AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

8        ONRECHTMATIGHEID

 

8.1    Inleiding

 

801   Vier onrechtmatigheidsfactoren

 

Voor het vaststellen van de onrechtmatigheid van een gedraging moet de omvang van de zorg worden afgewogen tegen de omvang van het risico. Zorg en risico kunnen elk worden verdeeld in twee factoren: risico in ernst van de schade en waarschijnlijkheid van de schade; zorg in aard en nut van de gedraging en bezwaar­lijkheid van voorzorgsmaatregelen.

 

Bij het vaststellen of iemand zich onrechtmatig heeft gedragen gaat het er om '... ob er die allgemeinen Sorgfaltspflichten beachtet hat, die die Recht­sprechung von Fall zu Fall und für jeden Lebensbereich herausarbeitet, um auf diese Weise einen Kompromiß zu finden zwischen dem Interesse an der Vermeidung unver­nünftig großer Schadensrisiken und dem Interesse an der Zulassung von wichtigen und nützlichen, wenn auch mit Gefahren verbundenen Tätigkeiten.'[1]

 

Gaat het in het aansprakelijkheidsrecht in het algemeen om het afwegen van het vrijheidsbelang tegen het beschermingsbelang (nr. 001: Vrijheid en bescherming), bij het bepalen van de onrecht­ma­tigheid gaat het om een afweging tussen zorg en risico. De te betrachten zorg geldt hier als vrij­heidsbeperking en het risico als bescher­mingsbe­perking. Het risico voor de bena­deelde is bepalend voor de te betrachten zorg door de veroorza­ker. Een groot risico ver­eist een grote mate van zorg en bij een gering risico kan in het algemeen met minder zorg worden volstaan: 'As the danger increases, so must the precautions increase'.[2]

 

Risico sluit, anders dan gevaar, aan bij wat in de (verzekerings)praktijk gebruikelijk is.[3] Het past ook bij de gedachte dat men gevaar loopt en risico neemt. In het verlengde daarvan kan men daarom ook zeggen dat iemand onrechtmatigheid heeft gehandeld door meer risico te nemen c.q. te laten bestaan dan verantwoord was en derhalve te weinig zorg te betrachten.[4]

 

Het enkele creëren of vergroten van een risico is op zichzelf niet voldoende voor het aannemen van onrechtmatigheid. Vele activiteiten gaan immers gepaard met een ver­hoogd risico, zoals produktieprocessen of deelname aan het wegverkeer. De onrechtma­tigheid hangt af van de wijze waarop iemand de activiteit uitoefent; zij impliceert immers een gedragstoetsing (nr. 703). Zo overwoog de Hoge Raad in het kader van een aan­varing dat '... het doen ontstaan van een gevaarsituatie niet op zich zelf en zonder meer als een verkeerd varen of liggen mag worden beschouwd, terwijl de vraag of dit in een gegeven geval zal moeten worden aangenomen, van de bijzondere omstan­digheden van dat geval afhankelijk zal zijn'.[5] Dit laat onverlet, dat op veel terrenen hoge zorgvul­digheidseisen gelden, waardoor in een belangrijk aantal gevallen de vergro­ting van het risico feitelijk (vrijwel) voldoende is voor het aannemen van onrechtmatigheid. Zie over de verhouding tussen fout- en risico-aanspra­kelijkheid Hoofdstuk 10.

 

Het afwegingsproces tussen zorg en risico is al in 1947 verfijnd door beroemde Ame­rikaanse rechter Learned Hand. De aanleiding daarvoor vormden de volgende feiten. Carroll Towing had na werkzaamheden een aantal sche­pen niet goed vastgemaakt aan de kadekettingen. Als gevolg hiervan raakte één van de schepen los, botste tegen een ander schip, zonk en verloor zijn lading. Er bestond geen rechtsregel die voor dit geval ant­woord gaf op de aansprakelijkheid. Learned Hand overwoog: 'Since there are occasions when every vessel will break away from her moorings, and since, if she does, she becomes a menace to those about her; the owner's duty, as in other similar situations, to provide against resulting injuries is a function of three varia­bles: (1) the probability that she will break away; (2) the gravity of the resulting injury, if she does; (3) the burden of adequate precautions.'[6]

 

