________________________________________
De relativiteit van
de aansprakelijkheid komt ook aan de orde in gevallen van psychische schade
zonder dat tevens sprake is van lichamelijk letsel en bij het verhalen van
zuivere vermogensschade. In een procedure kan het in die gevallen essentieel
zijn, dat eiser stelt welke zorgvuldigheidsnorm jegens hem of haar is
geschonden.
Een
criterium om vast te stellen of iemand jegens een ander aansprakelijk kan zijn,
is of de veroorzaker bedacht had moeten zijn op de benadeelde en diens belangen
(nr. 705). Deze maatstaf kan ook worden toegepast bij het vaststellen van de
kring van gerechtigden op psychische schade en bij de aansprakelijkheid voor
vermogensschade.
Bij
psychische schade valt met name te denken aan personen die getuige zijn van een
verkeersongeval, dan wel met de directe gevolgen daarvan worden geconfronteerd.
Bij deze laatste groep valt met name te denken aan naaste verwanten. Dient een
verkeersdeelnemer op deze benadeelden en hun schade bedacht te zijn? Het is
een feit van algemene bekendheid dat ongevallen niet alleen tot ernstig letsel
bij het directe slachtoffer kunnen leiden maar ook tot onder meer ernstig
psychisch leed van naaste verwanten. Het zou dan ook weinig overtuigend zijn om
vast te stellen dat de veroorzaker van een verkeersongeval op dergelijke belangen
niet bedacht behoeft te zijn. Verkeersnormen strekken ook tot bescherming van
de psychische gezondheid van de naaste verwanten van verkeersslachtoffers, niet
alleen als zij getuige zijn van het ongeval maar ook als zij met de directe
gevolgen worden geconfronteerd. In dit verband kan worden gewezen op Engeland
en Duitsland waar aansprakelijkheid ook bestaat jegens naaste verwanten van
personen die verongelukken (nr. 403 en 510), indien bij deze verwanten sprake
is van psychisch of geestelijk letsel. Deze problematiek staat los van de
vergoeding van affectieschade; zie daarover nr. 805: Affectieschade.
De Hoge Raad heeft deze
strekking onderschreven in HR 22
februari 2002 (Taxibus), J@ 2002-77, NJ 2002,
240, nt. JBMV, VR 2002, 91, zij het dat hij de grenzen enger trekt. Het ging in
deze zaak om de uiterst schokkende ervaring van een 28-jarige vrouw die haar
vijfjarig dochtertje ernstig verminkt op straat aantrof, nadat het door een
taxibus was overreden. Zeven jaar later had de moeder nog steeds nachtmerries,
was ze apathisch en in ernstige mate depressief. Er moet van worden uitgegaan
dat zij levenslang ernstig psychisch zal lijden. Volgens de Hoge
Raad komt psychische schade naar huidig recht in bijzondere gevallen voor
vergoeding in aanmerking op grond van art. 6:106 lid 1 sub b (aantasting in de
persoon). Hij stelt daartoe de volgende voorwaarden (r.o. 4.3):
a. Door de overtreding van een verkeers- of
veiligheidsnorm wordt een ernstig ongeval veroorzaakt. In eerdere rechtspraak
heeft de Hoge Raad ook medische normen als veiligheidsnormen beschouwd; zie HR
13 januari 1995 (Ziekenhuis De Heel), NJ 1997, 175, nt. CJHB, VR 1995, 96.
Overigens spreekt de Hoge Raad in r.o. 5.4 neutraler over ‘de aan het
onrechtmatig handelen van de veroorzaker toe te rekenen schokkende confrontatie
met de ernstige gevolgen van het ongeval’.
b. Een ander dan de gedode of gewonde persoon
loopt een hevige emotionele shock op door de waarneming van het ongeval of door
de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Dit wijkt af van Parl.
Gesch. Inv. Boek 6, p. 1274: volgens de Hoge Raad komt shockschade niet alleen
voor vergoeding in aanmerking bij de waarneming van of confrontatie met een
dodelijk ongeval maar ook bij een ongeval waarbij een ander gewond is geraakt.
Dit confrontatie-criterium is problematisch, met name omdat de Hoge Raad niet
de aard van de schade maar de plaats van de schade centraal stelt. Uit de
formulering van r.o. 5.2 (met name de woorden ‘in het algemeen’) kan worden
afgeleid dat vermoedelijk ook in andere gevallen van rechtstreekse confrontatie
op de plaats van het ongeval sprake kan zijn van shockschade die voor
vergoeding in aanmerking komt. In het bijzonder valt te denken aan de
confrontatie ‘in the immediate aftermath’ van het ongeval, bijvoorbeeld in het
ziekenhuis. Vgl. S.D. Lindenbergh, NbBW 2002, p. 62; R.J.P. Kottenhagen, NTBR
2002, p. 188; A.J. Verheij, L&S 2002, p. 5 e.v.
c. Deze shock leidt tot geestelijk letsel
dat in rechte kan worden vastgesteld, wat volgens de Hoge Raad in het algemeen
slechts het geval is indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.
Deze formulering laat enige ruimte voor het aannemen van een shock als er geen
psychiatrisch erkend ziektebeeld kan worden vastgesteld. Dat kan bijvoorbeeld
van belang zijn indien deskundigen verdeeld zijn over de diagnose. Zie ook A.J.
Verheij, Vergoeding van immateriële schade wegens aantasting in de persoon,
diss. Amsterdam (VU), 2002, p. 181 e.v.
d. Een dergelijke shock kan zich met name voordoen bij iemand die in
een nauwe affectieve relatie staat tot degene die bij het ongeval is gedood of
gewond. Deze formulering sluit niet uit dat ook andere dan nauwe verwanten,
zoals hulpverlenrs, recht hebben op de vergoeding van shockschade, mits aan de
overige vereisten is voldaan.
