AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

8       ONRECHTMATIGHEID

 

8.2    Risico

 

806   Waarschijnlijkheid van wat?

 

De tweede onrechtmatigheidsfactor is de waar­schijn­lijkheid van schade; samen met de ernst van de schade (zie § 8.2.1) bepaalt zij de omvang van het risico. Deze tweede factor moet in drie opzichten wor­den gepreci­seerd: het gaat om de kansverhoging, om de waarschijnlijkheid van het on­geval en om de waarschijnlijkheid van een ongeval in het algemeen (generalise­ring).

 

In de eerste plaats gaat het bij de waarschijnlijkheidsfactor niet om de kans dat het ongeval voortvloeit uit het gedrag van de veroorzaker maar om de kansverhoging die door deze gedraging in het leven is geroepen. Het verrichten van riskante maar maat­schappelijk nuttige activiteiten is immers niet zonder meer onrechtmatig doch slechts wanneer daarmee meer risico wordt genomen dan in het maatschappelijk verkeer betaamt (nr. 812).

 

Ten tweede gaat het bij de onrechtmatigheidsvraag niet om de waarschijnlijkheid van de uiteindelijke schade (dit is feitelijk de causaliteitsvraag) maar om de waarschijnlijkheid van het ongeval. Daarbij moet echter worden bedacht dat het onderscheid hiertussen in de praktijk niet altijd even scherp is. In de beroemde Engelse Wagon Mound-case over­woog Vis­count Simonds: 'It is vain to isolate the liability from its context and to say that B is or is not liable, and then to ask for what damage he is liable. For this liability is in respect of that damage and no other.'[23]

 

In de derde plaats gaat het bij de onrechtmatigheidsvraag niet om de waarschijnlijk­heid dat het gedrag tot het concrete ongeval zou leiden maar om de waarschijnlijkheid dat de gedraging in het algemeen een ongeval zou veroorzaken. De mate van waarschijnlijk­heid wordt dus generaliserend vastgesteld.[24]

 

Een voorbeeld van deze generaliseringstechniek vormt het Haringkar-arrest, waarin het ging om iemand die zijn auto met de sleutels in het contact voor enige minuten verliet om bij een nabijgelegen kraam haring te kopen. De Hoge Raad overwoog dat: '... in het algemeen de mate van waarschijnlijkheid dat het op de openbare weg onbeheerd laten staan van een auto met de contactsleutel in het slot en onafgesloten portier tot gevolg zal hebben dat een tot rijden onbekwaam persoon er mede zal gaan rijden en een ongeval zal veroorzaken, groot genoeg is om die handeling in strijd te doen zijn met de zorgvuldig­heid welke in het maatschappelijk verkeer betaamt'.[25]

 

Een ander voorbeeld is het natronloog-arrest. Een medewerker van de reinigings­dienst wierp een emmertje met vloeistof, verpakt in een doos en een vuilniszak in de vuilnisauto maar door de onvolmaakte werking van het mechaniek van de auto, kreeg hij een straal natronloog uit het emmertje in zijn oog. De Hoge Raad achtte de handelwijze van het Dorpshuis, dat het emmertje had klaargezet, onzorgvuldig; het deed er daarbij niet toe, dat de wijze waarop de schade zich in concreto realiseerde uiterst onwaarschijn­lijk was: '... de in gevallen als deze in acht te nemen zorgvuldigheid brengt naar haar aard mee, dat het er, voor aansprakelijkheid jegens degeen die door het in aanraking komen met de gevaarlijke vloeistof letsel oploopt, in beginsel niet toe doet, of de wijze waarop het letsel door aanraking met de stof in het gegeven geval precies is veroorzaakt, voorzienbaar was voor de partij die de betreffende zorgvuldigheidsnorm niet in acht heeft genomen.'[26] Er hadden immers ook op andere wijzen ongelukken kunnen gebeuren met het emmertje met natronloog, bijvoorbeeld doordat kinderen of dieren er in zouden gaan snuffelen. Het is dus niet de waarschijnlijkheid van deze concrete schade die beslissend is maar de waarschijnlijkheid van ongelukken die in het algemeen zijn te verwachten van het zonder nadere maatregelen gereedzetten van een vuilniszak met een onbekende vloei­stof.

 

De Hoge Raad heeft deze regel ook toegepast in HR 29 november 2002 (Legionella), J@ 2002-441, RvdW 2002, 192 inzake de aansprakelijkheid van een standhouder van whirlpools voor de besmetting van bezoekers met legionellabacteriën. In cassatie komt de vraag aan de orde in hoeverre het ontstaan, de aard en de omvang van de schade zoals deze zich in het onderhavige geval heeft voorgedaan voor de standhouder kenbaar en voorzienbaar moeten zijn geweest. De Hoge Raad stelt bij de beantwoording voorop dat het ging om een veiligheidsnorm waarvan het Hof heeft vastgesteld dat zij moet worden nageleefd met het oog op het voorkomen en bestrijden van een - ernstig - algemeen gevaar voor de gezondheid van mensen. Het Hof heeft volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven door te oordelen dat dět gevaar aan de standhouder bekend behoorde te zijn en dat niet van belang was in hoeverre de standhouder ervan op de hoogte was op welke wijze en met welke buitengewoon ernstige gevolgen dit gevaar zich in een situatie als de onderhavige zou kunnen verwezenlijken. Zie in soortgelijke zin het ’t Ruige Veld-arrest: ‘… nu met het oog op de verhoogde kans op het door Wendelien toebrengen van schade aan derden voorzorgsmaatregelen geboden waren en mogelijk waren, het achterwege blijven van deze maatregelen aansprakelijk maakt voor de daaruit voortvloeiende schade, onverschillig de wijze waarop Wendelien deze schade heeft toegebracht.’ Zie HR 12 mei 1995 (’t Ruige Veld/Univé), NJ 1996, 118, nt. JdB, waarover tevens nr. 1409 Psychiatrische patiënten.

 

Als tijdstip voor het bepalen van de waarschijnlijkheid dient te worden uitge­gaan van het moment vlak voor de verwezenlijking van het risico.

 

23 Viscount Simonds in Overseas Tankship (UK) Ltd. v. Morts Dock & England Co. Ltd. (The Wagon Mound No. 1), (1961) 1 All ER 404, 415.

24 Zie nr. 904 over de generaliseringstechniek in het kader van de kenbaarheid. Zie voorts Van Schellen, Toerekening naar redelijkheid (1985), p. 10 e.v.

25 HR 2 december 1966, NJ 1967, 42, nt. GJS, VR 1967, 23, nt. P (Haringkar), waarover ook nr. 1313.

26 HR 8 januari 1982, NJ 1982, 614, nt. CJHB (Dorpshuis Kamerik), waarover ook nr. 821 en 1304.