AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT - C.C. van Dam

________________________________________

 

7        INLEIDING DEEL II

 

706   Relatieve aansprakelijkheid: psychische schade en vermogensschade

 

De relativiteit van de aansprakelijkheid komt ook aan de orde in gevallen van psychische schade zonder dat tevens sprake is van lichamelijk letsel en bij het verhalen van zuivere vermogensschade. In een procedure kan het in die gevallen essentieel zijn, dat eiser stelt welke zorgvuldigheidsnorm jegens hem of haar is geschonden.

 

Een criterium om vast te stellen of iemand jegens een ander aansprakelijk kan zijn, is of de veroorzaker bedacht had moeten zijn op de benadeelde en diens belangen (nr. 705). Deze maatstaf kan ook worden toegepast bij het vaststellen van de kring van gerechtigden op psychische schade en bij de aansprakelijkheid voor vermogensschade.

 

Bij psychische schade valt met name te denken aan personen die getuige zijn van een verkeersongeval, dan wel met de directe gevolgen daarvan worden geconfronteerd. Bij deze laatste groep valt met name te denken aan naaste verwanten. Dient een verkeers­deelnemer op deze benadeelden en hun schade bedacht te zijn? Het is een feit van alge­mene bekendheid dat ongevallen niet alleen tot ernstig letsel bij het directe slachtoffer kunnen leiden maar ook tot onder meer ernstig psychisch leed van naaste verwanten. Het zou dan ook weinig overtuigend zijn om vast te stellen dat de veroorzaker van een verkeersongeval op dergelijke belangen niet bedacht behoeft te zijn. Verkeersnormen strek­ken ook tot bescherming van de psychische gezondheid van de naaste verwanten van verkeersslachtoffers, niet alleen als zij getuige zijn van het ongeval maar ook als zij met de directe gevolgen worden geconfronteerd. In dit verband kan worden gewezen op Enge­land en Duitsland waar aansprakelijkheid ook bestaat jegens naaste verwanten van personen die verongelukken (nr. 403 en 510), indien bij deze verwanten sprake is van psychisch of geestelijk letsel. Deze problematiek staat los van de vergoeding van affectieschade; zie daarover nr. 805: Affectieschade.

 

De Hoge Raad heeft deze strekking onderschreven in HR 22 februari 2002 (Taxibus), J@ 2002-77, NJ 2002, 240, nt. JBMV, VR 2002, 91, zij het dat hij de grenzen enger trekt. Het ging in deze zaak om de uiterst schokkende ervaring van een 28-jarige vrouw die haar vijfjarig dochtertje ernstig verminkt op straat aantrof, nadat het door een taxibus was overreden. Zeven jaar later had de moeder nog steeds nachtmerries, was ze apathisch en in ernstige mate depressief. Er moet van worden uitgegaan dat zij levenslang ernstig psychisch zal lijden. Volgens de Hoge Raad komt psychische schade naar huidig recht in bijzondere gevallen voor vergoeding in aanmerking op grond van art. 6:106 lid 1 sub b (aantasting in de persoon). Hij stelt daartoe de volgende voorwaarden (r.o. 4.3):

a. Door de overtreding van een verkeers- of veiligheidsnorm wordt een ernstig ongeval veroorzaakt. In eerdere rechtspraak heeft de Hoge Raad ook medische normen als veiligheidsnormen beschouwd; zie HR 13 januari 1995 (Ziekenhuis De Heel), NJ 1997, 175, nt. CJHB, VR 1995, 96. Overigens spreekt de Hoge Raad in r.o. 5.4 neutraler over ‘de aan het onrechtmatig handelen van de veroorzaker toe te rekenen schokkende confrontatie met de ernstige gevolgen van het ongeval’.

b. Een ander dan de gedode of gewonde persoon loopt een hevige emotionele shock op door de waarneming van het ongeval of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Dit wijkt af van Parl. Gesch. Inv. Boek 6, p. 1274: volgens de Hoge Raad komt shockschade niet alleen voor vergoeding in aanmerking bij de waarneming van of confrontatie met een dodelijk ongeval maar ook bij een ongeval waarbij een ander gewond is geraakt. Dit confrontatie-criterium is problematisch, met name omdat de Hoge Raad niet de aard van de schade maar de plaats van de schade centraal stelt. Uit de formulering van r.o. 5.2 (met name de woorden ‘in het algemeen’) kan worden afgeleid dat vermoedelijk ook in andere gevallen van rechtstreekse confrontatie op de plaats van het ongeval sprake kan zijn van shockschade die voor vergoeding in aanmerking komt. In het bijzonder valt te denken aan de confrontatie ‘in the immediate aftermath’ van het ongeval, bijvoorbeeld in het ziekenhuis. Vgl. S.D. Lindenbergh, NbBW 2002, p. 62; R.J.P. Kottenhagen, NTBR 2002, p. 188; A.J. Verheij, L&S 2002, p. 5 e.v.

c. Deze shock leidt tot geestelijk letsel dat in rechte kan worden vastgesteld, wat volgens de Hoge Raad in het algemeen slechts het geval is indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Deze formulering laat enige ruimte voor het aannemen van een shock als er geen psychiatrisch erkend ziektebeeld kan worden vastgesteld. Dat kan bijvoorbeeld van belang zijn indien deskundigen verdeeld zijn over de diagnose. Zie ook A.J. Verheij, Vergoeding van immateriële schade wegens aantasting in de persoon, diss. Amsterdam (VU), 2002, p. 181 e.v.

d. Een dergelijke shock kan zich met name voordoen bij iemand die in een nauwe affectieve relatie staat tot degene die bij het ongeval is gedood of gewond. Deze formulering sluit niet uit dat ook andere dan nauwe verwanten, zoals hulpverlenrs, recht hebben op de vergoeding van shockschade, mits aan de overige vereisten is voldaan.

