________________________________________
8 ONRECHTMATIGHEID
8.2.1 Ernst
van de schade
Voor zover schade
niet voor vergoeding in aanmerking komt, is de vraag of iemand gehouden was tot
het nemen van voorzorgsmaatregelen niet relevant. Dat geldt bijvoorbeeld ten
aanzien van affectieschade op de vergoeding waarvan in Nederland geen recht
bestaat. Het is van belang dat de wetgever of de rechter deze lacune in het
aansprakelijkheidsrecht dicht.
Niet
alle schade komt voor vergoeding in aanmerking. Dat geldt in het bijzonder
indien er sprake is van zogenaamde affectieschade. Deze schade bestaat uit het
verdriet dat iemand heeft door het overlijden of gewond raken van een naaste
verwant. Naar Nederlands en Duits recht wordt deze schade, anders dan naar
Frans, Belgisch en Engels recht, niet vergoed.
Bij
affectieschade gaat het om emotionele schade. Dergelijke schade komt in andere
omstandigheden al lange tijd voor vergoeding in aanmerking. Zo heeft op grond
van art. 6:106 ieder die lichamelijk letsel oploopt recht op smartengeld. Dit
smartengeld is bij uitstek een vergoeding voor de als gevolg van het
lichamelijk letsel ondervonden negatieve emoties. De vraag waar het bij
affectieschade om gaat, is of er ook recht moet bestaan op een vergoeding van
emotionele schade die wordt veroorzaakt door het verlies of het ernstig gewond
raken van een naaste verwant. De behoefte daaraan doet zich in het bijzonder
voelen indien een kind als gevolg van een ongeval om het leven komt of ernstig
gewond raakt. In het eerste geval
is er doorgaans slechts geringe materiële
schade en in beide gevallen is er bij de ouders grote emotionele schade.
Dit probleem kwam in 1998 bij de Hoge Raad aan
de orde. Het ging om een vordering van de ouders van de 3-jarige Jeffrey, die
na afloop van een zwemtherapie buiten toezicht van de moeder en de therapeute
in het zwembad was verdronken. De ouders vorderden een verklaring voor recht
dat het ziekenhuis waar de therapie had plaatsgevonden, aansprakelijk was voor
het overlijden van hun zoon. De Hoge Raad overwoog: 'De ouders hebben in
cassatie niet bestreden dat het door hen gestelde belang "een zuiver
emotioneel belang" is. Door voormeld "zuiver emotioneel" belang
niet aan te merken als "voldoende belang" als bedoeld in art. 3:303,
heeft het Hof ook overigens niet een te beperkte betekenis toegekend aan dat
begrip.'[20]
Een zuiver emotioneel belang is volgens
de Hoge Raad dus geen voldoende belang. Was affectieschade wel voor vergoeding
in aanmerking gekomen, dan zou het emotionele belang ook een
vermogensrechtelijk belang zijn geweest en hadden de ouders wel een voldoende
belang gehad bij het vorderen van een verklaring voor recht. Zie over dit arrest onder meer L. Wiggers-Rust, NTBR
2000, p. 150-153; L.M.V. Douwes, NTBR 2000, p. 223-230; C.C. van Dam, VR 2000, p. 73-75.
Het
niet vergoeden van affectieschade vormt een lacune in het Nederlandse aansprakelijkheidsrecht.
Daarom is het van groot belang, dat een recht op vergoeding van deze schade
wordt ingevoerd.[21] Het ligt voor de hand dat een dergelijke invoering
geschiedt door de wetgever maar ook de rechtspraak zou de knoop kunnen
doorhakken. Dat in de parlementaire geschiedenis, in het bijzonder bij de
behandeling van art. 6:106 in de Eerste Kamer, nog anders werd betoogd behoeft
daarvoor geen beletsel te zijn.[22] In de eerste plaats mag niet uit het oog
worden verloren, dat er destijds bij de Eerste Kamer veel sympathie was voor
de gedachte om affectieschade voor vergoeding in aanmerking te laten komen.