De eerste twee factoren van Learned Hand (de waarschijnlijkheid van het ongeval en de ernst van de schade) vormen een uitwerking van het risico. De derde factor (de be­zwaarlijkheid van voorzorgsmaatregelen) is een uitwerking van de zorg. Later is aan deze drie factoren een vierde zorgfactor toegevoegd, namelijk de aard en het nut van de gedraging.[7] Ook in continentaal Europa is het gebruik van deze vier factoren inmiddels in zwang geraakt,[8] al is de aandacht in de Nederlandse literatuur nog enigszins beschei­den.[9]

 

Het Kelderluik-arrest vormt het klassieke Nederlandse voorbeeld van het gebruik van afwegingsfacto­ren ter beantwoording van de onrechtmatigheidsvraag. Sjouwerman liet bij het bevoorra­den van café 'De Munt' in Amsterdam het kelderluik, dat zich in de café­ruimte bevond, open staan. Bezoeker Duchateau merkte op weg naar het toilet het gat te laat op en kwetste zijn been. Voor het beoordelen van de vraag of Sjouwerman onrecht­matig had gehandeld, moest volgens de Hoge Raad worden gelet op '... op de hoegroot­heid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben en op de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatrege­len'.[10] Naast deze Learned Hand-factoren noemde de Hoge Raad nog een extra factor, namelijk de mate van waarschijnlijkheid waarmee kan worden verwacht dat de ander niet de ver­eiste oplettendheid en voorzichtigheid zal betrachten. Het gaat hier dus om de vraag in hoeverre rekening moet worden gehouden met fouten van anderen. Deze vraag komt aan de orde in het kader van de omvang van de te vergen voorzorgsmaatregelen (nr. 822-823).

 

1. Kötz, Deliktsrecht (1998), N 102. Zie ook Von Caemmerer, Wandlungen des Deliktsrecht (1960), p. 478 e.v.

2. Denning L.J. in Lloyds Bank Ltd. v. Railway Executive (1952) 1 All ER 1248, 1253. Zie ook BGH 21 april 1977, VersR 1977, 817, 818; Münchener Kommentar-Hanau (1994), § 276 N 96; Prosser and Keeton on the Law of Torts (1984), p. 171.

3. L.G. Eykman, Schuld, risico en verzekering, TMA 1989, p. 123-126; Bier, Aansprakelijkheid voor bedrijfsongevallen en beroepsziekten (1988), p. 193. Anders nog Van Dam, Zorgvuldigheids­norm en aansprakelijkheid (1989), nr 79.

4. Aldus bijvoorbeeld HR 11 december 1987 (Bushalte), NJ 1988, 393, nt. G, VR 1988, 77, nt. vWvC, waarover nr. 808: Ongelukkige samenloop van omstandigheden.

5. HR 9 november 1962 (Wessanen/Vervenne), NJ 1963, 311, nt. HB. Zie ook HR 23 juni 1995 (Zf. Groningen/Koetje), NJ 1995, 730, VR 1996, 21.

6. Learned Hand in United States v. Carroll Towing Co. (1947) 159 F. (2d) 169, 173.

7. Prosser and Keeton on the Law of Torts (1984), p. 173; Lord Reid in Morris v. West Hartlepool Co. Ltd. (1956) AC 552, 574. Zie voor kritiek op deze methode Wright, The Stand­ards of Care in Negligence Law (1995), p. 249-275.

8. Kötz, Deliktsrecht (1998), N 109; Aubry et Rau, Droit civil (1989), nr 32; Mazeaud-Tunc, Traité de la responsabilité civile (1965), nr 444 en Viney-Jourdain, Les conditions de la responsabilité (1998), nr 477.

9. Van der Ven, De zorgvuldigheidsnorm krachtens art. 1401 BW (1941); Bier, Aansprakelijkheid voor bedrijfsongevallen en beroepsziekten (1988), p. 192 e.v. en p. 216 e.v.; Vranken, Medede­lings-, informatie- en onderzoeksplichten (1989), nr 121 e.v.; Van Dam, Zorgvuldigheidsnorm en aansprakelijkheid (1989); Asser-Hartkamp III (1998), nr 45-51l.

10. HR 5 november 1965 (Kelderluik), NJ 1966, 136, nt. GJS. Zie ook HR 13 april 1962 (Moes/Van der Leest), NJ 1964, 394, VR 1965, 24, nt. P; HR 9 januari 1981 (Van Dam/Beukeboom), NJ 1981, 227, nt. CJHB; HR 9 oktober 1981 (Bargerbeek/Juurlink), NJ 1982, 332, nt. CJHB; HR 18 december 1987 (Franzetti/Suikerunie), NJ 1988, 350, VR 1988, 91.

 

Naar boven    Inhoud      Home