Zie over dit arrest C.C. van Dam, Het Taxibus-arrest, VR 2002, p. 205-209.

Zie voor een analyse van de lagere rechtspraak inzake shockschade voor en na het Taxibus-arrest C.C. van Dam, Smartengeld voor affectieschade en shockschade in M. Jansen Smartengeld, 15e druk, 2003, p. 8-16.

 

Indien een benadeelde zijn vordering baseert op de schending van de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm, moet hij duidelijk aangeven welke specifieke ongeschreven norm jegens hem geschonden is. Niet alleen bij ongevallen maar met name ook bij het vorde­ren van vergoeding van zuivere vermogensschade kan dit van groot belang zijn. In het Poot/ABP-arrest ging het om de vraag of een onrechtmatige daad jegens een vennoot­schap tevens een onrechtmatige daad oplevert jegens een individuele aandeelhouder. De Hoge Raad overwoog, dat de ongeschreven onrechtmatigheidsnorm betrekking heeft '... op de zorgvuldigheid die in een bepaalde verhouding tegenover een of meer bepaalde anderen behoort te worden betracht en is dus naar haar aard niet een norm die strekt tot bescherming van de belangen van allen die schade lijden als gevolg van het feit dat de vereiste zorgvuldigheid tegenover die bepaalde anderen niet in acht is genomen. Het Hof is dan ook terecht ervan uitgegaan dat Poot als eisende partij diende te stellen welke specifieke zorgvuldigheidsnorm door het ABP jegens Poot in privé in acht had moeten worden genomen, en dat hij niet kon volstaan met het stellen van wanprestatie of onzorgvuldig handelen van het ABP jegens het concern.'[25]

 

Het ging in dit geval om van het vennootschappelijk vermogen afgeleide schade: Poot leed de schade als aandeelhouder, omdat de vennootschap schade leed. In een dergelijk geval is het aan de vennootschap om een vordering tot schadevergoeding in te stellen tegen de derde die jegens de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld, c.q. wanprestatie heeft gepleegd. Als die vordering slaagt en de schade wordt vergoed, zal de waarde­vermindering van de aandelen ongedaan zijn gemaakt. De aandeelhouder lijdt dan geen schade meer. Dit betekent dat in gevallen van afgeleide schade de aandeelhouder geen ei­gen vorderingsrecht heeft, tenzij hij aantoont dat een jegens hem geldende zorgvuldig­heidsnorm is geschonden. In dat geval kan hij ook afgeleide schade vorderen voor zover vergoeding niet meer indirect via de vennootschap kan worden verkregen. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als de benadeelde zijn aandelen intussen heeft overgedragen.[26]

 

HR 13 oktober 2000 (S/SOBI), J@ 2000-169, NJ 2000, 699, nt. Ma. paste deze regels ook toe toen leden van de coöperatie Heino Krause de directeur aansprakelijk hielden voor de schade die zij hadden geleden door zijn wanbeleid. Ook in dit geval ging het volgens de Hoge Raad om afgeleide schade: ‘De coöperatie oefent immers als rechtspersoon haar eigen bedrijf uit en het gestelde wanbeleid van haar directeur heeft primair gevolgen voor de bedrijfsresultaten van de coöperatie. De door de leden in dit geding gevorderde schade is daarom niet een rechtstreekse, doch een afgeleide schade.’ De Hoge Raad achtte voorts in casu onvoldoende gesteld om aan te nemen dat de leden naast de afgeleide schade ook rechtstreeks schade hadden geleden en dat de directeur een specifiek jegens de leden geldende zorgvuldigheidsnorm had geschonden. Dat Heino Krause inmiddels was opgegaan in Coberco deed hieraan volgens de Hoge Raad niet af: ‘Al haar rechten en verplichtingen zijn immers, naar in dit geding onweersproken vaststaat, overgegaan op Coberco als verkrijgende coöperatie.’ Zie over dit arrest ook G.E. van Maanen, WPNR 6422 (2000), p. 797-799. In dezelfde lijn ligt HR 14 juli 2000 (Van de Mosselaar/Lagero), J@ 2000-119, NJ 2001, 685, nt. S.C.J.J. Kortmann. Zie voorts J. Tielens, WPNR 6407 (2000), p. 451-455.

 

In dit soort gevallen is voor het afwijzen van een zorgplicht dus niet beslissend of de veroorzaker op de belangen van de aandeelhouders bedacht had moeten zijn. Beslissend is hier dat parallelle claims van de vennootschap en de aandeelhouder rechtspolitiek niet gewenst zijn. In het kader van de aansprakelijkheid voor zuivere vermogensschade komt de rechtspolitieke constructie 'bedacht moeten zijn op de belangen van de ander' bijvoorbeeld wel aan de orde bij de zorgplicht van de beroepsbeoefenaar jegens derden, waarover nr. 1514.

 

25. HR 2 december 1994 (Poot/ABP), NJ 1995, 288, nt. Ma. Zie ook HR 29 november 1996 (Dohmen/Amersfoortse), NJ 1997, 178, VR 1997, 73 en HR 12 december 1997 (Ventaz Engineering/FNV), NJ 1998, 348, nt. Ma.

26. HR 2 mei 1997 (Kip en Sloetjes/Rabobank), NJ 1997, 662, nt. Ma, VR 1998, 136. Zie uitvoeri­ger M.J. Kroeze, Schade aan aandelen, WPNR 6288 (1997), p. 720-726.

 

Naar boven    Inhoud      Home