Dat was ook de reden voor het afwijzende betoog van de zijde van de regering:
dit was primair bedoeld om een dreigende afwijzing van een deel van de invoeringswet
in de kiem te smoren. Er was daarom sprake van een overbelichting van de nadelen
en een onderbelichting van de voordelen van de vergoeding van affectieschade.[23]
Ten tweede moet worden bedacht dat de meningen in de rechtspraktijk en de
literatuur over de vergoeding van affectieschade sindsdien in een
stroomversnelling zijn geraakt en dat de noodzaak voor een recht op
affectieschade thans vrij algemeen wordt ingezien.
Het
valt te betreuren dat de Hoge Raad deze mogelijkheid desondanks niet te baat
heeft genomen in HR 8
september 2000 (Ouders van Joost),
J@ 2000-129, VR 2000, 168, NJ 2000, 734, nt. ARB. Hierin ging het om de ouders
van een jongen, die door een medische fout tijdens een liesbreukoperatie kort
na zijn geboorte zeer ernstig gehandicapt raakte. De ouders vorderden
vergoeding van de materiële en immateriële schade die zij als gevolg van deze
gebeurtenissen leden. De Rechtbank Amsterdam wees deze vordering toe maar het
Hof Amsterdam vernietigde dit vonnis en wees de vordering af. Het Hof besliste
ten eerste dat de ouders in casu geen partij waren bij de
behandelingsovereenkomst (nr. 1510) en verwierp in de tweede plaats het beroep
van de ouders op art. 8 EVRM. De ouders hadden betoogd dat een inbreuk op het
door art. 8 EVRM beschermde recht op eerbiediging van het gezinsleven beschouwd
moet worden als een aantasting in de persoon van de ouders, hetgeen op grond
van art. 6:106 lid 1 sub b recht geeft op vergoeding van immateriële schade. De
ouders gingen in cassatie maar de Hoge Raad verwierp het cassatieberoep. Net
als het bekritiseerde Jeffrey-arrest (zie hierboven) is het Ouders van
Joost-arrest slechts op technische gronden gemotiveerd en opnieuw laat de Hoge
Raad iedere referentie aan de bij de procedure betrokken persoonlijke en
maatschappelijke belangen achterwege. Zo eindigde deze geruchtmakende procedure
zowel qua motivering als qua resultaat op beschamende wijze. Zie uitvoeriger
over dit arrest onder meer C.C. van Dam, De ouders van Joost, VR 2001, p. 1-7.
Over de noodzaak van het recht op vergoeding
van affectieschade bestaat brede consensus, ook bij de verzekeraars blijkens
hun Persbericht naar aanleiding van het Ouders van
Joost-arrest. In het najaar van 2000 deelde de Minister van Justitie in
antwoord op Kamervragen mee, dat hij zich op dit onderwerp nader
beraadt door een onderzoek in te stellen naar de regelingen in de ons
omringende landen en de eventuele financiële consequenties. In november 2000
nam de Tweede Kamer een motie (Kamerstukken II, 2000-2001, 27400 VI, nr. 31)
aan, waarin er bij het kabinet op wordt aangedrongen om een wetsvoorstel in te dienen
dat de vergoeding van affectieschade mogelijk maakt. SGP, RPF en GPV stemden
als enige tegen de motie (Handelingen Tweede Kamer 2000-2001, nr. 22, p. 1699).
Bij brief van 20 juni 2001 zette de minister de hoofdlijnen uiteen van de
regeling die hem voor ogen stond (Kamerstukken
II, 2000-2001, 27 400 VI, nr. 70).
In
een op 6 februari 2003 ingediend wetsvoorstel worden deze hoofdlijnen
grotendeels gevolgd en uitgewerkt. Zie Kamerstukken II,
2002-2003, 28 781, nr. 1-4: Advies van Raad van State en Nader Rapport (A); Koninklijke Boodschap en Voorstel van Wet
(1-2); Memorie van Toelichting (3); Nota van Verbetering (4).
De minister wil
vergoeding van affectieschade niet alleen mogelijk maken bij het overlijden van
een naaste verwant maar ook indien deze ernstig en blijvend letsel heeft
opgelopen (art. 6:107 lid 1 sub b). Voor dit laatste noemt hij als indicatie
een blijvend functioneel verlies van 70% maar dit is geen ondergrens. Voorts
noemt hij als voorbeelden ernstige karakter- en gedragsveranderingen,
aantasting van de geheugenfunctie of een algeheel functieverlies van zintuigen
(Memorie van Toelichting, p. 12).