Zie
over dit arrest C.C. van Dam, Het Taxibus-arrest, VR 2002, p. 205-209.
Zie voor een analyse
van de lagere rechtspraak inzake shockschade voor en na het Taxibus-arrest C.C.
van Dam, Smartengeld voor affectieschade en shockschade in M. Jansen Smartengeld, 15e druk, 2003, p. 8-16.
Indien
een benadeelde zijn vordering baseert op de schending van de ongeschreven
zorgvuldigheidsnorm, moet hij duidelijk aangeven welke specifieke ongeschreven
norm jegens hem geschonden is. Niet alleen bij ongevallen maar met name
ook bij het vorderen van vergoeding van zuivere vermogensschade kan dit van
groot belang zijn. In het Poot/ABP-arrest ging het om de vraag of een
onrechtmatige daad jegens een vennootschap tevens een onrechtmatige daad
oplevert jegens een individuele aandeelhouder. De Hoge Raad overwoog, dat de
ongeschreven onrechtmatigheidsnorm betrekking heeft '... op de zorgvuldigheid
die in een bepaalde verhouding tegenover een of meer bepaalde anderen behoort
te worden betracht en is dus naar haar aard niet een norm die strekt tot bescherming
van de belangen van allen die schade lijden als gevolg van het feit dat de
vereiste zorgvuldigheid tegenover die bepaalde anderen niet in acht is genomen.
Het Hof is dan ook terecht ervan uitgegaan dat Poot als eisende partij diende
te stellen welke specifieke zorgvuldigheidsnorm door het ABP jegens Poot in
privé in acht had moeten worden genomen, en dat hij niet kon volstaan met het
stellen van wanprestatie of onzorgvuldig handelen van het ABP jegens het
concern.'[25]
Het
ging in dit geval om van het vennootschappelijk vermogen afgeleide schade: Poot
leed de schade als aandeelhouder, omdat de vennootschap schade leed. In een
dergelijk geval is het aan de vennootschap om een vordering tot
schadevergoeding in te stellen tegen de derde die jegens de vennootschap
onrechtmatig heeft gehandeld, c.q. wanprestatie heeft gepleegd. Als die
vordering slaagt en de schade wordt vergoed, zal de waardevermindering van de
aandelen ongedaan zijn gemaakt. De aandeelhouder lijdt dan geen schade meer.
Dit betekent dat in gevallen van afgeleide schade de aandeelhouder geen eigen
vorderingsrecht heeft, tenzij hij aantoont dat een jegens hem geldende
zorgvuldigheidsnorm is geschonden. In dat geval kan hij ook afgeleide schade
vorderen voor zover vergoeding niet meer indirect via de vennootschap kan
worden verkregen. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als de benadeelde zijn
aandelen intussen heeft overgedragen.[26]
HR 13
oktober 2000 (S/SOBI), J@ 2000-169, NJ
2000, 699, nt. Ma. paste deze regels ook toe toen leden van de coöperatie Heino
Krause de directeur aansprakelijk hielden voor de schade die zij hadden geleden
door zijn wanbeleid. Ook in dit geval ging het volgens de Hoge Raad om
afgeleide schade: ‘De coöperatie oefent immers als rechtspersoon haar eigen
bedrijf uit en het gestelde wanbeleid van haar directeur heeft primair gevolgen
voor de bedrijfsresultaten van de coöperatie. De door de leden in dit geding
gevorderde schade is daarom niet een rechtstreekse, doch een afgeleide schade.’
De Hoge Raad achtte voorts in casu onvoldoende gesteld om aan te nemen dat de
leden naast de afgeleide schade ook rechtstreeks schade hadden geleden en dat
de directeur een specifiek jegens de leden geldende zorgvuldigheidsnorm had
geschonden. Dat Heino Krause inmiddels was opgegaan in Coberco deed hieraan
volgens de Hoge Raad niet af: ‘Al haar rechten en verplichtingen zijn immers,
naar in dit geding onweersproken vaststaat, overgegaan op Coberco als
verkrijgende coöperatie.’ Zie over dit arrest ook G.E. van Maanen, WPNR 6422
(2000), p. 797-799. In dezelfde lijn ligt HR 14 juli
2000 (Van de Mosselaar/Lagero),
J@ 2000-119, NJ 2001, 685, nt. S.C.J.J. Kortmann. Zie voorts J. Tielens, WPNR
6407 (2000), p. 451-455.
In
dit soort gevallen is voor het afwijzen van een zorgplicht dus niet beslissend
of de veroorzaker op de belangen van de aandeelhouders bedacht had moeten zijn.
Beslissend is hier dat parallelle claims van de vennootschap en de
aandeelhouder rechtspolitiek niet gewenst zijn. In het kader van de
aansprakelijkheid voor zuivere vermogensschade komt de rechtspolitieke
constructie 'bedacht moeten zijn op de belangen van de ander' bijvoorbeeld wel
aan de orde bij de zorgplicht van de beroepsbeoefenaar jegens derden, waarover
nr. 1514.
25. HR 2 december 1994 (Poot/ABP), NJ
1995, 288, nt. Ma. Zie ook HR 29 november 1996 (Dohmen/Amersfoortse), NJ 1997, 178,
VR 1997, 73 en HR 12 december 1997 (Ventaz Engineering/FNV), NJ 1998, 348, nt.
Ma.
26. HR 2 mei 1997 (Kip en
Sloetjes/Rabobank), NJ 1997, 662, nt. Ma, VR 1998, 136. Zie uitvoeriger M.J.
Kroeze, Schade aan aandelen, WPNR 6288 (1997), p. 720-726.