarheid pas kon worden vastgesteld na het bepalen van de geschonden
norm: 'Het hangt mede van de aard van de gedraging en van de daardoor
geschonden normen af, welke betekenis moet worden gehecht, en welke eisen
moeten worden gesteld aan de voorzienbaarheid van de resulterende schade voor
de vraag, of en in hoeverre deze als door die gedraging veroorzaakt, ten laste
van de pleger van de onrechtmatige daad mag worden gebracht.'[43]
Wat
zijn nu verkeers- en veiligheidsnormen? In het Ziekenhuis De Heel-arrest
oordeelde de Hoge Raad '... dat veiligheidsnormen als waarvan hier sprake is,
naar hun aard strekken ter voorkoming van ongevallen en daaruit voortvloeiend
letsel'.[44] In dat zelfde arrest merkte de Hoge Raad op, dat dit ook geldt
voor normen in het kader van een medische behandeling. Meer in het algemeen zou
ik willen aannemen dat het moet gaan om geschreven en ongeschreven normen die
strekken tot bescherming tegen personenschade, dat wil zeggen tegen overlijden,
tegen lichamelijk en psychisch letsel en tegen ziekte (nr. 804). In die zin is
de juistheid van de beslissing in het Versluis-arrest naar huidige inzichten
achterhaald: het zonder goede grond niet verstrekken van informatie of het
verstrekken van onjuiste informatie aan de patiënt of aan de naaste familie na
een medische fout, is een gedraging die ongewenst is juist met het oog op het
voorkomen van (verdere) psychische schade (nr. 1510).
Dat verkeers- en veiligheidsnormen ook kunnen
strekken tot bescherming tegen zaakschade kan worden afgeleid uit het
bussluis-arrest. Hierin oordeelde de Hoge Raad in het kader van de
aansprakelijkheid voor zaakschade (in het verband van art. 6:101), '... dat bij
overtreding van een verkeersnorm een beschadiging van een voertuig, die zonder
die overtreding niet zou ontstaan, aan de overtreder kan worden toegerekend,
ook als zij in het concrete geval is ontstaan op een wijze die buiten de lijn
der normale verwachting ligt.'[45] Overigens zal in een groot aantal gevallen
bij het veroorzaken van zaakschade een norm zijn geschonden die mede strekt
ter voorkoming van personenschade.
36. Zie voor Frankrijk: Viney-Jourdain, Les
conditions de la responsabilité (1998), nr. 332 e.v.
37. HR 3 februari 1927 (Haagsche Post), NJ 1927, 636, nt. EMM.
38. Köster, Causaliteit en voorzienbaarheid (1963), p. 14. Zie
hierover G.H.A. Schut, De aard van de aansprakelijkheid en van de schade, RM
Themis 1978, p. 380-403 en C.J.H. Brunner, Causaliteit en toerekening van
schade, VR 1981, p. 210-217 en 233-236.
39. HR 20 maart 1970 (Waterwingebied), NJ 1970, 251, nt. GJS; HR 21 maart
1975 (Coronaire trombose), NJ 1975, 372, nt. GJS, VR 1975, 85, nt. CJHB; HR 19 december 1975 (Rijksweg 12), NJ
1976, 280, nt. GJS, VR 1976, 53, nt. CJHB en HR 1 juli 1977 (Van Hees/Esbeek),
NJ 1978, 84, nt. GJS.
40. HR 2 november 1979 (Vader Versluis), NJ 1980, 77, nt. GJS, VR
1983, 64, nt. vWvC.
41. HR 4 november 1988 (ABP/Van Stuyvenberg), NJ 1989, 751, nt.
CJHB, VR 1989, 97. Zie ook HR 8 februari 1985 (Joe/Chicago Bridge), NJ 1986,
136, VR 1985, 108, nt. vWvC; HR 8 februari 1985 (Henderson/Gibbs), NJ 1986,
137, VR 1985, 107; HR 1 juli 1993 (Nuts/Hofman), NJ 1993, 667, nt. PAS.
42. HR 2 februari 1990 (Vermaat/Staat), NJ 1991, 292, nt. CJHB, VR
1991, 156.
43. HR 25 maart 1983 (Steengaassteller), NJ 1984, 629, nt. CJHB, VR
1985, 79. Zie ook HR 25 mei 1990 (Boukes/Schuurmans), NJ 1990, 577 en HR 29
oktober 1993 (Blok/Vara), NJ 1994, 108.
44. HR 13 januari 1995 (Ziekenhuis De Heel), NJ 1997, 175, nt.
CJHB, VR 1995, 96. De vraag of een
medisch protocol een veiligheidsnorm is, wordt ontkennend beantwoord door E.H.
Hulst, NTBR 2003, p. 438-448.
45. HR 20 maart 1992 (Bussluis), NJ 1993, 547, nt. CJHB, VR 1992,
113.