Om geschillen over de
intensiteit van het leed te voorkomen wil de minister de kring van gerechtigden
en de hoogte van de toe te kennen bedragen bij wet regelen. Voor dit laatste
denkt hij aan een te indexeren bedrag van € 10.000, al geeft hij toe dat de
intensiteit van het leed niet in alle gevallen gelijk is. Volgens de minister
is dit bedrag ongeveer vergelijkbaar met de bedragen die elders worden
toegekend (Memorie van Toelichting, p. 4-7).
Als kring van
gerechtigden noemt het voorstel (art. 6:107 lid 2 en 6:108 lid 4): de niet van
tafel en bed gescheiden echtgenoot of geregistreerde partner van het
slachtoffer; de levensgezel die met het slachtoffer duurzaam een
gemeenschappelijke huishouding voert; de (adoptief) ouder van een minderjarig
slachtoffer of van een meerderjarig slachtoffer dat met de (adoptief) ouder in
gezinsverband samenleefde; het minderjarige (adoptief) kind of het
meerderjarige (adoptief) kind dat met het slachtoffer in gezinsverband
samenleefde; degene die duurzaam in gezinsverband de zorg voor het slachtoffer
heeft; degene voor wie het slachtoffer duurzaam in gezinsverband de zorg heeft.
Wie binnen deze categorieën valt, heeft recht op
affectieschade, ongeacht of er (nog) sprake was van een affectieve relatie met
degene die is overleden of ernstig gewond is geraakt. Het voorstel impliceert dat (adoptief) broers, (adoptief) zusters en grootouders niet voor
vergoeding van affectieschade in aanmerking zullen komen, ook niet indien zij
een hechte affectieve relatie kunnen aantonen. Hetzelfde geldt voor
niet-samenwonende partners (lat-relaties) en niet met hun ouders samenwonende
meerderjarige kinderen (zoals studenten op kamers). Een fundamenteel bezwaar is
daarom, dat het wetsvoorstel de vrucht is van de naïeve gedachte dat affectieve
relaties gevangen kunnen worden in een formele Haagse opsomming. Het miskent
dat voor de aanwezigheid van affectieschade nu juist niet de formele maar de
feitelijke verhouding tussen personen beslissend is.
Inmiddels is het Verslag van de Vaste Commissie voor Justitie van de
Tweede Kamer verschenen (Kamerstukken 2002-2003, 28 781, nr. 5), dat op hoofdlijnen positief is maar nog diverse vragen aan de orde
stelt.
Zie over de hoofdlijnen
van het wetsvoorstel en een analyse van de lagere rechtspraak inzake
shockschade C.C. van Dam, Smartengeld voor affectieschade en shockschade in M.
Jansen, Smartengeld, 15e druk, 2003, p. 6-16.
Bij
dit alles mag niet uit het oog worden verloren dat ook de vergoeding van
materiële schade in gevallen van ernstig letsel nog onvoldoende is geregeld,
zoals onder meer blijkt uit HR 28 mei 1999 (Johanna Kruidhof), NJ 1999, 564,
nt. ARB, VR 1999, 166, nt. GMT. Meer in het algemeen dient het aansprakelijkheidsrecht
beter te worden afgestemd op het feit dat in dit soort gevallen niet alleen de
gewonde zelf getroffen is maar ook en niet zelden zeer indringend hun nabije
familieleden. Dit geldt in het bijzonder voor de ouders en de levenspartner,
die de zorg voor de gewonde op zich nemen. Het kan niet zo zijn dat de keuze om
iemand zo veel en zo lang mogelijk thuis te blijven verzorgen niet kan worden
gerealiseerd omdat het aansprakelijkheidsrecht nog teveel in individuen denkt.
20. HR 9 oktober 1998 (Jeffrey), NJ 1998, 853. Zeer kritisch over
het arrest is G.E. van Maanen, Een arrest dat shockeert, NTBR 1999, p. 47-49.
21. Zie Lindenbergh, Smartengeld (1998), p. 203-219 en C.C. van
Dam, Smartengeld: het verdriet van Europa, TvC 1991, p. 92-107.
22. Parl. Gesch. Inv. Boek 6, p. 1273-1277.
23. Zie ook Lindenbergh, Smartengeld (1998), p. 178.